dinsdag 26 december 2017

TINE ZIET (97): Volgers

Graag wil ik me bij deze op voorhand excuseren bij lezers als mijn moeder. Dit stukje gaat over sociale media. Iets wat ze niet zo goed verstaat.

Op het moment dat ik dit schrijf heb ik 931 vrienden en 1233 volgers. Eigenlijk klinkt het allemaal indrukwekkend. Let wel: ik wil niet met cijfers gooien om te pochen. Ik wil alleen maar wat aantonen.

Het is eigenlijk een absurd idee. Zet die vrienden eens allen samen aan een tafel. Wees daar maar eens gastvrouw van! En die volgers: laat ze maar eens echt achter me aanlopen en ik word gegarandeerd binnen het kwartier gek. Toch is het een soort van statussymbool geworden. Een foto zonder likes betekent dat je niet populair bent.

Als ik mijn leerlingen vertel dat ik op Facebook zit, vragen ze meteen ook: “En hoeveel likes krijg je op een dag?” Ooit antwoordde ik: “Best veel! Een stuk of 30.” Ze keken elkaar verbouwereerd aan en zeiden: “Is dat alles?” Mijn nichtje was eens oprecht heel droevig omdat ze per ongeluk haar foto op haar profiel had verwijderd. Daarmee had ze meer dan 150 duimen in de vuilnisbak gegooid. Toen ze een nieuwe foto moest plaatsen, wist ze dat ze weer opnieuw moest beginnen. Ze was opeens veel minder populair.

Ik begrijp het ook best. Iemand met meer vrienden en meer volgers heeft een grotere impact op de massa. Zo mocht ik afgelopen week ondervinden dat iemand met meer volgers met mijn idee ging lopen en daar meer applaus voor kreeg dan ik. Het maakte me in eerste instantie boos en ook wel jaloers. Maar toen bedacht ik dat dat belachelijk was. Geen enkel idee is nog uniek. En de kracht van een applaus zit hem niet in het aantal paar handen maar in de dynamiek.


(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 22/12/17)

maandag 18 december 2017

TINE ZIET (96): Ereburger

Zaterdag mochten wij met Les Figurettes optreden tijdens de kerstmarkt in Lauwe. Daar kregen we de kans om te proeven van een stukje Wieltjestaart dat over was van de viering van de huldiging van Johan Tahon als ereburger van stad Menen. Het was een heerlijk stukje. Niet alleen omdat de taart ook echt smaakte, maar ook omdat het toch wel bijzonder mooi is dat de beeldend kunstenaar tot het rijtje van ereburgers werd toegevoegd. Hij bracht hiervoor zelfs mijn lievelingsschrijver Peter Verhelst mee. Wat ik natuurlijk extra kan appreciëren. Ook schonk hij een prachtige beeldengroep aan het stadsmuseum.

Momenteel werkt hij samen met Till Lindemann, de zanger van Rammstein die ook dichter is. Eind januari is het resultaat van hun samenwerking te zien in Maastricht. Vorig jaar nog was hij curator van het kunsttraject Menin Road/Ypernstrasse. Maar werken van hem zijn overal te zien.  Zijn sculpturen torenen vaak hoog boven de bodem uit. Ze blinken uit in een soort ruwe eenvoud. Dat mag ik misschien niet zeggen, ik ben geen kunstkenner, maar je hoeft geen kunstkenner te zijn om te beseffen dat de kunst van Tahon er iets toe doet. Dat hij op die manier ook zijn roots uitdraagt.

Wat ik als leerkracht van SAMW Menen heel erg graag hoor, is hoe dankbaar hij is voor zijn opleiding in de academie. Dat er een gepassioneerde leraar was die hem vormde en kneedde. Dat hij daarna zijn eigen weg opging, een weg die de wereld almaar meer stukjes Tahon laat zien. Dat een academie dus een begin kan zijn van een ereburgerschap en kunst de reden tot het ontvangen van een sleutel van een stad.

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 15/12/17)

maandag 11 december 2017

TINE ZIET (95): Zonder klagen

Er zijn tegenwoordig al heel veel speciale dagen. Zo is november traditioneel de maand waarin sommige mannen hun snor laten staan en zich daarvoor laten sponsoren voor het goede doel. Er is Tournée Minerale waarin je jezelf verplicht geen alcohol te drinken. Er zijn dagen zonder vlees en momenteel ben ik  - echt waar! - aangemeld voor ‘Dagen zonder Klagen'.

Het is natuurlijk ludiek, maar ik zou het iedereen van harte kunnen aanbevelen om eens enkele dagen niet te klagen. Want er wordt nogal wat af gezeurd! Het is toch iets wat me meer en meer opvalt. Ook bij mezelf. Hoe meer we hebben, hoe meer we morren. We mogen het niet vergeten: jammeren kost ook energie. Zaniken over mopperen ook. Dus laat ik er niet te veel woorden aan vuil maken.

Nu ja, zoveel woorden passen er niet in deze rubriek. Dat is misschien wel een geluk. Zijn er redenen tot zeuren? Ja! Stapels! Maar minstens evenveel redenen van niet. Zo vond ik afgelopen week zomaar spontaan een zakje vol lekkernijen van de Sint aan mijn deurklink. Ik zag een prachtig huiskamerconcert met Chantal Acda omgeven door leuke mensen. Er was thundersnow, het geluid van spelende kinderen op het trottoir, een supermaan, lekkere soep, een zachte nieuwe trui, een spinnende kat en veel slappe lach in de lessen. En bovenal: de geur van echte mandarijntjes! Er waren grappige onwennige danspasjes, mooie plannen, veel kaarsjes, bemoedigende woorden en enthousiaste leerlingen verkleed als Pietjes. Al het positieve valt ineens veel meer op.

Een interessante oefening waaruit ik zoveel leer en die mijn wereld een stukje minder zuur zal maken. Ik probeer het vol te houden. Wie doet met me mee?

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 08/12/17)

maandag 4 december 2017

TINE ZIET (94): Ziek

Afgelopen dagen was ik een opvallende afwezige in de klas, tijdens een concert in de straat, bij de repetitie van de Figurettes,... Mijn lijf heeft dat voor mij beslist. En de dokter vooral.

Als ik zo ziek ben dat ik niet ga werken, heb ik de neiging om wat zielig te zijn. Ik durf dan wel eens naar aandacht hengelen op sociale media. Sommige mensen begrijpen dat niet, ik hoef me daarvoor niet te verantwoorden, maar het is fijn om lieve berichten te krijgen als je je niet goed voelt. Het is als een nat washandje op een zwetend gezicht. Het is leuk om te lezen dat anderen hun maaltijd met je willen delen. Bovenal is het ook een stok achter de deur. Mocht me overkomen dat ik opeens toch niet meer wakker word of dat ik in mijn slappe toestand van de trap val, dan zijn er toch een paar mensen in mijn dichte omgeving die misschien wel eens zouden kunnen denken: “Hé, Tine is ziek en ze is verdacht stil. Misschien is er toch wat niet in orde.”


Het is een reële angst van mij. Een mens die alleen woont, mag nog zo sociaal zijn, als je in huis iets tegenkomt en niet bij een telefoon kan, kan het dagen duren vooraleer je gevonden wordt.  Je hoeft niet eens bejaard te zijn. Een voormalige vriend van mij werd bijvoorbeeld te laat gevonden. Hij was nog jong. Dus waarom zou het mij niet kunnen overkomen? Misschien nemen daarom zoveel alleenstaande mensen een dier in huis. Of planten voor het raam. Of rolluiken. Als er geen beweging meer is in huis, zouden planten hangen, dieren janken en rolluiken zwijgen. Maar wie let daarop? Ik heb gelukkig nog deze rubriek: als ik een week niet verschijn, zullen jullie ongetwijfeld allemaal op mijn raam komen kloppen. Toch?

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 01/12/17)

maandag 27 november 2017

TINE ZIET (93): Pyjama

Vrijdagavond lag ik wellicht net zoals veel buurtbewoners naar een schermpje te turen toen ik opeens een raar geluid hoorde. Het leek zelfs alsof mijn huis wat trilde. Nu, ik ben geen ramptoerist, dus maakte ik voorlopig geen aanstalten om op te staan. Toen er niet lang daarna allerlei sirenes klonken en een brandweerwagen met zwaailichten voor mijn raam bleef stilstaan, bedacht ik dat ik toch beter naar buiten stapte.

Eerlijkheid gebiedt me om te zeggen dat ik al in pyjama was. Ik trok snel een jeansbroek aan met mijn jas eroverheen. Sinds ik eens een paar getuigen van Jehova heb weggejaagd door in mijn pyjama van achter de voordeur te verschijnen, durf ik mij zelden aan andere personen zo te tonen.  Buiten stonden al mijn buren bij elkaar. Zij kenden overduidelijk geen pyjamaschaamte.

Buiten waren (alweer) twee auto’s op elkaar gebotst. Eén auto was nu met z’n neus in de muur van het kapsalon ‘geparkeerd’. En andere stond midden op het kruispunt. Ik hoorde de omstaanders zeggen dat het nu genoeg was geweest. Dat er al te veel ongelukken op dat punt waren gebeurd. Altijd door te hoge snelheid in combinatie met een voorrang van rechts. Ik had naar blote benen kunnen kijken, naar dessins op pyjamabroeken, pantoffels. Ik had mijn buurt als het ware in z’n blootje kunnen zien, maar ik kon alleen maar naar de vrouw kijken die vastgeklemd zat in de auto in de muur. Het bleek de overbuurvrouw te zijn. Hoe ze almaar bleker werd. Haar blik steeds verder weg. Hoe men met man en macht haar uit de auto wist te krijgen en hoe ze als een klein ziek vogeltje werd weggereden.

Ik bedacht dat er veel ergere dingen zijn dan je pyjama met je buren te delen.

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 24/11/17)

maandag 20 november 2017

TINE ZIET (92): Wervelwind

De wind liet afgelopen dagen goed van zich horen. Dat is te merken in mijn straat. Alle bladeren liggen opeens weer allemaal voor mijn gevel bij mekaar gewaaid. Het blijft niet bij bladeren. Zo viste ik daarnet nog een flesje, een nat broodje, zakjes en een lege hamverpakking op om in mijn vuilniszak te proppen. Soms is de wind eens gul: gisteren vond ik nog een negligé op mijn koertje. Helaas pas ik er niet in. Zal ik toch maar bij de buren aanbellen en vragen of zij in het kleinood passen?

Maar er was ook een spreekwoordelijke wind te horen afgelopen weekend. Eén die misschien nog feller woei. Ik kon er in elk geval niet zo goed van slapen. Zelfs autorijden, een broodje eten, theedrinken, ging moeizamer. Hoe een held opeens tot een klein miezerig vies mannetje werd verplet. Ook al deed hij het eigenlijk zelf. De discussies liepen hoog op. Iedereen had opeens een mening en al die visies stoven ook tot voor mijn deur. Wat moet je daar dan mee? Je kan kiezen om ze op te rapen, maar evengoed wacht je tot ze voor een andere deur waaien. Dat is toch wat de meeste mensen met echte rommel doen? Maar als het om dergelijke berichten gaat, openen de meesten de deur en rapen alles wat ze vinden op om daarna weer hun eigen kijk op straat te gooien. Dat is zeker het geval als het om bekende mensen gaat. Of over zoiets delicaat als grensoverschrijdend gedrag. Dan wordt de wind opeens een wervelwind en dan denken we dat alles gezegd mag worden.

