maandag 23 mei 2016

TINE ZIET (16): Groen

Zoals het hoort, werkt men overal in dit land aan meer groen in het stadsbeeld. Al nam men dat in Antwerpen wel heel erg letterlijk. Zo schilderde men het Teniersplein groen en plaatste er geen bomen of zo, maar wel lelijke gifgroene zitjes. Het zou een ideale aprilgrap zijn, maar het schijnt helemaal echt te zijn. Inwoners vroegen meer groen en kregen meer groen. Helaas niet het soort groen dat ze bedoelden.

Er zijn veel soorten groen. Zelf heb ik bijvoorbeeld geen groene vingers. Planten houden het in mijn huis niet zo lang uit. Als ik ze al in leven hou, beginnen mijn katten aan ze te knagen. Als kind speelde ik altijd in het gras en tussen bomen. Ergens diep in mij moet er toch een tuinier schuilen, dacht ik. Vorig jaar stapte ik met een vriendin naar de Wereldtuin – een mooi stukje insloten groen in Menen -  met de vraag of wij samen een stukje tuin konden bewerken. Dat kon. Ambitieus noemden we ons tuintje ‘De Punica Oase’.  Heerlijk was het om samen te werken. De zaadjes op te zien schieten. Algauw bleek dat je natuurlijk ook moest wieden. Dat zomertijd ook betekent dat je je tuintje water moet geven. Voor mij begon die verantwoordelijkheid door te wegen, zeker als de zomer voorbij was.  Tuin hoorde in mijn hoofd bij zon. Niet bij regen en vriestemperaturen. Ik besloot dan maar om mij terug te trekken uit het project. Mijn vingers waren nog onvoldoende groen.

Begin mei besloot ik dan maar om kleinschaliger het groene in mezelf toe te laten. Ik kocht bloemzaadjes. In een paar plantenbakken stopte ik ze in de grond en begoot ze op tijd en stond met water. Met resultaat! Voor mijn slaapkamerraam lijken het nu nog slablaadjes. Ook al worden ze nooit bloem: het is me gelukt! Ik creëerde mijn eigen groen! Ook op mijn koertje krijg ik meer en meer het gevoel van een mini-tuin. Het is een lichtgroen begin.


Straks rijden er ‘compostdrivers’ door mijn buurt. Op zoek naar wie de Wereldtuin nog vruchtbaarder kan maken. Compost doneren: ik zal het doen. Al was het maar omdat ik hunker naar nog meer en frisser groen.  

 (verschenen als column in De Weekbode / De Leie op 20/05/16)



maandag 16 mei 2016

TINE ZIET (15): Zuur

Het zomerde voorbije dagen heerlijk. Eén van de zekerheden als het eindelijk weer mooi weer is, is dat Lionel met zijn crèmekarre passeert. Het geluid van zijn ijskar is het overtuigende bewijs dat het ijsjesseizoen is ingezet. Nu was er deze week wat commotie in Lokeren. De mannen van de ijskar moeten daar na 20u hun muziekjes uitzetten. Dit omdat er klachten zijn over geluidsoverlast.  Tenzij het een verschrikkelijk techno-nummer of een stukje heavy metal betreft, begrijp ik eigenlijk niet dat zo’n riedeltje tot overlast kan worden beschouwd. Toegegeven: ik heb dan ook geen baby die wakker kan worden na doortocht van de ijskar. Anderzijds: ik heb wel aan elke kant van mijn slaapkamer een baby liggen die niet van mij is, die me ’s nachts dikwijls wakker blèrt. Ik zeur er wel eens over, maar verdere stappen onderneem ik niet.  Geen haar op mijn hoofd dat eraan denkt hierover een klacht in te dienen. Ik woon nu namelijk in een straat waarin de huizen dunne muren hebben.  Als ik geen buurgeluiden wil, kan ik een andere woning zoeken.

