maandag 29 januari 2018

TINE ZIET (102): Tien minuten te vroeg

Vanochtend moest ik in Wervik zijn voor een afspraak in GC ’t Forum. Ik was een tiental minuten te vroeg en besloot die tijd in te vullen met een korte wandeling aan de Leieboorden. Nog niet zo heel lang geleden was ik beslist tien minuten te vroeg op de meeting verschenen want tijd moet vooruitgaan en laat je toch niet door verstilling verspillen?  Toch besloot ik vandaag van die extra tijd gebruik te maken om gewoon naar het water van de Leie te kijken. Ik noemde het in mijn hoofd ‘oplaadtijd’. Het werkte. Even verdween de chaos van de dag met de weerspiegelde bomen in het water.

Er lag een boot aangemeerd. Misschien ligt die er altijd. Dat weet ik niet. Opeens zag ik mezelf al op die boot wonen terwijl ik eigenlijk als de dood ben voor diepte onder mijn voeten. Ik heb nog steeds geen vertrouwen in water en geloof nog altijd niet dat het me gelukkig kan laten wiegen. Mijn gedachten gaan na die jaren in de eerste plaats uit naar spartelen en naar adem happen. Al heb ik me afgelopen zomer meer en meer weer leren drijven. Waarom leek die boot me opeens een heerlijk onderkomen? Was er wat bijzonders aan die boot? Nee. Het was een doodgewone boot. Ik kan me trouwens voorstellen dat ik zeeziek zou worden van het afdalen van de trapjes naar het woongedeelte alleen al. Waarom dan toch stelde ik mezelf voor op dat schip?

Wellicht omdat het me een ideale plek leek om alles wat te ontvluchten. 
De dagen rijgen zich tegenwoordig aaneen in een vliegende vaart. Het jaar is nog maar begonnen en het laat me nu al naar adem happen. Ik zal daarin toch niet de enige zijn? Ik heb natuurlijk gewoon mijn eigen redenen, net als ieder ander. We willen toch met z’n allen meer een plek om tot rust te komen? Een plek waar geen wolven zijn of andere nieuwsfeiten ons de stuipen op het lijf jagen. Of een oord waar de storm niet huis kan houden. Een eiland waar geen tijd bestaat om ons op te laten jagen. Een tijdelijk onderkomen om uit te blazen van al die vliegende vaart.

Gelukkig heeft de natuur en haar schitterende landschappen, als je je erdoor laat verrassen, af en toe zo’n heerlijke plek voor ons bewaard.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 26/01/18)



Gedichtenweek


Op vraag van Residentie Marie Astrid in Menen schreef ik voor de Gedichtenweek 2018 11 gedichten. Geïnspireerd op foto's van de bewoners. Ook kreeg ik enkele kernwoorden die bij de persoon op de foto pasten. 

Uiteindelijk werden het 11 gedichten over ouder worden.  Die gedichten werden in de gang opgehangen tot een gedichtenwandeling. Hier enkele sfeerbeelden als bewijs.




donderdag 25 januari 2018

Gedichtendagraamdicht 2018


Wie een gedicht wil leren lezen,
begint het best met een gezicht.

Hoe kijkt het? Hoe lijkt het?
Blinkt het zichzelf te kijk?
Of lijkt het in plooien te verdwijnen?
Bedenk een reden en wandel verder.

Na het gezicht komt het uitzicht.
Stap erin en los erin op!

Ontroert het? Kietelt het?
Voelt het als een jas die past?
Verzin een weg naar huis terug.
Dat lukt altijd, wees niet bevreesd!

Et voilà!
Van een landschap naar een ruiker letters
is nu een hele kleine fijne stap!