Daarnet zag ik nog een vrouw uit de buurt een blikje van voor haar voordeur wegschoppen. Ze schopte het op het midden van de straat. Soms zouden we dat gewoon moeten doen met wat er tot bij ons geblazen wordt. Soms.


(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 17/11/17)

maandag 13 november 2017

TINE ZIET (91): Logeren

Wat is er eigenlijk leuk aan logeren? Dat vraag ik me meer en meer af. Geen enkel bed slaapt beter dan dat van jou. Geen enkele douche voelt zo vertrouwd. Om van de wc nog maar te zwijgen. Maar we gaan zo graag eens op hotel. Ik ook.

De eerste keer met mijn koffertje naar mijn oma. Magisch vond ik dat. Met de vriendjes op kamp: heerlijk samen met de bananendoos! Logeren bij mijn vriendin in Wallonië: yes! Altijd weer buikpijn van het gemis. Een kamer om mijn bed die maar blijft kraken. Geluiden buiten die niet op het geblaat van schaapjes lijken. Wallen waar je uiteindelijk kan over vallen. Hoe jonger je bent, hoe meer wallen je kan verdragen. Dat ervaar ik toch.

Afgelopen weekend logeerde ik in het huis van mijn zus en schoonbroer om op hun kinderen te passen. Het is een jaarlijkse traditie geworden. Ik doe dat eigenlijk wel graag. Terwijl zij wat tijd met twee besteden probeer ik wat tijd te investeren in mijn nichtje en neefjes. Want hoe kunnen zij ooit hun rare tante leren kennen als ze die alleen maar op familiefeestjes zien?

Natuurlijk heb ik twee nachten amper geslapen. Bij elk verdacht geluid zag ik krantenkoppen en hoorde sirenes. De douche die ik dagelijks nodig heb om mijn ochtendchagrijn weg te spoelen, kreeg ik de eerste ochtend niet in werking. Dus ik was blij dat ik me zondagavond rond een uur of 21u op mijn eigen bed kon vlijen. De maan die de nacht daarvoor nog vol was, beet door de kier van mijn gordijnen naar binnen, maar ik sliep! Ik sliep!

Logeren gaat niet om het slapen. Maar om alles wat je wakker doet. En het slapen moet je later maar inhalen. Hoe minder jong ik ben, hoe meer winterslaap ik eigenlijk zou kunnen verdragen.


(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 10/11/17)

maandag 6 november 2017

TINE ZIET (90): Persen

Ik ben een citroen die zich makkelijk uitpersen laat. Vaak iets te makkelijk. Soms zou het beter zijn als ik me niet meteen zou meegeven in allerlei plannen en projecten. Nu denk ik: Ach, waarom niet? Wat moet ik anders met al mijn goede ideeën?

Het gevolg is dat ik me wat uitgeperst begin te voelen. Dat kan ook moeilijk anders. Afgelopen weken schreef ik gepersonaliseerde teksten aan de lopende band. Terwijl een ‘echte schrijver’ zichzelf en de opdracht meer serieus neemt, schudde ik zondag bijvoorbeeld veertien stiltegedichten uit mijn mouw naar aanleiding van veertien gesprekjes. Dat klinkt misschien wat weinig voor wie niet schrijft, maar het is te vergelijken met veertien unieke taarten, veertien pakken op maat. Niet spontaan maar op verzoek. En niet in ideale omstandigheden geschreven: want niet op mijn eigen vaste plek maar op een event en met de hand. Waren het allemaal goede gedichten? Nee. Waarom blijf ik dat dan doen? Waarom rijm ik niet wat vaker op ‘zelfkritiek’?

Simpel: omdat ik er uiteindelijk te veel plezier uit haal om mensen te zien glunderen bij een eenvoudig gedicht van herkenning. Want schrijven wat een ander voelt, dat kan ik goed. De Nobelprijs Literatuur zal ik er nooit mee winnen. Laat staan een geldprijs. Maar dat een onbekende vrouw me omhelst en het gedicht aan al haar vrienden laat zien met de woorden: “Dit bedoel ik vaak, maar zeg het nooit.” Dat doet me meer dan welke prijs dan ook.  

Zolang ik mezelf weer kan opladen en sappig word, zal ik het blijven doen. Tot het uiterste gaan. Woorden uit me persen. Het maakt mij meer een mens dan kunstenaar. Soms is dat misschien de kunst, iets wat mij meer mij maakt.


(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 03/11/17)

donderdag 2 november 2017

Reveil 2017

Ei! Pssst!
Zijt ge daar nog?
Lieve Emerence, Adelaire, Hermenie?
De jaren zijn voorbijgevlogen en we zien junder in de verste verte nie.
Jawel, we zien nog diene ene foto waarop gij, ook al waart ge dood, naar ons zijt blijven kijken.
Ge zijt toch wa verkleurt of ge trekt weg.  Alsof de inkt in uldere zerk is gelopen.
                Ik had hem zo innig lief en mocht hem niet behouden.

Of ge nu deelnemer waart van de eerste Tour de France.
Beenhouwer met de beste leverpâté op uw allereerste reis.
Russische prinses die hier in Menen in de psychiatrie is overleden.
Lieve kleine blauwe zoon met open hart in Amerika.
Piloot die onder een brug wou vliegen, maar dat beter niet had gedaan.
Kersverse moeder uit de Congo, met uw kindje om uw middel, drie uur voordat de para’s u hadden kunnen bevrijden.
Vijf kinderen uit hetzelfde gezin die nog geen jaar geworden zijn.
Jongen die naar de voetbal fietste, maar door een auto werd geschept.
Schilder met voorliefde voor de Leie.
Jonge moeder op de moto.
Echtgenote in een ijzeren bed in huis.
Gij hebt het allen niet gered.
Ge mocht allemaal voor altijd slapen onder een stenen bed.
De een kreeg een praalgraf, een echte grootse engel, een grafkapel.
Een eeuwige pleurante, marmer, blauwsteen, struiken op uw buik, klimop.
Sommigen van u kregen zelfs een plein, een eigen straat buiten deze hekken.

Maar weet ge, het doet zeer om tussen junder stenen bed te lopen.
Het doet mij verdriet, al ken ik junder eigenlijk nie.
Sommigen hebben geluk. Ze krijgen nog bloemen en een poetsbeurt met javel.
Afgelopen dagen werden plastieken bloemen opnieuw gerangschikt.
Grote graven werden weer eens opgeblonken.
Maar zoveel van junder zijn zo gebarsten, verhakkeld, scheefgezakt en dichtgegroeid dat ge vergeten lijkt. Zelfs de liefste herinnering hangt ooit op zijn kop Zijt ge dat dan echt? Vergeten?

Nee toch. Soldaten. Van welk land ge ook afkomstig zijt.
 Gij natuurlijk niet.
Gestreden hebt ge en geleden.
Daarvoor krijgt ge jaarlijks een hommage.
Het is u gegund. Dat meen ik zeer.

Politiek gevangenen: gefusilleerd of vergast.
Soms geslagen, nooit verslagen.
Ze zijn verworden tot kleine hoopjes as.
Zij stierven opdat België leve.
Ook dat mogen we nooit vergeten.

En, kijk eens goed, zoveel kleine engelkes.
Zo kort waart ge op de wereld dat er soms zelfs geen foto van u is, waarop ge leeft.
Het is schrijnend, dat ge samen met uw ouders dood zijt weggeblazen.
Dat enkel de wind aan uw graf komt spelen.

Polydore, Rigobert, Zusters van de Goddelijke Voorzienigheid.
                Rust in vrede in uw sombere woonst.
Dit eindstation.
Gij had toch ook een broer, een zus? Een neef, een nicht.
Een buur. Een geheime geliefde.
Wordt er niet meer over u verteld?
Zijt gij uit alle dromen weggevaagd?
Waard gij niet ook een held?

 ‘Eeuwig vergund’ maar wat is u gegund?

Als uw zerk een keer wordt opgetild en weggetrokken,
Waar zijt ge dan? Wat blijft er van U over?

Wat er over blijft is dit:
Ge zit in de ogen van wie na u komen.
Ge zit in de stemmen, in een lichaamstrek,
Een uitdrukking, een slepen met een voet in een plastic zak.
Ge zijt in allen in die hier is en in het fladderen van deze woorden.
In foto-albums, in snapchats die niet verdwijnen.

Gij zijt in vuur.
Gij zijt in as.
Gij zijt in wat er komt

En in wat er was.

foto: Photogallery by H.

maandag 30 oktober 2017

TINE ZIET (89): Gluren bij Kunstenaars

Afgelopen weekend kon je buren bij kunstenaars. Het is ongelooflijk hoeveel uitnodigingen ik kreeg. Veel kennissen zijn blijkbaar kunstenaar. Eigenlijk had ik het hele weekend kunnen rondrijden om alle tentoonstellingen te gaan bekijken. Ik beperkte me uiteindelijk tot de binnenstad want ik wou enkel mijn benenwagen uit de kast halen. De rest had rust verdiend.

Het voelde toch een beetje als binnengluren. En wellicht daarom heeft het concept veel succes. Je hebt niet alleen zicht op wat de kunstenaars maken, maar men geeft je in veel gevallen ook inkijk in een huis dat je anders alleen maar van buitenaf kan zien. Ook krijg je praktisch op elke plek een drankje aangeboden. Gelukkig sloeg ik elke uitnodiging daartoe wijselijk af. Een chocoladejenever, een picon, een koffietje,… Ik zou meer ‘getureluurd’ hebben dan ‘gebuurd’.

Wat me opvalt is dat stuk voor stuk elke kunstenaar met passie vertelt over wat hij of zij maakt. En daar gaat het eigenlijk echt om natuurlijk. Dat je oorbellen bedenkt en dan ze met een of ander vergrootglas en heel veel geduld uitwerkt tot juwelen. Dat je aan een draaitafel opeens het idee hebt om een bepaalde schaal te maken. Dat je van een oude zetel een gloednieuwe stoffeert. Dat je een vervallen gebouw binnenstapt en daar heerlijke beelden uit kan puren.  Maar het mooiste was de bezieling van man die in de afdeling beeldhouwkunst van de academie trots toonde hoe hij voor het eerst brons gegoten had. Zijn vrouw stond er blinkend bij, alsof ook zij door zijn handen ooit in een mal was gegoten.

Kunstenaars scheppen met hun passie de wereld zoveel schoner. 

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 27/10/17)

maandag 23 oktober 2017

TINE ZIET (88): Verrijken

Verrijken. Het is iets waar ik naar streef in dit leven. Nieuwe dingen leren kennen. Het helpt me niet te verstenen.

Vrijdag ging ik naar de opening van de tentoonstelling ‘Lost ideas’ in ’t Schippershof. De naam Lee Ranaldo deed eerst geen belletje rinkelen, daar schaam ik me niet voor. Het is pas toen de link met Sonic Youth werd gelegd, dat ik vond dat ik niet aan mij voorbij kon laten gaan. Sonic Youth is een groep die ik leerde kennen door een liefje. Liefde verrijkt vaak met nieuwe muziekstijlen die blijven hangen, ook als die liefdes al lang uit het zicht verdwenen zijn. Je hoort een specifiek nummer en je bent weer van kop tot teen verliefd op die ene die ooit de liefste was.

