maandag 28 november 2011

Ooit (6)

Ooit zong ik in zorgeloos met groene polo in een koor. Daar schaam ik me niet voor. We zongen ook missen, maar om eerlijk te zijn zaten we dan stiekem collectief te tellen of de pastoor weer 'geilige gulpen' uit z'n mond liet stromen. In een provincie als de onze was dat namelijk meestal het geval.

Op een dag kondigde onze dirigent aan dat we gingen zingen in de gevangenis van Ieper. Natuurlijk leek ons dat een spannende ervaring. Daarenboven leek het ons ook heel nobel om te doen. Met een bus vol jong en vooral vrouwelijk enthousiasme reden we er heen. Op de bus werd ons verteld dat er daar geen zware gevallen gevangen zaten. Dus we voelden ons opgelucht en warmden onze stemmen alvast op met allerlei vrolijke liedjes en mopjes.

Toen we voor de gevangenis stopten en ik mijn groene polo netjes trok, voelde ik toch een soort angst bij me naar binnensluipen. We moesten over een soort koertje lopen, terwijl er een paar mannen grove dingen naar ons riepen. Dat waren we in onze gemeente niet gewoon. Daarna werden we één voor één gescand en betast om er zeker van te zijn dat ons jeugdkoor geen wapens met zich mee had genomen.

We werden in een soort kamertje gestopt en kregen daar als ik me het goed herinner een drankje, terwijl een cipier ons wat uitleg verschafte. Hij vertelde dat er in de gevangenis onder andere ook verkrachters en moordenaars zaten, die wachtten op hun proces. Zijn toon was verdacht serieus dus we giechelden niet meer. Toen werden we de kapel in geloodst.

We stelden ons op en voelden ons collectief beverig. Ik stond ergens in het midden vooraan. Na de aalmoezenier betraden de gevangenen de kapel. Er zaten geen spijlen tussen ons in, zodat ik me letterlijk voor de leeuwen gegooid voelde. Ik zong die dag behoorlijk benepen en nerveus.

Na afloop zuchtten we en vertelden weer voorzichtig mopjes. Uiteindelijk voelde ik me wel stoer.

Intussen zijn we allen onze groene polo enorm ontgroeid. Ook dat heeft me nog nooit gespeten. Maar wisten wij veel. Hoe konden wij het ook weten? Dat die dirigent die ons toen in die wereld introduceerde, daar jaren later zelf moest wachten op een verdict. Een verdict dat misschien onuitgesproken een flinke gumstreep trok in onze onbekommerde jonge hoofden.

Dat ik hierdoor een stukje zorgeloze jeugd verschrompelen zag, dat spijt me meer dan ik ooit zal weten.

woensdag 2 november 2011

IM

Vandaag deed ik wat ik al jaren doe: na de drukte naar het kerkhof heen. Alleen stapte ik opvallend trager van steen tot steen.

 Zoals elk jaar begin ik bij de grafzerk van mijn grootouders. Al meer dan twintig jaar kijken ze me lachend aan. En nog steeds zie ik hen in hun slaapkleed onderaan de trap staan. Mijn grootvader vloekend met zijn slaapmuts aan. Vorig jaar verschenen ze al eens in mijn droom met blauwe lippen. Dus ik doe nog altijd zachtjes voor hun stenen bed, bang om hen niet wakker te maken. Op de toppen van de tenen begin ik dan met het bestijgen van de ladder van mijn herinnering.

 Van steen tot steen word ik iets ouder. Ik bekijk de foto's op de zerken als in een foto-album. Ergens op de achtergrond bedenk ik mezelf erbij. "Die meneer kon prachtig knutselen!" of "Die mevrouw gaf me altijd koekjes." bijvoorbeeld. En telkens knutsel ik even of eet een koekje mee. Zo groei ik stap voor stap wat in memorie. Maar de jong gesneuvelde held blijft jong. En die man staat nog altijd op het verjaardagsfeestje van zijn dochter die nu zelf al kinderen heeft.

 Bij elke zerk werp ik een onzichtbaar glazen flesje neer met daarin een herinnering die ik erin geblazen heb met zorg. Herinneringen die niet zullen verschrompeld zijn als ik een volgende keer bij hen zal staan. Het lukt me net als andere jaren best aardig: het maakt me droef maar het houdt me jong in geest. Tot ik natuurlijk onvermijdelijk bij de zerk van mijn eigen vader sta. Ik sta hier niet voor het eerst, maar het is de eerste keer dat ik hem in de zee van bloemen zie. De keien van de kleinkinderen erbij. Ik vertel hem in mijn hoofd dat hij voorlopig nog niet in een flesje past en dat ik hem ontzettend mis. In gedachten zie ik hem knikkend zwijgen terwijl hij naar de wolken wijst. Ik zeg: "Ik moet weer verder."

 Van steen tot steen stap ik mezelf tot nu. En meer dan ooit groeit het besef dat de dood me ouder maakt dan ik ooit al heb vermoed. (stukjes over andere Allerheiligenbezoekjes vind je via deze link.)

TINE ZIET (196): Kerstgevoel

Hoewel het paard van Sinterklaas nog maar vers uit Belgenland verdwenen is, waaien de wapperende kerstmannetjes alweer olijk aan de ramen. ...