dinsdag 26 september 2017

TINE ZIET (84): Opera

Vorige week was er voor het eerst in de 40-jarige geschiedenis van CC De Steiger een heuse opera te zien. Natuurlijk kon ik daar met mijn zin voor dramatiek niet op ontbreken. Opera kende ik tot nu toe enkel van op cd’s en slechts één keer zag ik een uitvoering van ‘Dido en Aeneas’ door operastudenten in Edinburgh. Maar nog niet in eigen land, laat staan in eigen stad. Ik weet niet waarom eigenlijk: ik hou van de stemmen, van de grandeur. Hoe dikwijls stond ik nog niet eerder aan de Opera van Gent en dacht: “Waarom kom ik hier nooit om een voorstelling te zien?” Wellicht is het de prijs die me afschrikt of het vooringenomen idee dat je slechts in galajurk welkom bent in dat gebouw. Keurig afgeleverd door een koetsier. Maar vrijdag kon ik dus met mijn kaart van Akoestiek, op mijn fiets en in mijn doordeweekse werkkledij een échte opera gaan zien.

Als ik aan opera denk, schiet meteen een dichtregel van Ramsey Nasr in mijn hoofd: “Sterf in een lijf dat niet van jou is.” en romantiek. Ook hier werd gestorven. De held van het verhaal, Adonis, sterft door een wonde die hij in zijn laatste jacht heeft opgelopen, in de armen van Venus, zijn enige geliefde. Terwijl hij sterft kan hij nog een hele aria zingen.  Het lijkt mij heerlijk om nog zoveel adem in mijn longen te hebben die laatste minuten van mijn leven. Leven als in een opera doe ik toch liever niet. Al lijkt het me reuzemakkelijk om eindelijk die liefde van mijn leven te winnen met slechts één enkel gezang. Met een ander lied zit er al een haar in de liefdessoep. Zo traag er wordt gestorven, zo vluchtig wordt men er verliefd.

Het opstapje naar een écht operagebouw is nu wel gezet. Waar is die koets?

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 22/09/17)

TINE ZIET (83): Wol

De eerste keer dat ik na de warme weken weer een wollen trui uit de kast pak, voelt altijd een beetje als verraad. Geef ik de zomer nu echt op? Is het niet overdreven? De winter is nog lang niet daar. De herfst is nog maar verschenen. Toch voelt die trui zo goed. De koude rillingen zijn gestopt en mijn kippenvel is volledig verdwenen. Is het laf de blote armen zo snel op te geven? Er zit trouwens nog zoveel tussen bloot en wol. Er is nog katoen. Er is nog polyester. Ook is er nog verwarming die nog niet eens de eerste warmte schenkt. Wol voelt zo echt. Zo hecht. Terwijl ik het vroeger maar vond jeuken. Al moet ik bekennen dat ik het model of de kleur van een gebreide trui vaak verschrikkelijk vond en misschien daarom spontaan begon te krabben als dat ding over mijn neus gezakt was.

Hoe verschrikkelijk waren die truien niet waarin je neus bleef haken, alsof je ineens een exemplaar van tante Sidonia gekregen had. Een kapstok als het ware. Of de kraag net iets te smal voor de kruin van je hoofd. Elke opluchting dat het toch lukte, voelde toch een beetje als een geboorte. De geur van mottenbollen schuurde ruw tegen de huid.

Ik overdrijf. Natuurlijk. Ook al nam ik afgelopen week, mijn eerste wollen trui weer gretig uit de kast. Een blauwe zonder kraag. Met knopen. Ik voel nu al dat we beste vrienden zullen worden en dat het me zo zal spijten als de sproeten op mijn armen weer naar buiten willen kijken. Zover zijn we nog een tijdje niet. Laat me nu voorlopig maar de wol omarmen en me op mijn eigen manier verwarmen.  Niet te kwistig en zonder veel te blaten. Lang leve de angora’s, de geiten, de lama’s en de schapen!

(verschenen als column in de extra De Weekbode / De Leie op 15/09/17)

dinsdag 19 september 2017

TINE ZIET (82): Wortels

Geschiedenis is nooit mijn beste vak geweest. Ik zag het vaak te veel als dat vak waarvoor ik zoveel data moest onthouden. Al is het zoveel meer. Hoe ouder ik word, hoe liever ik me met het verleden drapeer. Zondag was ik met mijn familie in de vroegere woonplaats van onze moeder. Samen met haar op zoek naar haar wortels. We hebben ze gevonden! Al vond ze de plek van haar geboortehuis in eerste instantie niet meer terug. Niet alleen omdat het ooit onteigend werd en afgebroken. Maar ook omdat oriëntatie na al die veranderingen in een landschap lastig is.

We reden langs het huis waar ik mijn grootouders ooit zag zitten op hun bankje. Onherkenbaar door de hoge schutting en het ontiegelijke aantal zonnepanelen. Daarna reden we naar de plek waar mijn grootmoeder op mijn grootvader verliefd werd. Een volks café waar mijn grootmoeder soms tegen haar zin moest helpen als het er te druk was. Het was een speciale belevenis. Voor mijn neefjes en nichtjes was het gewoon een morsig oud café. Jeugd beseft nog niet dat wortels eigenlijk belangrijk zijn om bepaalde familiedingen te kunnen begrijpen. Ze kijken zo gulzig naar de toekomst en zien alleen maar vooruit. Ik bedacht alleen maar: “Hier vond ik mijn oorsprong.” en voelde zoveel liefde voor die plaats.