Op de opening waren veel mensen die net als ik de naam Ranaldo niet kenden. Maar het feit dat ze er waren, wil wel zeggen dat ze zichzelf willen verrijken. Tenzij ze zich natuurlijk om een of andere reden moeten laten zien. Hij bespeelde er een elektrische gitaar op een manier die zelfs voor mij merkwaardig was. Terwijl ze hing. Met trommelstokken, met strijkstok, met zijn vingers natuurlijk, maar ook gewoon door er mee te zwaaien. Zelf vond ik het fascinerend. Het geluid klonk luid, dat wel, maar verrassend mooi.

Later dat weekend zag ik hem dan weer zeer fragiel spelen en zingen in CC De Steiger. Voor dat optreden waren ook andere optredens van muziekgroepen die mij totaal onbekend waren. Ze klonken stuk voor stuk de moeite waard om ze eenmaal thuis op te zoeken en aan mijn speellijst ‘te ontdekken’ toe te voegen.

Dat dit kan in mijn stad doet mij ontzettend deugd. Zolang ik me hier kan verrijken zal ik niet uit Menen wijken.


(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 20/10/17)

maandag 16 oktober 2017

TINE ZIET (87): Rugzak

In opdracht van Vormingplus MZW ging ik afgelopen weken aan de slag in Roeselare en Menen om in kader van de Werelddag van Verzet tegen Armoede met mensen uit verschillende doelgroepen poëzie te schrijven. Het is een periode die wel degelijk in mijn koude kleren gaat zitten en wellicht ook nooit meer uit die kleren kan gewassen worden.

Armoede is zoveel meer dan een lege portemonnee. Het is een blok aan je been. Een etiket. Een richtingsaanwijzer die je aanwijst: “Jij telt niet mee!” Het is schrijnend te horen dat één op de acht mensen uit onze stad een doktersbezoek uitstellen omdat ze het geld nodig hebben om brood op de plank te krijgen. Dat dat dan ook nog gewoon droog brood is. Zonder beleg. Dat voor zovelen de hoofdbekommernis niet geluk is, maar “overleef ik deze week?” De rugzak die op deze mensen weegt, is ontzettend zwaar.

Het verwondert me keer op keer dat er mensen in mijn dichte omgeving zeggen dat wie in armoede leeft, het vaak zelf gezocht heeft. Dat men maar verstandiger met geld moet omgaan. Wat als je als vogel voor de kat geboren wordt? Van tehuis naar tehuis? Wat als je genen je geen O-benen meegeven, maar een zware mentale last? Wat als je door brute pech alles hebt moeten opgeven?

We kunnen het ons proberen voor te stellen hoeveel zo’n rugzak weegt. Er zijn inleefweken. Maar wat is één lastige week in één vol mensenleven? We kunnen ook die rugzak helpen dragen. Op 17 oktober ben ik niet blind voor de woorden die zullen wapperen in onze stad. Op 17 oktober eet ik samen met wie een rugzak draagt in Menen soep. Hopelijk talrijk.


Je goed in je vel voelen, is iets wat niet zou mogen afhangen van de inhoud van je portemonnee.

maandag 9 oktober 2017

TINE ZIET (86): Groep

Afgelopen weekend waren er rare taferelen te zien in Menen. Wie niet op de hoogte was, schrok wellicht een beetje. Er werden filmbeelden opgenomen voor de musical ‘Oorlog en Vrede’ van Jean-Pierre Lepoutre. De bevrijding werd uitgebeeld. Met legervoertuigen en veel figuranten in mooie klederdracht. Daarover wou ik schrijven. Over de grootsheid van een groep. Over herdenken. Helaas gooiden beelden uit Spanje roet in het eten. Die groep deed niet alsof en was niet geregisseerd. Het verschil was duidelijk te zien. Ik bedacht dat er zoveel te herdenken valt, omdat men helaas nooit écht gestopt is met oorlog voeren.

Toen ik dat had bedacht, hoorde ik over die verschrikkelijke schietpartij in Las Vegas, een stad die voor vrijheid bekend staat. Als we voortaan Las Vegas zullen we horen, zullen we voortaan niet alleen meer denken aan gokpaleizen, flamboyante auto’s en galakledij. De lichtgevende stad vol Elvisimitators is voortaan gelinkt met de kleur van een bloedbad. Een groep nietsvermoedende Amerikanen werd er slachtoffer van een wrede geest. Altijd is er wel iets om te blijven herdenken.

Maar mag ik in mijn wekelijkse stukje over die dingen schrijven? Deze kolom moet licht fleurige adem in deze krant blazen. Daarom denk ik nu aan een ander groep. Een groep lichtroze flamingo’s. Samen op één poot in eenzelfde plas. Een foto die afgelopen week ook voor mijn ogen danste. Vredig viel de avondzon. Het leek er gezellig en op vakantie. Dat we lieve groepen als deze ook niet mogen vergeten. Daarom gedenk ik vandaag de flamingo’s op die ene foto. Omdat ze doen herinneren aan een tijd waarin vredig gewoon natuurlijk was.


(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 06/10/17)

maandag 2 oktober 2017

TINE ZIET (85): Oud

Op zondagvoormiddag een kleine boodschap moeten doen. We kennen het ongetwijfeld allemaal. Er is moed voor nodig. Een grote dosis geduld en verdraagzaamheid is zeker mooi meegenomen. Zondag fietste ik met mijn boodschappenmand naar het warenhuis.

Er was net een kleine aanrijding geweest op de parkeerplaats, maar de gemoederen liepen niet hoog op. Ik slalomde me een weg door de kijklustigen, gedupeerden en de auto’s die nu moesten manoeuvreren om te parkeren. Terwijl ik mijn fiets sloot, kwam er een onbekende man op me af. Hij keek me aan zei: “Vrouwen worden mooier als ze ouder worden.” Ik wist niet zo goed hoe ik dat moest interpreteren. Kende hij me toch van vroeger en maakte hij een compliment of meldde hij dat ik nog enkele jaren moest rijpen alvorens er goed uit te zien? Hij kwam dichterbij en inmiddels had ik door dat hij nog steeds een onbekend voor me was. Even liet ik mijn onderlip zakken. Een gevatte reactie bleef uit. Hij vertelde dat hij iets goed te maken had met zijn vrouw. Ze was jarig. “Vijfenvijftig jaar!” zei hij trots. Ik vroeg hem wat hij mispeuterd had. Na zijn gebruikelijke kusjes had zijn vrouw hem gezegd dat ze nog maar op de helft van haar leven was en dat zag hij niet zo goed zitten. “Honderdtien! Dat hou ik nooit uit!” had hij gezegd. Dat viel blijkbaar in slechte aarde bij zijn eega.

Ik bespioneerde hem niet om te zien wat hij voor haar kocht. Ik hoop natuurlijk op een zalfje tegen acné of een pikante peper. Aan de kassa bedacht ik dat ik op deze manier ouder zou willen worden: keuvelend op de parking van een warenhuis. Zeeën vol tijd en met een mond vol (valse) tanden snoepend van al die mooie verhaaltjes.

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 29/09/17)

dinsdag 26 september 2017

TINE ZIET (84): Opera

Vorige week was er voor het eerst in de 40-jarige geschiedenis van CC De Steiger een heuse opera te zien. Natuurlijk kon ik daar met mijn zin voor dramatiek niet op ontbreken. Opera kende ik tot nu toe enkel van op cd’s en slechts één keer zag ik een uitvoering van ‘Dido en Aeneas’ door operastudenten in Edinburgh. Maar nog niet in eigen land, laat staan in eigen stad. Ik weet niet waarom eigenlijk: ik hou van de stemmen, van de grandeur. Hoe dikwijls stond ik nog niet eerder aan de Opera van Gent en dacht: “Waarom kom ik hier nooit om een voorstelling te zien?” Wellicht is het de prijs die me afschrikt of het vooringenomen idee dat je slechts in galajurk welkom bent in dat gebouw. Keurig afgeleverd door een koetsier. Maar vrijdag kon ik dus met mijn kaart van Akoestiek, op mijn fiets en in mijn doordeweekse werkkledij een échte opera gaan zien.

Als ik aan opera denk, schiet meteen een dichtregel van Ramsey Nasr in mijn hoofd: “Sterf in een lijf dat niet van jou is.” en romantiek. Ook hier werd gestorven. De held van het verhaal, Adonis, sterft door een wonde die hij in zijn laatste jacht heeft opgelopen, in de armen van Venus, zijn enige geliefde. Terwijl hij sterft kan hij nog een hele aria zingen.  Het lijkt mij heerlijk om nog zoveel adem in mijn longen te hebben die laatste minuten van mijn leven. Leven als in een opera doe ik toch liever niet. Al lijkt het me reuzemakkelijk om eindelijk die liefde van mijn leven te winnen met slechts één enkel gezang. Met een ander lied zit er al een haar in de liefdessoep. Zo traag er wordt gestorven, zo vluchtig wordt men er verliefd.

Het opstapje naar een écht operagebouw is nu wel gezet. Waar is die koets?

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 22/09/17)

TINE ZIET (83): Wol

De eerste keer dat ik na de warme weken weer een wollen trui uit de kast pak, voelt altijd een beetje als verraad. Geef ik de zomer nu echt op? Is het niet overdreven? De winter is nog lang niet daar. De herfst is nog maar verschenen. Toch voelt die trui zo goed. De koude rillingen zijn gestopt en mijn kippenvel is volledig verdwenen. Is het laf de blote armen zo snel op te geven? Er zit trouwens nog zoveel tussen bloot en wol. Er is nog katoen. Er is nog polyester. Ook is er nog verwarming die nog niet eens de eerste warmte schenkt. Wol voelt zo echt. Zo hecht. Terwijl ik het vroeger maar vond jeuken. Al moet ik bekennen dat ik het model of de kleur van een gebreide trui vaak verschrikkelijk vond en misschien daarom spontaan begon te krabben als dat ding over mijn neus gezakt was.

Hoe verschrikkelijk waren die truien niet waarin je neus bleef haken, alsof je ineens een exemplaar van tante Sidonia gekregen had. Een kapstok als het ware. Of de kraag net iets te smal voor de kruin van je hoofd. Elke opluchting dat het toch lukte, voelde toch een beetje als een geboorte. De geur van mottenbollen schuurde ruw tegen de huid.

Ik overdrijf. Natuurlijk. Ook al nam ik afgelopen week, mijn eerste wollen trui weer gretig uit de kast. Een blauwe zonder kraag. Met knopen. Ik voel nu al dat we beste vrienden zullen worden en dat het me zo zal spijten als de sproeten op mijn armen weer naar buiten willen kijken. Zover zijn we nog een tijdje niet. Laat me nu voorlopig maar de wol omarmen en me op mijn eigen manier verwarmen.  Niet te kwistig en zonder veel te blaten. Lang leve de angora’s, de geiten, de lama’s en de schapen!

(verschenen als column in de extra De Weekbode / De Leie op 15/09/17)

dinsdag 19 september 2017

TINE ZIET (82): Wortels

Geschiedenis is nooit mijn beste vak geweest. Ik zag het vaak te veel als dat vak waarvoor ik zoveel data moest onthouden. Al is het zoveel meer. Hoe ouder ik word, hoe liever ik me met het verleden drapeer. Zondag was ik met mijn familie in de vroegere woonplaats van onze moeder. Samen met haar op zoek naar haar wortels. We hebben ze gevonden! Al vond ze de plek van haar geboortehuis in eerste instantie niet meer terug. Niet alleen omdat het ooit onteigend werd en afgebroken. Maar ook omdat oriëntatie na al die veranderingen in een landschap lastig is.

