donderdag 12 februari 2015

Droom (44):

Je hijgt nog na, de vlammen zitten nog op het lijf en op het laken. Het huis waarin je woonde met daarin wie altijd bij je was: je vader, moeder, zus en broers. Ze hadden kort daarvoor beslist dat jij er eindelijk bij mocht horen, nu je eindelijk volwassen was. Morgen haalden ze jou op. Alles was klaar voor je komst. Maar het dak was te zwaar met jouw kamer, stortte in tot er een vlammenzee ontstond. Iedereen streed op eigen wijze en werd zonder afgedekte slapen weggevoerd. Behalve dan je huis dat je thuis moest worden en de verkoolde hond die je nooit had. Sinds ik groot ben, blijkt de dood iets om voor te vechten. Sinds ik groot ben, ben ik onbeholpen klein.

Droom (43):

Het begon met een overval die niet zo goed werd voorbereid. Het eindigde met een massale schietpartij in een soort van bus waarmee we van plan waren te vluchten. In mijn droom hoorde ik het versplinteren van schedels. Iemand zei: 'Een bijna geknakt botje is een glazen bot. Kraken zal het in slakkengang.' en schoot en schoot en schoot. Iedereen ging uiteindelijk dood. Was het niet van een kogel, was het van de angst die om de oren floot.