Tine Moniek
Gedichtendag 2018

maandag 22 januari 2018

TINE ZIET (101): Gevogelte

Op zaterdagochtend werk ik in Menen. Sinds enkele weken heb ik de gewoonte om te voet te gaan werken die dag. Daarvoor deed ik dat op de fiets. Het ritueel van dat wandelen maakt me wakkerder. Ik geniet van dit vroegemorgenmoment. Ook al ben ik helemaal geen vroege vogel. De stad wordt op zaterdagmorgen door een mooie rust bedekt. Meestal is het 8u15 als ik bij het Vander Merschplein ben. De stilte bevangt me steeds. Tot op het moment dat er een zwerm kauwen door het zwerk klieft. Ze klieven natuurlijk niet echt, ze vliegen. Maar het geluid dat ze maken, doet me denken aan pikhouwelen in de lucht. Zeker met mijn lijf dat nog liever in eendendons zou liggen.  Daarnaast hoor ik ook kraaien en andere vogels. Af en toe het rolluik van een wakkere bewoner. Mijn voetstappen en het geklepper van mijn tas. Veel meer hoor ik op die schrale winterochtenden niet.

Zaterdag viel het me op dat hoe meer ik mijn werk naderde, de geur van een ander soort gevogelte mij vergezelde: de geur van gebraden kippetjes op de markt. Het was me eigenlijk nog niet eerder opgevallen. Nu zat de wind goed of mijn reukorgaan had misschien een topdag. In mijn gedachten zag ik evenveel kippenkonten als ik al vogels had gezien, draaiend aan het spit. Zelf koop ik nooit spitkip. Al doet de geur natuurlijk watertanden. Ook op een doordeweekse ochtendwandeling naar het werk en kan ik me niet voorstellen dat ik het op dit tijdstip zou kunnen naar binnenspelen.

Terwijl ik in die marktlucht de academie naderde, bedacht ik dat ik nooit eerder had stilgestaan bij het aantal veren in een ochtend. Men heeft het altijd over goud maar op zaterdag vliegen als het ware toch heel veel pluimen in mijn mond. Het eerste lesuur kwam trouwens geen kip opdagen. Dat maakte van mij een chagrijnige en nukkige barbarie. Gelukkig kwamen daarna de andere leerlingen de klas wel binnengefladderd. De een al wat kwetterender dan de ander. Wat ervoor zorgt dat zo’n vroege werkdag altijd weer voorbijvliegt.


(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 19/01/18)

maandag 15 januari 2018

TINE ZIET (100): Honderd

Wie de oren tegen deze letters drukt, kan het wellicht horen: bij deze editie van Tine Ziet hoort kletterend geroffel en feestelijk trompetgeschal. Zelf opperde ik bij de redactie voor een mars door een fanfare onder mijn balkon. In de plaats daarvan kreeg ik een nieuwe plek, meer mogelijke lezers en extra ruimte om tussen mijn woorden door te blazen. Daarenboven kreeg de krant speciaal voor de honderdste editie van deze rubriek een compleet nieuwe jas!

U leest het goed. Dit is de honderdste keer dat ik achter mijn laptop zit te verzinnen wat ik nu weer met de lezers van KW wil delen. Vaak vloeit de inhoud als vanzelf uit mijn vingers, maar natuurlijk ook komt alles wat moeilijk op gang. Want geef nu toe: ik kan toch niet alles met al die ogen delen? Niet elke week is even boeiend. Soms zie ik door de chaos in mijn hoofd de bomen niet of drijf ik  in een grote plas verdriet die ik liever niet in de krant zie staan. En wat valt er in hemelsnaam te zeven uit een weekje kwakkelende sukkelgriep?

Het gebeurt wel eens dat ik door een onbekende lezer word aangesproken aan een of andere kassa. Heel zelden herkent men mij als ‘Tine Moniek die Ziet’. Terwijl mijn hoofd op deze column plakt, blijven jullie, geniepige gelukzakjes, gewoon anoniem. Toch prijs ik mezelf ook best gelukkig: in die honderd weken werd ik nog niet met rotte eieren bekogeld. Ook dreigbrieven werden niet door de redactie naar mij doorgeschoven. Nu ja, misschien komt dat gewoon door een slordige postduif, want ook fanmail kwam er eigenlijk nog niet.

Afgelopen week gaf een facebookvriend toe dat hij soms schrik heeft om zomaar in één van mijn stukjes te worden opgevoerd. Echt waar! Het was iets waar ik eigenlijk nog niet dikwijls had aan gedacht. Zouden anderen ook hiervoor kunnen vrezen?  Word ik daarom soms gemeden? Of is net misschien dat extra doel om met mij een babbeltje te slaan? Misschien is dat wel een gat in de markt. Een challenge die een lezer aan kan gaan. Spreek mij aan (net als hem), verras me, doe belletje-trek of zet jezelf gewoon eens goed voor schut: wie weet haal je op een goeie dag deze kolom wel!