We reden langs het huis waar ik mijn grootouders ooit zag zitten op hun bankje. Onherkenbaar door de hoge schutting en het ontiegelijke aantal zonnepanelen. Daarna reden we naar de plek waar mijn grootmoeder op mijn grootvader verliefd werd. Een volks café waar mijn grootmoeder soms tegen haar zin moest helpen als het er te druk was. Het was een speciale belevenis. Voor mijn neefjes en nichtjes was het gewoon een morsig oud café. Jeugd beseft nog niet dat wortels eigenlijk belangrijk zijn om bepaalde familiedingen te kunnen begrijpen. Ze kijken zo gulzig naar de toekomst en zien alleen maar vooruit. Ik bedacht alleen maar: “Hier vond ik mijn oorsprong.” en voelde zoveel liefde voor die plaats.

Maar het bijzonderste was toch om terug in die vroegere woonplaats van mijn moeder te landen. Te botsen op de vrouw die ooit haar trouwkleed maakte en nog heel goed wist welk kleed ze voor haar had gemaakt. Om daarna in een café van een zoon van een neef van mijn moeder af te sluiten en daar achter de toog gewoon een hedendaagse versie van mijn grootvader te zien.

Graven in het verleden: moet je doen!


(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 15/09/17)

maandag 11 september 2017

TINE ZIET (81): Puzzel

Ik kan me niet herinneren dat ik het leuk vond om als kind te puzzelen. In mijn herinnering zat ik wel dikwijls aan een tafel om stukjes in elkaar te schuiven, maar meestal had ik te weinig geduld om tot het plaatje op het deksel van de doos te komen. Helaas gaat het begin van elk schooljaar gepaard met puzzelen. Voor ouders is het telkens weer een heel werk om elke hobby aan elkaar te lijmen. Ze moeten het maar doen. Kind A van dan tot dan naar plaats X. Even naar oma. Kind B van dan tot dan naar plaats X rijden om kind A op te halen en naar plaats Y te brengen. Ik heb daar bewondering voor. Een kind heeft meestal meer dan één hobby.

Als leerkracht van een hobby bezorgt het ook mij puzzelstress. Voor individuele lestijden moeten wij namelijk zelf onze klassen opvullen aan de hand van de wensen en de agenda’s van de leerlingen. Er is een taart, er zijn de stukjes en dan moet ik bedenken naar wie welk stukje gaat. Natuurlijk wil ik iedereen een stuk kunnen geven, maar ik zit vast met uren, plaatsen en wettelijke voorschriften over uitdelen van die taart.  Het is een onbegonnen taak om aan alle wensen te voldoen. Sommige uren moeten aan andere uren vasthangen. Sommige lessen moeten nu eenmaal na elkaar komen. En elk jaar weer komt er dat deksel op de neus. Botte mails van ouders die maar niet begrijpen dat ook ik moet puzzelen en mijn besef dat ik nog steeds geen puzzelwonder ben.


Uiteindelijk na twee weken zuchten en zweten, komt het uiteindelijk toch wel weer een beetje zoals op het plaatje. En als het niet lijkt op dat plaatje van de doos, maken we er toch altijd iets mooiers van. Maar geduld en wederzijds begrip blijft zo’n zeldzaam goed. 


(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 08/09/17)


maandag 4 september 2017

TINE ZIET (80): Zwemmen

Ik ben geboren onder het verkeerde sterrenbeeld. Als ‘Vissen’ durf ik al jaren het zwembad niet meer in. Als kind kreeg ik het nooit echt aangeleerd en als tiener werd ik te vaak het water ingeduwd en kreeg teveel chloorwater in mijn longen. De laatste keer dat ik het nog eens probeerde stond ik met een ex alleen in het zwembad. Het water navelhoog. Ik huilde en daverde van schrik, hyperventileerde en blokkeerde. Sindsdien durfde ik het niet meer.

Toen ik de vraag kreeg om mee op reis te gaan naar een plek met zwembad, bedacht ik dat ik het toch maar weer eens moest proberen. Zo’n kans krijg je namelijk niet veel: een zwembad voor vier personen alleen. Zonder andere pottenkijkers. Dus ik zocht badkledij waarin ik me zou durven vertonen, verklapte mijn doelstelling aan veel te veel vrienden, opdat ik de druk zou voelen me eraan te houden. En kijk: ik verplichtte me gedurende tien dagen in zwemkledij en zocht negen dagen contact met het water. Voetje per voetje. Als er een webcam was geweest, was de persoon die naar me keek, vast in slaap gevallen van verveling.

Een waterrat ben ik niet geworden. Ondanks het feit dat ik soms een vol uur probeerde om van de ene breedte naar de andere te spartelen.  Ik hervond weer wat vertrouwen in mijn lijf in dat water. De laatste dag durfde ik eindelijk zonder bodem onder voeten te zwemmen. Met een klein hartje. Dat nog wel. Wat nu? Waar kan ik dit onderhouden zonder in het openbaar te moeten naar adem happen?

Ik ben jaloers op mijn reisgezelschap dat schaterend in het water sprong. Ik benijd mensen die zwemmen als bevrijdend aanzien. Zwemmen is een kunst. Drijven ijdele hoop. En water niet allemans vriend.

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 01/09/17)


vrijdag 1 september 2017

Lofbuiten: afsluiten

Mijn zomerproject is weer achter de rug. Met 103 lofdichten en nog enkele aanvragen extra, kan ik toch spreken van een mooi resultaat.

Het is fijn om te zien dat sommigen niet van hun #lofbuiten kunnen scheiden: soms zie ik nog gedichten op de ramen staan.

Bedankt Catherine, Björn, Reckebilck, Vorming Plus, Linda, Rie, Kurt, Charline, Karel, Emmanuelle, Saskia, Freze, Marianne, Sylvie, Gino, Katrien, Geertrui, Sonja, Jozef, Kringwinkel West, Wouter, Ward, De Volkskeuken, Martien, Paul, Harold, Stephanie, Koen, Katelijn, Joke, Katia, Christine, Francine, Stephen, Hilde, Kriezies, Els, Tom, Jess, Erwin, Donna, JuffraToertjes, Anne, Linda, Emma, An-Sofie, Tine, Ellen, Alexander, Lies en Marga.

Katrijn, Katelijne, Kurt, Bieke, Raf en Tania staan nog in het rijtje dat nog te verwezenlijken valt.
Tot gauw!


maandag 28 augustus 2017

TINE ZIET (79): Rust

Als men het vroeger over rust had, dacht ik altijd aan een bejaardentehuis. Rust was iets wat me wat zuur leek. Alsof ik in een hoek werd gezet. Later bedacht ik het bij geitenwollen sokken en yogamatjes. Iets wat nog niet bij me paste. Grote onzin natuurlijk. Rust is geen straf en voor alle leeftijden, voor alle levenswijzen. Al besef je dat maar als de nood groter wordt.

Afgelopen zondag bezocht ik Kunstenfestival Watou. Thema dit jaar is ondraaglijke eenzaamheid. Het liefst zou ik dan helemaal alleen zijn als ik het festival bezoek. Dan weegt het alleen-zijn zwaarder en beklijft de kunst meer. Nu ja, natuurlijk is het daar op zondag druk. Om maar niet te zeggen stervensdruk. Goed voor de organisatie en de horeca. Minder goed voor de kunst. Er is minder kans om in een woord of in een beeld te blijven hangen. Nu ja, zoiets heb ik als bezoeker wel wat zelf in de hand. Ik kon ook in de week geweest zijn bijvoorbeeld. En als ik een filmpje twee keer volledig wil zien, moet ik maar dapper blijven zitten en niet denken aan wie op een nog-werkende-hoofdtelefoon staat te wachten.


De grootste rust vond ik op een binnenkoer van een nieuw boekencafé. Opeens leek ik ver weg van alle bezoekers. Ook al was het daar ook best druk. Maar ik vond de rust in een boek, een glas wijn en een serieuze schelle kaas. Tussen al het gepalaver door, steeg ik alleen boven de binnenkoer uit en was er even niet meer. Lijfelijk zat ik er wel, maar in mijn hoofd lag ik in wolkenweitje. Rust was voor mij na al die jaren eindelijk een paradijsje. Zou ik dat op een gegeven moment ook ooit denken over een bejaardentehuis? Ik mag er (nog) niet aan denken. Voorlopig berust ik in rust. 

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 25/08/17)

TINE ZIET (78): Haar

Het is voor mij altijd een magische plek geweest: het kapsalon. De geur van lak, ronkende droogkappen, het geknip met de schaar en het ratelend gesnater. Als kind ging ik naar mijn tante. De trap met tapijt erop naar boven en dan leek ik altijd in een soort schatkamer terecht te komen. Niet alleen hoorde ik er geheimen uit het leven, ook hield ik van de blik van de vrouwen die mijn tante knipte. Ze leken opeens in een soort rust verzonken. Ik hoopte altijd dat ik dat moment ook kon ervaren. Zelf werd ik niet rustig van mijn blik in de spiegel. Ik had altijd moeite om niet: “Stop! Stop! Je knipt te veel! Ik wil mijn haar terug!” te roepen.  Als een kapper bezig is, leg je wel heel je gezicht in die handen en daarmee ook je persoonlijkheid. Het is een mooie job. Maar wat een verantwoordelijkheid!

Vandaag zat ik bij de kapper. Dat is geen wereldnieuws. Voor mij zaten allemaal mannen die een ontmoeting hadden met de tondeuse. Op de vloer regende het kleine plukjes haar. Terwijl ik koffie dronk, keek ik stiekem naar de gezichten van de klanten in de kapperszaak. Eentje deed zijn ogen dicht bij de afwerking van het kapsel. Hij schrok niet toen hij zijn ogen opende, bewonderend hervond hij zichzelf. Een andere man leek het gênant te vinden dat hij genoot van de hoofdmassage die hij ontving. 

Toen ik zelf aan de beurt was, deed ik mijn best mezelf te blijven aankijken. De rust te vinden die ik als kind al wou. Maar ook al knipt mijn kapper mij altijd goed, ik zag het weer in mijn ogen: terwijl mijn oude haar de vloer aanveegde met wie ik in die maanden geworden was, onderging ik de welbekende metamorfose: van Tine Moniek via Tine Paniek naar Tine Chique!

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 18/08/17)

zondag 27 augustus 2017

TINE ZIET (77): Huisdier

Als kind had ik het geluk om heel veel huisdieren te hebben. We hadden een hond, een kat die voor de deur werd afgezet, alsof het een cadeautje betrof, vissen, duiven en een cavia. Ik herinner me zelfs een nachtegaal, al weet ik niet meer of dat klopt en dat enkel in mijn fantasie een nachtegaal betrof. Veel dier. Nooit allemaal tegelijk. Ook waren er om ons huis heen altijd koeien en herten. Daar moesten we gelukkig niet zelf voor zorgen.

Als kind besef je niet altijd de zorg die met een huisdier samenhangt. Het voeren. Het hok opruimen. Een kind ervaart een dier onbekommerd. Je aait het, praat er tegen, leert het kunstjes en weet niet meer dan dat. Ik geloof dat ik 7 was toen ik mijn cavia Bavo vond met twee bloedende gaatjes in zijn nek. Een dier dat niet van ons was, had onze cavia gedood. Eerder stierf hond Snoepie door het eten van gif. Een goudvis sprong zichzelf een kopje kleiner door op de meest onverwachte ogenblikken uit zijn bokaal te springen. Een keer waren we te laat om opnieuw leven te krijgen in al zijn vinnen.