Maar het bijzonderste was toch om terug in die vroegere woonplaats van mijn moeder te landen. Te botsen op de vrouw die ooit haar trouwkleed maakte en nog heel goed wist welk kleed ze voor haar had gemaakt. Om daarna in een café van een zoon van een neef van mijn moeder af te sluiten en daar achter de toog gewoon een hedendaagse versie van mijn grootvader te zien.

Graven in het verleden: moet je doen!


(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 15/09/17)

maandag 11 september 2017

TINE ZIET (81): Puzzel

Ik kan me niet herinneren dat ik het leuk vond om als kind te puzzelen. In mijn herinnering zat ik wel dikwijls aan een tafel om stukjes in elkaar te schuiven, maar meestal had ik te weinig geduld om tot het plaatje op het deksel van de doos te komen. Helaas gaat het begin van elk schooljaar gepaard met puzzelen. Voor ouders is het telkens weer een heel werk om elke hobby aan elkaar te lijmen. Ze moeten het maar doen. Kind A van dan tot dan naar plaats X. Even naar oma. Kind B van dan tot dan naar plaats X rijden om kind A op te halen en naar plaats Y te brengen. Ik heb daar bewondering voor. Een kind heeft meestal meer dan één hobby.

Als leerkracht van een hobby bezorgt het ook mij puzzelstress. Voor individuele lestijden moeten wij namelijk zelf onze klassen opvullen aan de hand van de wensen en de agenda’s van de leerlingen. Er is een taart, er zijn de stukjes en dan moet ik bedenken naar wie welk stukje gaat. Natuurlijk wil ik iedereen een stuk kunnen geven, maar ik zit vast met uren, plaatsen en wettelijke voorschriften over uitdelen van die taart.  Het is een onbegonnen taak om aan alle wensen te voldoen. Sommige uren moeten aan andere uren vasthangen. Sommige lessen moeten nu eenmaal na elkaar komen. En elk jaar weer komt er dat deksel op de neus. Botte mails van ouders die maar niet begrijpen dat ook ik moet puzzelen en mijn besef dat ik nog steeds geen puzzelwonder ben.


Uiteindelijk na twee weken zuchten en zweten, komt het uiteindelijk toch wel weer een beetje zoals op het plaatje. En als het niet lijkt op dat plaatje van de doos, maken we er toch altijd iets mooiers van. Maar geduld en wederzijds begrip blijft zo’n zeldzaam goed. 


(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 08/09/17)


maandag 4 september 2017

TINE ZIET (80): Zwemmen

Ik ben geboren onder het verkeerde sterrenbeeld. Als ‘Vissen’ durf ik al jaren het zwembad niet meer in. Als kind kreeg ik het nooit echt aangeleerd en als tiener werd ik te vaak het water ingeduwd en kreeg teveel chloorwater in mijn longen. De laatste keer dat ik het nog eens probeerde stond ik met een ex alleen in het zwembad. Het water navelhoog. Ik huilde en daverde van schrik, hyperventileerde en blokkeerde. Sindsdien durfde ik het niet meer.

Toen ik de vraag kreeg om mee op reis te gaan naar een plek met zwembad, bedacht ik dat ik het toch maar weer eens moest proberen. Zo’n kans krijg je namelijk niet veel: een zwembad voor vier personen alleen. Zonder andere pottenkijkers. Dus ik zocht badkledij waarin ik me zou durven vertonen, verklapte mijn doelstelling aan veel te veel vrienden, opdat ik de druk zou voelen me eraan te houden. En kijk: ik verplichtte me gedurende tien dagen in zwemkledij en zocht negen dagen contact met het water. Voetje per voetje. Als er een webcam was geweest, was de persoon die naar me keek, vast in slaap gevallen van verveling.

Een waterrat ben ik niet geworden. Ondanks het feit dat ik soms een vol uur probeerde om van de ene breedte naar de andere te spartelen.  Ik hervond weer wat vertrouwen in mijn lijf in dat water. De laatste dag durfde ik eindelijk zonder bodem onder voeten te zwemmen. Met een klein hartje. Dat nog wel. Wat nu? Waar kan ik dit onderhouden zonder in het openbaar te moeten naar adem happen?

Ik ben jaloers op mijn reisgezelschap dat schaterend in het water sprong. Ik benijd mensen die zwemmen als bevrijdend aanzien. Zwemmen is een kunst. Drijven ijdele hoop. En water niet allemans vriend.

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 01/09/17)


vrijdag 1 september 2017

Lofbuiten: afsluiten

Mijn zomerproject is weer achter de rug. Met 103 lofdichten en nog enkele aanvragen extra, kan ik toch spreken van een mooi resultaat.

Het is fijn om te zien dat sommigen niet van hun #lofbuiten kunnen scheiden: soms zie ik nog gedichten op de ramen staan.

Bedankt Catherine, Björn, Reckebilck, Vorming Plus, Linda, Rie, Kurt, Charline, Karel, Emmanuelle, Saskia, Freze, Marianne, Sylvie, Gino, Katrien, Geertrui, Sonja, Jozef, Kringwinkel West, Wouter, Ward, De Volkskeuken, Martien, Paul, Harold, Stephanie, Koen, Katelijn, Joke, Katia, Christine, Francine, Stephen, Hilde, Kriezies, Els, Tom, Jess, Erwin, Donna, JuffraToertjes, Anne, Linda, Emma, An-Sofie, Tine, Ellen, Alexander, Lies en Marga.

Katrijn, Katelijne, Kurt, Bieke, Raf en Tania staan nog in het rijtje dat nog te verwezenlijken valt.
Tot gauw!