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 12/01/18)


maandag 8 januari 2018

TINE ZIET (99): Koala

Een leraar op het conservatorium vertelde ons ooit dat er in elk mens een dier verscholen zit. Als we goed naar iemand kijken, kunnen we na een tijdje een dier in iemand herkennen. Het klopt. Als kind had ik dat al door. Zo zag ik een schildpad in onze leerkracht economie en een chimpansee in onze leraar geschiedenis. Maar welk dier was ik nu zelf?

Soms bedenk ik met schrik dat anderen een heel ongezellig beest in mij herkennen. Zo werd ik door een ex vergeleken met een cavia. Griezelig. Het klopte als ik met zijn ogen naar me keek. Vaak begluur ik mijn spiegelbeeld en spot in mij een koala. Een panda ook heel soms. Maar over die koala wil ik het bij het begin van dit nieuwe jaar hebben.

Eén van de mooiste beelden die ik afgelopen week zag passeren was een filmpje uit de Zoo. Daar kwam een babykoala voor het eerst uit de buidel van zijn mama gekropen. Dat ik me niet goed in mijn vel voelde toen ik de beelden te zien kreeg, heeft er natuurlijk ook wel mee te maken, maar de tranen biggelden over mijn wangen. Soms heb ik blijkbaar een ongemakkelijk vel nodig om mezelf weer als koala te zien.

Vergis jullie niet! Inmiddels weet ik dat een koala allesbehalve lief en schattig is. Dat het een beest is dat heel erg venijnig uit de hoek kan komen. Dat het maar blijft eten van iets dat het praktisch niet kan verteren. Om eucalyptusbladeren te verteren, is er namelijk een volle week nodig. Al maken die pluizige oren heel veel goed. En wat zou ik graag eens uit een buidel naar het volle licht kruipen!

Vertel het me gerust eens als jullie me nog een keer zien. Goed als ik mezelf nog eens verlies. Welke dieren zijn er nog onder mijn huid gekropen?




(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 05/01/18)

dinsdag 2 januari 2018

TINE ZIET (98); Vuurwerk

De tijd is aangebroken van een knallend uiteinde en een spetterend begin. Kleine en grote vuurwerkjes steken de kop op. Voor mij hoeven die feestjes in de lucht niet. Al kan ik eigenlijk niet anders dan er met open mond en ogen naar kijken. Ik heb het niet over die sissende knallende pijlen die in Nederland bijvoorbeeld in rode hoopjes op straat achterblijven. Echt vuurwerk dwingt nu eenmaal aandacht af.

Als kind kroop ik altijd dicht tegen mijn vader aan om naar die georkestreerde airshow te kijken. Als volwassene heb ik het nog, dat ik me het liefste tegen iemand aan wil vleien. Niet meer zozeer uit schrik, maar meer uit een soort heimwee naar die tijd waarin het zomaar kon om me tegen iemand aan te schurken. Dat heb ik eigenlijk ook nog met bliksem en andere taferelen in de lucht. Zo maken wolken en sterren me nog kleiner dan ik al ben.  Hoe vaak denk ik in de auto niet: ‘Nu moet ik aan de kant gaan staan en die avondlucht bewaren door die te fotograferen.’ Meestal stop ik niet.

Als het aan mij lag, zou ik me op oudjaar liever vergapen aan een natuurlijk verschijnsel in het zwerk. Dicht bij al mijn vrienden aan. Of nog liever tegen die ene.  Het is stukken diervriendelijker dan vuurwerk. Het kost geen geld, doet minder schrikken, is niet geregisseerd maar volledig spontaan. Trouwens de kans dat iemand zijn hand verliest door een avondlijke wolkengloed is ook veel kleiner.

Vanzelfsprekend zal ik net als vroeger blijven staan, als ik het zie. Versteend en binnenin mij een milde vorm van schrik. Pak me dan gerust eens vast en aai me over mijn haar. Dat mag. Eigenlijk is er geen kleinere hemeltuurder dan ik.


(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 29/12/17)