Nu heb ik enkel een kat. En hoe lastig ervaar ik dat soms. Ook al vraagt een kat echt niet zo veel. Ik hoef ze niet uit te laten. Haar haar vraagt geen kapper. Haar stamboom ook al niet. Ze toont zich tevreden met een raam of twee, het koertje af en toe, de aaitjes, het eten, het kommetje water, de sleutel in het slot, een schone kattenbak, een doodeenvoudig elastiekje,… Maar ze kijkt zo schuldig als ik langer dan een halve dag wegblijf. Hoe moet dat op vakantie? Kan ik dat haar wel aandoen? Wie zal voor haar zorgen? Blijf ik dan niet beter thuis?  Zoveel zorgen in mijn hoofd, dat ik bijna zelf een huisdier word.


(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 11/08/17)

dinsdag 8 augustus 2017

TINE ZIET (76): Opruimen

Het moest er een keer van komen. Afgelopen weken ben ik met een brute bezem door de rommel in mijn huis gegaan. Wie al eerder bij me was, zal zich een hoedje schrikken bij een volgend bezoek. Althans dat mag ik hopen. Twee weken van sorteren, bezoekjes brengen aan het containerpark, kringloopwinkels,… dat moet toch gewoon te merken zijn? Wat is het nut er anders van?
Voor mezelf voelt mijn huisje opeens veel ruimer. Alsof er nieuwe adem is. Maar hoelang duurt zoiets? Ik ken mezelf. Zal ik consequent blijven en spullen systematisch blijven opruimen? Hoeveel weken blijft de inhoud van een kast overzichtelijk? Hoelang duurt het voor ik weer een stapel huisvuil heb dat niet thuishoort in de witte zak? Nu ja, ik had het ook heel erg ver laten komen. In de vijf en een half jaar dat ik hier woonde, had ik zelfs nog heel veel verhuisdozen niet geopend en de kleedkast werd nooit uitgemest.

Ik ben blijkbaar niet de enige. De verantwoordelijke van de Kringwinkel in Torhout, waar ik onlangs een hele dag lofdichten zat te schrijven, vertelde me dat het ongelooflijk is hoeveel materiaal er deze zomer al werd binnengebracht. En terwijl ik daar zat, zag ik allemaal mensen naar buitenstappen met ‘nieuw’ tweedehands materiaal. We hebben het er maar mooi druk mee. Met die kringloop van het leven. 

Waarom doen we het? Het brengt rust in het gemoed en het doet een mens zoveel goed. Zo vind ik het fijner om thuis te komen, nu elk spulletje weer gewoon een eigen plek heeft. Al kan eten van mijn vloer nog steeds niet. Nee, er zijn grenzen. Mijn huis weigert halsstarrig een toonzaal te worden. En daar ben ik voorlopig blij om. Een thuis hoeft niet ontsmet te worden.  

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 04/08/17)

zaterdag 15 juli 2017

TINE ZIET (75): Meisjes

Eerder schreef ik het hier al: ik heb me heel lang een meisje gevoeld. Vaker voel ik me tegenwoordig een vrouw. Toen ik hoorde dat we met Les Figurettes Fénoménales zouden deelnemen aan de verrassingsact van Salto ‘17 kreeg ik spontaan weer vlechtjes in het haar. In kader van 40 jaar ‘Meisjes’ van Raymond van het Groenewoud zou er een dans uitgevoerd worden aan de voeten van Raymond. Onder leiding van Catherine Lavogez en zusterlijk samen met Helios en andere dames die ooit met ons hadden samen gedanst.

Het is gelukt! En hoe! Met ongeveer zotte 30 vrouwen waren we. Elk met ons eigen lijf, onze eigen verhaal. Er was ook een man die gedurende het optreden niet van onze lijven was weg te slaan. Er was ook een vuurspuwer met duivelse signalen. Maar over de vrouwen, daar wil dit stukje over gaan. Elk in onze rode jurk en in onze zilveren schoenen vormden we één giechelend geheel. We werden warempel weer die meisjes van weleer. Misschien was dat door de brok zenuwen die we waren. De lekkende waterpistooltjes in onze decolleté. Misschien was dat omdat vrouwen automatisch meisjes worden als ze samen vrolijk zijn. In elk geval: het was fijn om weer heel even een onderdeel van meisjes te zijn.

Minstens één man in het publiek wou het niet begrijpen: “Waarom?” vroeg hij aan een van ons. “Waarom heb je hieraan mee gedaan?” Hij begreep de zottigheid niet. Begreep hij de humor niet? Zag hij de pluimen niet op ons hoofd? Huppelen mannen niet? In elk geval maakt het de hoofden heel wat lichter als vrouwen gewoon weer heel even huppelende meisjes zijn.


(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 14/06/17)

maandag 10 juli 2017

TINE ZIET (74): Bewegen

Daarnet ben ik een beetje doodgegaan. Dat klinkt misschien wat overdreven, maar het voelde in elk geval wel zo. Het ritje Menen – Kortrijk viel wel mee, maar op de terugweg had ik op het jaagpad langs de Leie de volle wind tegen. Conditie en ik? Zal ik het ooit leren? Daarnaast had ik de pech dat de oplaadplek die ik voor ogen had gesloten was. Sterven was het dus. Voor mij. Ondertussen zoefden de elektrische fietsen mij voorbij. En natuurlijk ook alle fietsers met meer geoefende kuiten.

Toch heb ik geen spijt van mijn roekeloze beslissing om mijzelf nog eens op twee wielen te verplaatsen. Niets laadt zo mooi op als het groene in een landschap of de vormen van de wolken. De geur van de bomen. De bloemen in bloei. En wat wapperen ze mooi, die manen van de paarden in de wind! Daarvoor doe ik het graag, die impulsieve 36 kilometers in de benen.  

Laat het één van mijn doelstellingen zijn van deze zomer: bewegen, bewegen, bewegen! Niet alleen op de fiets of wandelend. Zeker ook in mijn hoofd. Soms betrap ik er mezelf op dat ik stil sta in gedachten. Ik dacht er onlangs aan me voor een cursus zang in te schrijven. Om me verder bij te schaven. Omdat ik op diezelfde uren werk, is zo’n opleiding onpraktisch te organiseren. Dan moet het maar in mijn vakantie dus: het vormen en het kneden. Het koppig blijven bewegen. Wie geeft me les?

Maar zie je me zitten aan de kant van de weg. Gewoon buiten adem of misschien met brute pech, help je me dan wel overeind? Geef je me dan je drankfles? Of lach je me uit omdat ik zo moeilijk vooruitkom? Ik maal er niet om. Bedenk: zelfs als ik zit, is er vaak wel iets in beweging.

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 07/06/17)

donderdag 6 juli 2017

Lofbuiten



Waar ben jij trots op? Verklap het me! Ik verdicht het en schrijf dat op de ruiten! Kom eens met je fierheid naar buiten!

Na een kleine week #lofbuiten kan ik zeggen dat mensen niet zo graag met hun eigen lof naar buiten komen. Reacties als: 'Ik ben eigenlijk nergens trots op.' en 'Waar ik fier op ben, hou ik liever voor mezelf.' Er zijn ook mensen die al dagen lopen te piekeren op de vraag waar ze eigenlijk fier over mogen zijn. Liever looft men anderen of de bloemen dan zichzelf.

Eigenlijk is dat wel jammer! Komaan! Zet jezelf eens in de bloemen! Het kan bescheiden op je achterruit of op de spiegel van je badkamer. Het kan zelfs op je autoruit! Sla jezelf eens op de schouder. Kom er eens voor uit!




maandag 3 juli 2017

TINE ZIET (73): Klas

Wie mij kent, weet dat ik vaak rijm op sentiment. Zo valt het me zwaar om afscheid te nemen van vochtige afbladderende muren. Er zijn heel wat mensen die dat niet begrijpen. Een muur is een muur. Een vochtig exemplaar is dan ook nog eens ongezond. Waarom zou je huilen om wat eigenlijk wel moet verdwijnen?

Het is inmiddels een hele tijd geleden dat ik er voor het eerst binnenstapte: de allereerste woordklas die ik niet met een dagschool delen moest. In de Gasstraat in Wervik.  Meer nog: tussen die muren werd mijn eigen dictiejuf gekneed. Dus als ik daar was en heel goed keek, zag ik haar af en toe nog zitten. Ik hoorde haar stem als mijn juffensensor het eventjes liet afweten. Het is door de passie die haar daar werd aangereikt, dat ik besloot dat ik ook wel dictiejuf wou worden. Zonder die rare klas met altijd vreemde kleuren op de muren, weet ik dat ik wellicht nooit een juf geworden was.


Zaterdag namen we afscheid met een stoet. Voor de jongste leerlingen is verhuizen best wel fijn. Maar wie er een tijd geleden zichzelf gevonden heeft, voelt wel de pijn. We gaan nu naar een ander gebouw. Een school waar we best wel welkom zijn, maar alle muren zijn nog muziekschoolvrij. Ons metrum zal er ook wel passen. Onze klanken zullen er ook goed klinken. En onze verhalen zullen op den duur ook best kleven op de muren.  Maar toen ik net de affiches van de muren haalde, een laatste keer ‘me sokke sakke so’ liet weerklinken, voelde ik een groot verdriet. Wat mij maakte tot wat ik ben, bestaat ooit niet. Net zoals de eerste keer toen ik het adres in de gps intikte, rijdt wie de plek later nog eens zoekt, hopeloos verloren in een mist van woord en noten. 

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 30/06/17)

zondag 2 juli 2017

Lof aan het Vander Merschplein!

Gisteren gaf ik het echte officiële startschot van #lofbuiten! Een zomerproject dat eens naar buiten wil komen met fierheid. Met een krijtstift schreef ik teksten op 18 ramen van het Vander Merschplein. Dit voor het buurtfeest Reckebilck. De letters waren soms te klein en door een witte achtergrond niet zo goed leesbaar. Helaas! Daarom hier op een rij 18 kleine odes aan het plein.



1)

Kijk generaal!
De bomen krijgen weer blaadjes!
Heb je het al gezien?
Op je plein weer kwetterend leven.
En jij verslagen om zoveel vogelpoep op hoofd
blinkt eindelijk weer in zomerse vrede.

2)

Op dit bankje wordt zo vaak gezwegen.
Zij aan zij en naast elkaar.
Omdat binnen al alles is gezegd
en een mond niet altijd moet bewegen.
Maar in gedachten praat men raak
om alles wat in die stilte wordt gelegd.

3)

Ze zijn er weer:
de kauwen!
Met zijn allen tegelijk,
pikken ze op wat anderen
hier achterlieten.
Maar bovenal maakt
hun gekrijs het plein
als een mopperkont wakker.


4)

De jongen met de gele fiets
kent hier zeer goed de weg.
Hij fietst als de zee in eb en vloed.
Het voetpad op en af tot het hem blozen doet.

5)

Vrouwen getuigen van een oorlog
in een steen die vroeger elders stond.
De ene is een godin die won.
De andere rouwt om wat niet meer thuis kwam.
Bovenal was er die vrouw die in Parijs
verbeten beelden schiep uit steen.
Er was de schaamte om het bloot.
Maar wat is naakter dan de dood?