Is het niet zo dat we moeten leren leven met mensen naast ons die andere noden hebben dan die van onze eigen kleine wereld? Tegenwoordig regent het klachten: spelende kinderen maken teveel lawaai, een kermis is een te zware last, de buurvrouw lapt haar ramen niet, buurman laat het plukje mos op de stoep staan.  De maatschappij leert ons dat zeuren helpt! Speelpleinen en kermissen moeten verhuizen. Crèches worden gesloten. GAS-boetes worden kwistig uitgedeeld. En ijsmannen moeten weldra met een appje op je slimme telefoon laten weten dat ze in aantocht zijn. Op kousenvoeten. Waar stopt het? Dienen we weldra klacht in tegen witte sokken in bruine sandalen? In het feit dat mensen elkaar op straat durven te zoenen? Of omdat iemand weigert okselhaar te snoeien?

Ironisch is het: in een tijd waarin nog nooit zoveel op gezondheid werd gelet, zeuren we ons letterlijk zuur. We kankeren onze samenleving ziek. Weet je wat? Ik eis meer ijs! Waar blijft Lionel?

 (verschenen als column in De Weekbode / De Leie op 13/05/16)


maandag 9 mei 2016

IM Meneertje van de Vogels

"Vlak voor ons woont het meneertje van de Vogels. Zo wordt hij hier genoemd. Hij heeft in zijn woonkamer twee kanariepietjes die weigeren te fluiten. Ofwel kregen ze het nooit aangeleerd, ofwel zijn ze ontzettend koppig. Het mannetje zou niets liever willen dan dat de vogeltjes op een dag toch fluiten. Dus kocht hij ooit een plaat met vogelgeluiden. Die speelt hij nu al vijf jaar aan één stuk door. Behalve als hij slaapt. De plaat is inmiddels al drie keer vervangen. Het is steeds moeilijker zoeken naar zo’n ding. Elke dag, als een soort ritueel gaat hij voor de vogelkooi hangen en zegt: ‘Fwiet, fwiet, fwiet, kanariepiet!’ en hoopt dat ze op een dag toch iets terugzeggen. Een ‘piep’ zou mooi zijn. Maar hij zou minstens even tevreden zijn met een ‘beu’ of een ‘hihihi’!"

Dit is een flardje 'Vuile Was' dat ik in 2014 schreef. Vandaag hoorde ik dat het meneertje van de Vogels overleden is. Ik vind dat ontzettend droevig. Gelukkig is hij na zijn kanaries gegaan. Als eerbetoon ga ik straks in alle stilte de avondvogels beluisteren op mijn koertje. Lieve Meneertje van de Vogels, je bent nu zelf uitgevlogen. Jouw liedje is uit. Ik fluit je als een zanglijster na. Het gaat je goed.!

TINE ZIET (14): Jeugd

Vrees niet, hier komt geen stukje dat begint met de woorden: ‘De jeugd van tegenwoordig…’ Zo oud ben ik nu ook weer niet. Wel wil ik het even hebben over iets geweldigs, dat er niet meer is in Menen: een jeugdhuis.

Toen ik mezelf nog tot de jeugd mocht rekenen, ging ik niet naar het jeugdhuis in mijn dorp. Dit omdat ik niet tot een vriendenkring behoorde die daar naartoe trok. Eigenlijk vind ik dat nu best spijtig. Het had me veel centen kunnen besparen, meer uitgaanstijd kunnen geven en bovenal: ik zou me als jongere meer verbonden gevoeld hebben met de andere jongeren van mijn dorp. Nu ging ik naar fuiven en cafeetjes in de regio, moest alles per fiets doen - zodat ik vaak meer dan een uur van mijn beperkte uitgaanstijd verloor door onderweg te zijn - en kwam steeds andere mensen tegen, waarbij ik dan weer zo verlegen was, dat ik ze nooit leerde kennen. Meedraaien in een jeugdhuis zou me andere vaardigheden hebben bijgebracht: zo zou ik meer verantwoordelijkheidszin gehad hebben, een sterkere sociale band, minder schroom.