6)

Een bal moet rollen.
Net zoals een glijbaan glijden moet
en een schommel piepen.
Omdat rollen uit de perken schoot
zijn ballen nu verboden.
De schommels piepen harder,
de glijbaan gloeit oranje
en de scheids is een schalkse schelm:
hij legt de bal aan banden.


7)

Neem maar mee!
Alles wat je hier kwam strooien!
Een plastic zak vol,
lege blikjes bier,
een hondendrol,
al die peuken hier!
Glazen flessen in het groen!
Wij willen weer gras aan onze voeten!


8)

Het schoolgebouw ligt uit te blazen
aan de overdaad aan getrappel
van wie nét op tijd het eerste lesuur niet miste.
De muren dampen na van al het zweet.
De laatste roddels aan de schoolpoort.
En ergens galmt nog na: 'Like me!'
Het duurt nog maar heel kort
dat wat hier was een snapchat wordt.

9)

Jaarlijks is hier een feest
dat meer tegels beweegt
dan alle lopers op het plein
die puffend lengtes zwemmen
tussen adem en 'ik wil naar huis!'

10)

De spelende kinderen houden de
tortelduiven op de daken wakker.
Alsof ze koeren: 'Nu nog niet!'


11)

Zoveel talen spreekt mijn plein.
Het kan gerust een maquette van de wereld zijn.


12)

Hier komen katten
enkel in de nacht
tot leven.
Daarvoor verstenen ze
voor een raam
en dromen van een
muizenleven.


13)

Als de eerste avondstilte valt
is er altijd nog een beat
die door de speakers knalt.


14)

Ik zal nooit trotser zijn
dan toen ik was
toen vrienden hier nog
hechter werden samen
op mijn gras.


15)

Dat er op één plein
zoveel erfgoed wordt bewaard
met dakkapel en sierankers
boogvelden en geglazuurde tegels
onderdorpels, glas-in-lood.
Zoveel stijlen als er mensen zijn.
Die mensen zullen korter blijven.
Steen heeft lange houdbaarheid.


16)

Er is een oog
dat alles ziet.
dat is ons toch beloofd.
Want zelfs wie elke dag kijkt
ziet zoveel dingen niet.
Dat oog slaapt nooit.
Het gluurt en tuurt
en ziet en ziet
wat jij niet ziet.


17)

De generaal vermomt zich
in een turnleraar die
alle tijd in handen heeft.
'Sneller!' roept hij
en hij fluit de slak naar buiten.


18)

Uitgelaten als jonge honden
loopt het meisje,
rent de jongen,
alle longen uit het lijf.





maandag 26 juni 2017

TINE ZIET (72): Etiket

Ik ben vrouw. Single. Volgens alle statistieken weeg ik teveel. ‘Maar hé, dik is ook gezellig.’ En bij jou is alles goed geproportioneerd.’ Heel wat dingen aan mijn lijf zijn scheef en mijn benen zijn koppige melkflessen. Wie me beter kent, merkt dat ik autistische trekjes heb, dat ik best wat zorgzamer mag zijn en dat er heel wat angst in mijn broeit. Het zijn allemaal etiketjes. Ik kan zelf heel wat verrichten om mijn lijf te verlichten van etiketten. Ik kan daar zelf zo ver in gaan als ik zelf wil. Ik kan alles wat niet recht is, recht laten trekken. Bruine benen kunnen uit een flesje komen. Minder buik kan ik een vetopslurpende operatie vinden. Als ik lang genoeg met een bordje rond mijn nek rondloop, vind ik misschien zelfs nog een man. Maar ben ik dan echt labelvrij? Ik denk het niet.

Waarvoor dienen ze toch, die etiketten? In mijn herinnering maakte mijn moeder vroeger rond deze tijd confituur. Meestal was dat rabarberconfituur met aardbeien. Ze plakte er dan een etiketje op: ‘Rabarber-Frezen’ en de datum waarop ze de potten had gevuld en dichtgemaakt. Meer moest daar niet op. En wat was dat duidelijk!  Nu moeten we alles differentiëren. Om bij de pot zelfgemaakte jam te blijven. In principe zou mijn moeder nu ook op het etiket moeten schrijven hoeveel suiker ze eraan toevoegde, of de rabarber en de aardbeien onbespoten bleven en of de pectine die ze gebruikte zelfgemaakt was. Wie de jam eet, weet dan precies welk vlees hij in de kuip heeft. Moet dat nu ook echt met mensen?

Zaterdag vierde ik de verjaardag van Boegie Woegie in de Wereldtuin. Samen met heel wat mensen van allerlei culturen waren we samen blij. Wij. Mensen. Blij. Meer hoeft toch niet?

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 23/06/17)

maandag 19 juni 2017

TINE ZIET (71): Verwend

Afgelopen week werd ik als bewoner van de Koningstraat behoorlijk verwend. Dinsdag kreeg ik door medewerkers van CAW Menen een kopje soep, dit om de buurt kennis te laten maken met hen. Het is fijn om zomaar warme soep te krijgen aan de deur. Later die week kreeg ik de vraag of ik interesse had om een gratis gevulde bloembak op mijn vensterbank te zetten deze zomer. Het enige wat er van mij verwacht wordt, is dat ik ze regelmatig water geef. Ik hoef geen een of andere vage overeenkomst te tekenen. De mensen die aanbelden, hadden niet de intentie om mijn ziel te kopen. Het zijn mooie initiatieven. Al worden ze niet overal gretig onthaald.

Een man die wat verder in mijn straat woont en heel af en toe een praatje met me maakt, haalde bijvoorbeeld zijn neus op bij de uitnodiging tot het plaatsen van een bloembak, alsof hem een ziekte werd aangeboden. ‘Het is om problemen vragen’, zei hij. ‘Een bloembak op je vensterbank trekt de vandalen aan en die wil ik niet.’ Hij zal niet de enige zijn die ze weigert. Ook de soep zal niet overal warm onthaald zijn.

Het is op zich zonde. Beide initiatieven zijn er niet om commerciële redenen. Ze zijn er om de buurt wat meer te kleuren. Om ons als buren meer met elkaar te verbinden. Hoe mooi zou het niet zijn als we allemaal met een kopje soep in de handen elkaars bloemen zouden bewonderen?

Laatst zag ik een oproep om massaal gevelbankjes te plaatsen. Ook dit zou een fijne manier kunnen zijn om buren te leren kennen. Ik zit zelf te weinig op mijn stoep om mijn buurt van de voorkant te kennen en mijn geveltje is wel heel erg klein. Maar wie weet lukt het ook met twee stoelen. Zou ik? Als je me ziet, kom er gerust bij! 



(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 16/06/17)

maandag 12 juni 2017

Zomerproject: Lof (b)uiten!

 

De zomer brengt traditiegetrouw het beste in de mens naar buiten. Vorig jaar zette ik de bloemen in de bloemetjes, maar dit jaar wil ik wat doen aan die bescheidenheid die dringend eens van onder de aarde moet. Ik betrap zichzelf en anderen er veel te vaak op en wil gedurende de maanden juli en augustus iedereen (inclusief mezelf) oproepen wat trotser te zijn. Tijd om eens met eigen lof naar buiten te treden zonder dat die stinkt.

Mail mij wat jou trots maakt. Dat kan een fase uit je leven zijn, je mooie ogen, een partner, een kind, een huis,... Ik ga dan aan de slag en schrijft een gedicht hiervoor. Op een afgesproken moment zal ik preus dit gedicht met krijtstift (*) op je raam komen schrijven. Daarna feest: nodig minstens 1 mens of dier uit met wie je je fierheid wil delen.

Indien je toch te verlegen bent over je fierheid, kan het ook op bijvoorbeeld een spiegel of het schuifraam van je achterdeur. Jij beslist. Mail me in elk geval ook een foto door van welk vlak jij beschreven wil zien worden.

Vier het fiere! Uit je lof! Zet je trots eens buiten! Laat wat vaak te klein is, eens voorzichtig uit de voegen groeien! Daarna beslis jij zelf hoe lang jij je lof laat staan.

Dit jaar werk ik samen met VZW FRANK, die mijn materiaal bekostigt. Heel graag vraag ik dan ook een vrije bijdrage voor hen,

  (*) Een krijtstift beschadigt geen glas/spiegels. De tekst is achteraf gewoon uit te vegen met een droge of een natte doek zonder sporen achter te laten.

Mailen kan via dit postvakje.

 PS: O ja, dit jaar probeert Tine Moniek weer te rijmen op sportief. Indien mogelijk komt ik per fiets of per stalen ros.

TINE ZIET (70): Braderie

Braderieën: ik hou er eigenlijk niet zo van. Meestal loop ik er in een boog omheen. Vorig weekend hield ik het verrassend genoeg uit op de vlooienmarkt in Duinkerke, daarom bedacht ik dat ik de Sinksenbraderie in onze eigen Barakken ook wel mocht uitvlooien. Vol goede moed vertrok ik tegen de middag te voet richting feestgedruis. Om eerlijk te zijn: ik wist niet wat me overkwam. Eens voorbij de Waalvest kwam ik al in een mensenzeetje terecht. 

Ik wurmde mij een weg langs allerlei kraampjes. Vooral de fidget spinners waren natuurlijk overtollig aanwezig. Gelukkig waren naast de traditionele braderiekramen met zomerse kledij en blaffende hondjes ook heel veel kraampjes met tweedehands spulletjes en fijne optredens. Hoewel ik me vaak langs de buggy’s voor schoothondjes en boodschappentrolleys moest wringen, glunderde ik de hele wandeling door. Nu ben ik van nature uit wel een glunderend exemplaar, maar dat normaal niet in een zwetende en té talrijke massa. Dit was zo’n een fantastische smeltkroes van zoveel verschillende culturen. De observator in mij had de tijd van zijn leven. Al te vaak denkt men dat zo’n mengelmoes marginaal is, maar niets is minder waar. Zoveel tradities bij elkaar verrijken een mensenleven. Als je maar niet de andere kant op kijkt.

Afsluiten deed ik in Mefisto waar cafébazin Christine de veertigste verjaardag vierde van haar café. Ze trakteerde de gasten op optredens van haar zoon Medi. De sfeer zat er duidelijk in. Ik kwam er tot de ontdekking dat mijn ouders me als prille tiener alcohol te drinken gaven: de Panaché bleek geen limonade. Maar wat een panache die braderie! 

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 09/06/17)

dinsdag 6 juni 2017

TINE ZIET (69): Regelmaat

Dit zijn weken waarin onregelmaat de orde van de dingen in de war gooit. Een maandag die als zondag voelt, zorgt er bijvoorbeeld voor dat de dinsdag als een maandag ervaren wordt. Twee keer weekend maakt meer moe, laat drank rijkelijker vloeien, doet ons belangrijke afspraken vergeten.  Toch hou ik er van. Het houdt me scherp en schakelt mijn automatische piloot uit.  

Met tropische temperaturen heb ik het lastiger. Ik word daar zo moe van. Zelfs een tikje chagrijniger. Het maakt me opeens begeerlijk voor muggen, spinnen en andere insecten. De andere seizoenen kijken ze de andere kant uit, maar opeens ben ik hun lekker hapje. Was ik maar misselijkmakend, dan zou ik deze dagen en nachten zonder jeuk kunnen doorstaan.

Wat ben ik blij dat ik geen student ben die nu moet resumeren en instuderen. Wat ben je met dubbele weekends en zwetende hersenpan als je op je schema elke dag studeren moet? Ik zet mijn spreekwoordelijke hoed voor hen af. Graag verstop ik wat koelte tussen mijn woorden en de wetenschap dat dat blokken niet iets dat louter van de tijd van tegenwoordig is. Vaders en moeders. Ooms en tantes. Buurvrouwen en buurmannen. Ook zij hadden ooit dat blok aan hun been rond deze periode.  Ook al voelt het nu alsof jullie die last alleen moeten dragen. Geef niet op! Ooit genieten jullie ook van de zonnigste feestdagen!

Ook voor wie deze tijd vast en water en voedsel pas na zonsondergang mag smaken: hou moed! Straks keert de regelmaat terug in de dagen. Er zal koelte zijn en zoveel uren om gewoon weer diep en lang te slapen.

Gelukkig is er nog genoeg om bij te stralen. Wie er nood aan heeft, kan klein geluk in het park, aan zee, op het terras of gewoon in de tuin gaan halen! 

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 02/06/17)

zondag 28 mei 2017

TINE ZIET (68): Val

Vorige week ben ik na lange tijd nog eens gevallen met de fiets. Dit omdat mijn veter last had van eigenzinnigheid en zich rond mijn pedaal genesteld had. De val was wellicht de traagste en de idiootste ooit. Maar het moment dat je de grond raakt, voel je je toch behoorlijk hulpeloos. Zeker als je fiets bovenop je ligt.  Gelukkig was er ook een voetganger die me zwijgend en daadkrachtig hielp: hij maakte de stoute veter los, zette mijn fiets recht, trok me overeind, checkte of ik kon staan en liep dan in één vloeiende beweging de winkel aan de overkant binnen. Ikzelf verkeerde nog een beetje in shock: een hele Rijselstraat vol druk verkeer en slechts één behulpzame meneer. Dat was misschien het ergste aan mijn knullige val: het besef dat auto’s gewoon voorbijrijden en dat je eigenlijk wel geluk moet hebben als je een klein ongelukje hebt.


Ik viel ook in figuurlijke zin. De jaarlijkse afstudeermomenten zijn aangevat. Als leerkracht, jarenlange coach, hoop je vurig dat leerlingen na al die jaren, glanzend afstuderen. Dat ze niet uit hun tekst vallen. Dat ze niet op hun bek gaan. Dat ze kunnen stralen onder die theaterspots. Gelukkig doen ze dat meestal gewoon. Ze zouden het eens moeten weten dat ik naar ze kijk met een krop in de keel. Hoe wie ooit verlegen was tot over zijn oren, ineens vol zelfvertrouwen een publiek aankijkt. Ik tuimel dan ook een beetje. Een ontroerde trots die me week maakt en me na al die intensieve stresserende laatste weken in een zwart gat laat vallen. Sommige vrienden begrijpen dat na al die jaren nog altijd niet: waarom ik me zo opjaag, als ik het niet ben die op dat podium moet staan. Het is een laatste daad van begaan zijn, ze op een mooie manier laten gaan. 



(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 26/05/17)

maandag 22 mei 2017

TINE ZIET (67): Samen

Vorige week dinsdag belandde ik per ongeluk in de eerste voorronde van het Eurosongfestival. Niet op het podium wel te verstaan. Veilig en hoog op een barkruk. Vrij om alle commentaar te geven die ik wou. Als kind vond ik dit festival iets om naar uit te kijken. Samen met het gezin rond een grote kom chips en frisdrankjes pronostiekjes maken. Hardop lachen met te dikke mannen die door een hoepeltje kropen. Gniffelen om een jurk die meer op een gordijn leek. Zonder gezin vond ik er niets aan. Dinsdag hervond ik dus per toeval hoe fijn het was om er nog eens in groep naar te kijken. De commentaren floepten van de ene kant van de toog naar de andere. Heerlijk hoe ‘een samen’ zoveel meer kan zijn.

Later die week was ik in een kerk om afscheid te nemen. Ik moest rechtstaan, want alle stoelen waren bezet. Dat is geen ramp. Hoe meer mensen, hoe meer troost voor wie achterblijft. Verdriet wordt lichter als je het kan delen.

Zondag zat ik aan een tafeltje om de bezoekers van een beeldententoonstelling in een beeldschone tuin welkom te heten. De zon en vooral het aantal mensen dat de expo bezocht, werkten als een magneet. Voorbijgangers zien groepjes naar binnen- en buitenstappen en denken: ‘Hé, daar is wat te doen!  Gaan we ook eens kijken?’ Met een samen bereik je nog meer samen.


Toch hou ik er niet altijd van. Als je de hele dag alleen bent, moet je soms weer wennen aan een feest in een volle huiskamer waar je amper iemand kent. Of aan een volle kroeg waar je dan één specifiek persoon moet zoeken. Natuurlijk went dat snel. Het is verrassend hoe snel een samen wordt gevormd en uiteindelijk ook even snel wordt ontbonden tot elk een eigen weg. Maar dat er zoveel mogelijkheid is tot een samen, maakt veel momenten zoveel sterker.

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 19/05/17)


zondag 14 mei 2017

TINE ZIET (66): Moeder

Afgelopen week zag ik zowel in als uit mijn dichte omgeving verschillende exemplaren van een soort die ik soms wel wat benijd. Ik zag er eentje eitjes leggen in een brievenbus, zodat de postbode nu een kartonnen doos moet gebruiken om de post af te leveren. Ik zag er eentje haar jongen beschermen in het oerwoud. Er was een exemplaar met een zware zwangere buik die zuchtte: ‘Kom nu maar!’. Eén moeder was na het puberen van haar eigen zonen pleegmoeder geworden van een kleuter omdat ze moederliefde te over had. Er was een mama die op het communiefeest met de glimlach zo in de weer was geweest in de keuken om al de gasten van haar dochter te ontvangen, dat er voor een week teveel was. Er was een moeke die op de foto ging met haar dochters en dat niet kon zonder monkelen. Eentje liet haar dochter op schoot bijna winnen met een gezelschapspelletje met regenwormen. Eén dacht met heimwee aan haar kinderen, die nu in de papaweek waren. En natuurlijk was er ook wel één die een droom verloren was.

Ik hoorde verhalen over bevallingen. Over miskramen. Over het zo-graag-willen, maar niet krijgen. Over loslaten. Over vasthouden. Over trots. Over exemplaren die misschien niet altijd goed kunnen zorgen. Het moederschap, het is me wat!

Ik ben er geen. Maar toch heb ik een stiekem moederhart. Voor leerlingen, voor neefjes en nichtjes die me stilaan ontgroeien, voor huilende baby’s achter mijn muren. Voor mijn eigen moeder, die dit stukje alweer zal uitknippen en in een schrift zal bewaren. Voor mijn kat waarvoor ik af en toe een stukje uit mijn eigen bord bewaar. Voor mezelf als ik met buikpijn ga slapen.

Eigenlijk heeft iedereen wel ergens een moeder in zijn hart. Voor allemaal een fijne moederdag!

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 12/05/17)


maandag 8 mei 2017

TINE ZIET (65): Station

Eén van de grootste ergernissen die momenteel door de Meense straten gonzen, zijn toch de spoorwegwerken en vooral de belabberde planken onder de spoorwegtunnel die het voor fietsers makkelijk zouden moeten maken om de overkant te bereiken.

Zelf doe ik er alles aan om de overkant met de benenwagen te overbruggen. Van dappere leerlingen die dagelijks de moed hebben om via deze weg met de tweewieler naar school te gaan, hoorde ik dat het er vaak aanschuiven is. Van fietsende vrienden hoorde ik dat ze liever een hele omweg maken om de planken te vermijden. Met eigen ogen zag ik een vrouw met een winkeltrolley halsbrekende toeren uithalen om de oversteek van haar warenhuis naar haar huis te maken.  Ik durf me niet voorstellen hoe dat met kinderwagens moet. Gelukkig zijn er nu camera’s aan het station, die dit allemaal vastleggen. Mocht er een ongeval gebeuren, staat alles op band… Of staan ze nét niet op de spoorwegtunnel gericht?

In mijn hoofd wennen de werken maar niet. Vaak rij ik nog de kant uit die afgesloten is. Het is een goede oefening in concentratie om toch de juiste richting uit te rijden. Wat zal het in onze stad weer opgelucht ademen zijn als de werken achter de rug zijn. Iedereen zal weer op tijd op school of op z’n werk zijn. Alles zal opnieuw zijn gewone gang gaan. De verzuchtingen worden dan naar Wervik opgeschoven als ik me niet vergis.  

Op de tanden bijten. Dat is het enige wat we kunnen doen. Geduld hebben. Daarna ontspoort ons goed humeur niet meer. De treinen zullen weer als voorheen rijden. En wij? We zullen wel weer wat anders vinden om met veel chagrijn te mijden. 

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 05/05/17)

maandag 1 mei 2017

TINE ZIET (64): Geven

Terwijl zaterdag schitterende bloemen en lekkere hoeveproducten de Grote Markt zullen vullen, in de inkomhal van het Stadhuis de Woonmarkt wordt georganiseerd, wordt er op de site van Wimbledon volop gegeven op het Geefplein. Hoe vaak doen we dat eigenlijk nog? Geven?

Vandaag reed ik helemaal naar Gent omdat een vriend zijn aanzienlijke collectie boeken ‘te geef’ had gezet. Ik verklaarde hem gek. Ten eerste omdat hij zijn boeken, die hij altijd heel erg kostbaar vond, zomaar weg doet. Hij gaat verhuizen naar een appartement en boeken nemen nu eenmaal (te veel) plaats in beslag. Hij noemde ze zelf schamper ‘stofnetten’. ‘Waarom verkoop je ze dan niet eigenlijk niet?’ vroeg ik. Hij antwoordde dat dat allemaal gedoe is. En dat is het misschien ook. Nu staat een grote hoeveelheid muffe dozen in mijn woonkamer. Deze week ga ik ze zorgvuldig bekijken, de dubbele exemplaren en de boeken die ik niet hoef eruit vissen en mijn eigen mini-bibliotheek dan maar herschikken. De boeken die ik niet wil zal ik ook op mijn beurt wegschenken.


We zouden het met z’n allen meer moeten geven. Maar het staat zo raar. Zo zetten mijn buren soms voedingswaren op hun vensterbank te geef. Of zie ik kastjes en ander meubilair voor de voordeur van sommige huizen staan met daarbij het opschrift: ‘gratis’. Zolang het niet op sluikstorten lijkt, vind ik dat eigenlijk een mooie zaak. Al moet ik toegeven dat ik in eerste instantie wel wat wantrouwig ben als me zomaar iets wordt aangeboden.  ‘Ik moet nu iets teruggeven’, denk ik dan. Of ‘Er zal vast iets mis mee zijn.’ Ik vervloek mezelf soms daarom. Als je zomaar iets krijgt, krijg je vaak naast het simpel goed, een warm gevoel van vriendschap en solidariteit. 

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 28/04/17)

dinsdag 25 april 2017

TINE ZIET (63): Beiaard

Als de wind goed zit, kan ik hem tot in mijn huisje horen: de beiaard. Elk kwartier strooit die een klein liedje uit over onze stad. Ooit vroeg ik aan onze burgemeester of zij het was, die de liedjes koos. Dat was vooral omdat ik wilde weten wie in er in godsnaam Miley Cyrus in de lijst had gezet. Ze vertelde me dat ze daar voor niets tussen zat. Afgelopen dagen las ik dat wij een top drie mogen insturen met nieuwe beiaardsuggesties. Natuurlijk nam ik al deel. Want ik wil die naakte meid aan haar ‘wrecking ball’ eindelijk eens uit mijn vizier kwijt.