Zaterdag was ik getuige van iets heel bijzonders. Sinds ik hier woon ben ik vertrouwd met het Weekend van Den Overkant. Daar worden allerlei dingen georganiseerd (quiz, voetbalmatch, fuif,…) Dit jaar was er voor het eerst geen weekend. Toch besloot men om traditioneel samen te komen in wat ooit Den Overkant was, nu Café Sportwereld. Het was een fijn weerzien. Mensen van allerlei leeftijden, verschillende generaties, brachten ode aan het jeugdhuis dat hen ooit samenbracht en wellicht altijd zal samenbrengen. Het café blonk onder al die jeugd van toen. En eerlijk: ik voelde me jaloers dat ik er zelf niet bij was zoveel jaar geleden.


Als ik het mag geloven, is er nog weinig interesse van de jeugd om zelf een jeugdhuis te runnen. Jongeren gaan blijkbaar minder uit of spreken af bij elkaar thuis. Men verwijt een jeugdhuis vaak het teveel aan pintjes, maar naast dat zuipen is het bovenal een fijne broedplek voor onbezonnen enthousiasme en engagement. En waar kan men nu als jonge hond terecht?

 (verschenen als column in De Weekbode / De Leie op 06/05/16)

maandag 2 mei 2016

TINE ZIET (13): Geluk

Hou U vast aan de takken van de bomen! Kijk alvast eens achterom! Dit is het dertiende stukje dat ik schrijf en het bijgeloof wil dat dit toch een beetje onheilspellend is. Ik zou U kunnen geruststellen en vertellen dat er geen reden is tot paniek. Dat hier geen ladder in schuilt waar U onder moet lopen. Dat er geen zwarte katten in dit stukje ronddolen. Ik zou kunnen schrijven dat er integendeel een witte kater aan mijn voeten zit. Dat ik daarnet een kopje dampende thee balanceerde op mijn voorhoofd zonder morsen.  Maar bijgeloof stopt niet met op te sommen wat er allemaal niet fout liep. Nee, bijgeloof is standvastig voor wie zich erin vastbijt. Negeer daarom beter het cijfer in de titel.

Toen ik deze ochtend opstond, merkte ik dat ik gisterenavond blijkbaar mijn voordeur niet goed sloot. Ik mag van geluk spreken want er kwamen geen boeven in huis terwijl ik vannacht lag te slapen. Ik werd niet opgeschrikt door knallen en rondgooiende stoelen. Dat ik geen kassa heb om te stelen, dat is natuurlijk een klein detail. Niemand wil bestolen worden. Niemand wil ongenode gasten in huis of in zijn zaak.  Wat kunnen we aan dit grote ongeluk doen dat hier in onze contreien misschien al te vaak voorkomt? Volgens cijfers daalt de grenscriminaliteit. Dit door de befaamde grenscontroles. Het ongeluk kan binnenkort ook niet meer met de trein onze stad naar binnen, want er werden camera’s beloofd aan het station. Die camera’s zouden eindelijk een beeld kunnen geven wat er met de fietsen gebeurt en waarom de plaats ’s avonds laat verandert in een ongure plek. Onze stad wordt meer en meer een burcht met ophaalbrug. De inwoners: opgelucht. Een gigantisch bedrag wordt neergeteld voor onze veiligheid.

Zullen we niet altijd over onze schouder blijven kijken? Zullen we niet altijd op onze hoede zijn? Want weten we niet allemaal dat ongeluk niet in een cijfer schuilt, maar in een hoekje op ons wacht om ons onverhoeds te bespringen? We moeten dapper zijn en ons vastklampen aan goede moed. En hebben we geluk? Dan moeten we dat koesteren zodat het groeit.

(verschenen als column in De Weekbode / De Leie op 29/04/16)