Ik ben benieuwd of er veel inzendingen zullen zijn. Ik gok dat sommige bewoners de beiaard niet eens meer horen. Als iets er altijd is, wordt het gewoonte. Vandaar dat nieuwe nummers wel eens mogen. We zullen in de zomer liedjes horen die we zelf hebben gekozen. Een Rammstein zou eens mooi zijn. Of een walsje van Strauss. Of waarom niet een liedje van K3? Een fragment uit de Carmina Burana? Stuur gerust je suggesties in! Hoe gevarieerder, hoe beter! Stadbeiaardier Wim Berteloot zal het er mooi druk mee hebben om al die 49 klokkken te temmen…

Dit weekend is er Erfgoeddag. Word er nog naar erfgoed omgekeken? Zorgen wij nog wel voor wat er al zo lang was? Is er nog interesse voor wat oud is, in een wereld waarin alles nieuw en beter moet? Ik hoop van wel. Geschiedenis is veel meer dan een verzameling aan oude stenen. Dat doet mij eraan herinneren: ooit moet ik het Belfort eens op. Ik begin alvast te oefenen op mijn eigen trap. En als ik dan boven ben, met zicht op deze stad, mijn eigen hit te horen. Ja! Challenge accepted! Mijn kuiten en ik, wij kunnen dat!

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 21/04/17)

maandag 17 april 2017

TINE ZIET (62): Buiten

De ramen kunnen weer open. De terrasstoelen zijn opgesteld en de BBQ is al in gebruik genomen. Lenteweer is buitenweer! Zelfs de kuiten mogen eindelijk nog eens om aandacht vragen. Persoonlijk liet ik enkel mijn armen al uit. De rest van mijn lijf moet nog een beetje geduld hebben.

Het valt mij altijd op dat buitenlucht een mens veel meer glimlachen en stralen doet. Bovenal maakt het ook de tongen losser. Of zou dat aan feit liggen dat de zon alcohol rijkelijker laat vloeien?  Zondag klom ik nog eens op mijn ijzeren ros. Terwijl velen aan hun scherm gekluisterd zaten voor de allerlaatste rit van Tom Boonen, waagde ik me aan mijn eigen kleine koers. Na de Lauwse kasseien beloonde ik mezelf op een terrasje. Achter mij zat een vooral vrouwelijk gezelschap luidruchtig aan de cava. Zonder schroom hadden ze het over een categorie mannen die de term ‘speelgoed’ verdiende. Of ze beseften dat anderen ook konden horen hoelang een voorspel gemiddeld dient te duren, weet ik niet. Ik ben geen luistervink, maar door het aantal decibels dat ze produceerden, lag ik bij wijze van spreken ook een beetje in hun bed.

Ik ergerde me niet aan hun gesprek: integendeel ik verkneukelde me erom. Het deed me wel bedenken dat ik het zelf misschien te weinig besef dat anderen mij ook kunnen horen. Dat sommige koppels in restaurants of op terrasjes misschien daarom gewoon zwijgend eten of drinken: om niet gehoord te worden. Als ik in mijn eentje op mijn koertje zit, kan ik al mijn buren horen. Wat ze vertellen, weet ik niet. Ze spreken bijna allemaal een taal die ik niet ken. Ik vind dat schoon. Muren hebben oren en in de zon kan ik op mijn koertje de hele wereld schroomloos horen. 

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 14/04/17)

maandag 10 april 2017

TINE ZIET(61): Magnolia

Er is een tijd geweest waarin ik alle bomen gewoon bomen noemde. Zo ging het ook met auto’s, met taart en met honden. Simpelweg omdat ik de talrijke soorten nog niet kende. Later leerde ik dat er appelbomen waren. Treurhazelaars en populieren. Onlangs verwonderde ik me erover dat pas heel recentelijk de overweldigende schoonheid van de magnoliaboom ontdekte. Hoe kan het zijn dat je al meer dan tien jaar wekelijks langs een boom passeert en dat die je telkens weer ontgaat? Hoe komt het dat je opeens wél voor een beverboom, want dat is de Nederlandse benaming, gaat stilstaan?

Ik heb het in dit geval over het prachtige exemplaar voor de Sint-Dionysiuskerk van Geluwe. Hoewel ik al heel lang wekelijks door Geluwe rij, was de boom me nog nooit eerder opgevallen. Vorige week had ik het geluk dat ik naast de boom kon parkeren. Ik nam de tijd om er even onder halt te houden en de boom, die al volop bloemen verloren had, te bewonderen. Toen ik dat deed, stopte er een vrouwtje. Ze zag me kijken en glimlachte fier. Alsof het haar boom was. Dat was het ook een beetje, want ze wist me trots te vertellen dat ze die boom al haar hele leven kende.

Opeens zie ik ze overal: die mooie magnolia’s en oude vrouwtjes. Ik ben jaloers dat ze al hun hele leven iets kennen wat ik pas na mijn 38ste deed. Misschien is het nét hun fierheid dat een ding, in dit geval de boom, opeens zo mooi laat blinken. Of is het het klimmen van de jaren dat me vaker naar boven doet kijken, dan wat ik daarvoor deed? Wordt zoiets simpel als natuur minder vanzelfsprekend? Of ben ik een mens die zich almaar meer door wat er bestaat laat raken? Met alles wat ik nog niet ken, valt vast een nog mooiere wereld te maken.

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 07/04/17)

maandag 3 april 2017

TINE ZIET (60): Vissen

Zaterdag is het weer zover! Ik zal meewarig het nieuws beluisteren op de radio. Daarna zal ik me schuifelend naar school begeven. Terwijl ik dat ritje per fiets zal afleggen, zal ik minstens tien keer over mijn schouder kijken. Ook zal ik alles wat de collega’s en de leerlingen vertellen met een deftig korreltje zout nemen. ’s Avonds ga ik uit eten en ik zal eerst zuinig proeven. Vrienden zullen me weer via allerlei kanalen in het spreekwoordelijke ootje nemen. Daar is het immers één april voor.

Op zich ben ik geen fan. Al houdt zo’n dag me wel wat scherp. Zo scherp dat ik dingen die echt waar zijn met de grootst mogelijke moeite zal geloven. Zo lijkt het toch bijvoorbeeld onmogelijk dat ik één van mijn lievelingsbakkersvrouwen vanaf 1 april nooit meer “Dag Madame!” zal horen zeggen. Ik zal zaterdag aan de deur staan met zin in een confituurke of een aardbeientaartje en de deur zal gesloten zijn. Ik zal hopen dat man en vrouw achter de toonbank liggen te gniffelen met de woorden: “Dat was onze beste aprilgrap tot nu toe!” en dat op zondag de zaak gewoon weer open zal zijn.


Zelf durf ik ook wel eens een zuinige poets uithalen die dag. Als ik het tenminste niet te druk heb om de plakvissen van mijn rug te halen en de voordeur alweer te openen voor een verdwaalde belletje-trekker. Of gewoon met wantrouwig zijn. Misschien moet ik er zaterdag eens met open ogen in trappen en zou ik op andere dagen wat kritischer mogen zeven in wat me ter ore komt want ik geloof eigenlijk gewoon nog te veel onzin. Te goedgelovig kan geen enkele vis zwemmen. 

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 31/03/17)

maandag 27 maart 2017

TINE ZIET (59): Zomertijd

Dit weekend gaat de zomertijd in. Dat houdt in dat de nacht van zaterdag op zondag een uur korter is. Maar bovenal brengt het met zich mee dat we langer kunnen genieten van het zonlicht. En wat kikkeren we daar allemaal van op! Van dat zonlicht. Niet van dat uurtje minder slapen. Dàt halen we snel in!  Als we gefietst hebben of in de tuin gewerkt bijvoorbeeld. Dat buiten zijn doet een mens zo goed. Niet alleen levert het ons extra vitamine D op, ook zorgt het dat we opeens meer ontmoeten en gaan praten. Daarvoor wil ik gerust een uurtje slaap laten.

Een tuin heb ik niet maar mijn koertje is inmiddels klaar om eindelijk weer eens te bloeien. Na drie bezoekjes aan het containerpark, verbaast het me dat mijn koer nog steeds zo klein is. Ik hoopte stiekem op een verdubbeling van oppervlakte. Helaas. Maar bloeien zal er!

Vorige week vernam ik dat De Wereldtuin op het einde van mijn straat zal verdwijnen. Misschien zijn er al plannen om ergens anders opnieuw te starten. Dat die groene oase er niet meer zal zijn, vind ik een spijtige zaak. De tuin bracht de buurt mooi bijeen. Samen tuinieren in de zon, een tuinfeest en je komt je hele buurt tegen als je je emmer compost gaat legen! Hopelijk komt er gauw een nieuwe stekplek.

Dat de nacht een uur korter zal zijn, zal men niet merken in het Pand van Boegie Woegie op de Grote Markt. Daar zal de zomertijd dansend ingezet worden. Voor de laatste keer. Tot de leverancier van vitamine D met haar eerste stralen door de ramen schijnt. Dé perfecte manier voor mij om die buitentijd in te zetten. Laat maar komen! 

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 24/03/17)

vrijdag 24 maart 2017

stelt paal en perk (23): deel 2

Op 14 december 2014 bekende ik op mijn blog een van mijn blootste bekentenissen tot nu toe. Het was een ware ontboezeming. Sommige mannen gingen me opeens anders bekijken. Sommige mensen vonden het te bloot om over zoiets serieus als borsten te schrijven. Voor wie het zich niet meer herinnert of wie wil lezen waarover het gaat: klik hier.

Een paar weken geleden las ik dat een van de grootste lingeriezaken van ons land in mijn buurt werd geopend. Een winkel met meer dan 35 000 artikelen! Eindelijk meer keuzemogelijkheid, dacht ik. De laatste winkel waar ik iets vond, had één model ter beschikking en stelde dat ik een ander model pas meer dan vijf maanden later kon komen passen. Omdat ik mezelf geen teleurstelling cadeau wou doen maar een nieuwe stevige bustehouder, polste ik even per mail of mijn maat in de winkel aanwezig was. Helaas, in een winkel van 35 000 lekkernijtjes, zit er blijkbaar niets voor mijn voorgevel bij.

Men reageerde beleefd en vriendelijk. Dat ik best eens langskom als de hoofdverkoopster er is. En dat ze mij een rondleiding wou geven en samen met mij kon overlopen wat er mogelijk was qua bestellingen en dat ik dan achteraf gewoon in alle rust zou kunnen passen.  Ik heb geantwoord dat dat lief was, maar dat het zou voelen als een bezoekje aan een snoepwinkel waar ik geen enkel snoepje kan kopen. Dat ik me nog een grotere uitzondering zou voelen. Nog anderser.

En dat is het toch? Als je in een aanbod van 35 000 soorten niets vindt waar je ongeacht je smaak, zelfs maar in past, dan ben je misschien wel uniek, maar meer nog: een freak. Ik ben het zat. Het kan toch niet zijn dat ik de enige ben? Ik meen dit serieus: wie kan mij helpen aan een bh op mijn lijf geschreven?