maandag 28 augustus 2017

TINE ZIET (79): Rust

Als men het vroeger over rust had, dacht ik altijd aan een bejaardentehuis. Rust was iets wat me wat zuur leek. Alsof ik in een hoek werd gezet. Later bedacht ik het bij geitenwollen sokken en yogamatjes. Iets wat nog niet bij me paste. Grote onzin natuurlijk. Rust is geen straf en voor alle leeftijden, voor alle levenswijzen. Al besef je dat maar als de nood groter wordt.

Afgelopen zondag bezocht ik Kunstenfestival Watou. Thema dit jaar is ondraaglijke eenzaamheid. Het liefst zou ik dan helemaal alleen zijn als ik het festival bezoek. Dan weegt het alleen-zijn zwaarder en beklijft de kunst meer. Nu ja, natuurlijk is het daar op zondag druk. Om maar niet te zeggen stervensdruk. Goed voor de organisatie en de horeca. Minder goed voor de kunst. Er is minder kans om in een woord of in een beeld te blijven hangen. Nu ja, zoiets heb ik als bezoeker wel wat zelf in de hand. Ik kon ook in de week geweest zijn bijvoorbeeld. En als ik een filmpje twee keer volledig wil zien, moet ik maar dapper blijven zitten en niet denken aan wie op een nog-werkende-hoofdtelefoon staat te wachten.


De grootste rust vond ik op een binnenkoer van een nieuw boekencafé. Opeens leek ik ver weg van alle bezoekers. Ook al was het daar ook best druk. Maar ik vond de rust in een boek, een glas wijn en een serieuze schelle kaas. Tussen al het gepalaver door, steeg ik alleen boven de binnenkoer uit en was er even niet meer. Lijfelijk zat ik er wel, maar in mijn hoofd lag ik in wolkenweitje. Rust was voor mij na al die jaren eindelijk een paradijsje. Zou ik dat op een gegeven moment ook ooit denken over een bejaardentehuis? Ik mag er (nog) niet aan denken. Voorlopig berust ik in rust. 

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 25/08/17)

TINE ZIET (78): Haar

Het is voor mij altijd een magische plek geweest: het kapsalon. De geur van lak, ronkende droogkappen, het geknip met de schaar en het ratelend gesnater. Als kind ging ik naar mijn tante. De trap met tapijt erop naar boven en dan leek ik altijd in een soort schatkamer terecht te komen. Niet alleen hoorde ik er geheimen uit het leven, ook hield ik van de blik van de vrouwen die mijn tante knipte. Ze leken opeens in een soort rust verzonken. Ik hoopte altijd dat ik dat moment ook kon ervaren. Zelf werd ik niet rustig van mijn blik in de spiegel. Ik had altijd moeite om niet: “Stop! Stop! Je knipt te veel! Ik wil mijn haar terug!” te roepen.  Als een kapper bezig is, leg je wel heel je gezicht in die handen en daarmee ook je persoonlijkheid. Het is een mooie job. Maar wat een verantwoordelijkheid!

Vandaag zat ik bij de kapper. Dat is geen wereldnieuws. Voor mij zaten allemaal mannen die een ontmoeting hadden met de tondeuse. Op de vloer regende het kleine plukjes haar. Terwijl ik koffie dronk, keek ik stiekem naar de gezichten van de klanten in de kapperszaak. Eentje deed zijn ogen dicht bij de afwerking van het kapsel. Hij schrok niet toen hij zijn ogen opende, bewonderend hervond hij zichzelf. Een andere man leek het gênant te vinden dat hij genoot van de hoofdmassage die hij ontving. 

Toen ik zelf aan de beurt was, deed ik mijn best mezelf te blijven aankijken. De rust te vinden die ik als kind al wou. Maar ook al knipt mijn kapper mij altijd goed, ik zag het weer in mijn ogen: terwijl mijn oude haar de vloer aanveegde met wie ik in die maanden geworden was, onderging ik de welbekende metamorfose: van Tine Moniek via Tine Paniek naar Tine Chique!

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 18/08/17)

zondag 27 augustus 2017

TINE ZIET (77): Huisdier

Als kind had ik het geluk om heel veel huisdieren te hebben. We hadden een hond, een kat die voor de deur werd afgezet, alsof het een cadeautje betrof, vissen, duiven en een cavia. Ik herinner me zelfs een nachtegaal, al weet ik niet meer of dat klopt en dat enkel in mijn fantasie een nachtegaal betrof. Veel dier. Nooit allemaal tegelijk. Ook waren er om ons huis heen altijd koeien en herten. Daar moesten we gelukkig niet zelf voor zorgen.

Als kind besef je niet altijd de zorg die met een huisdier samenhangt. Het voeren. Het hok opruimen. Een kind ervaart een dier onbekommerd. Je aait het, praat er tegen, leert het kunstjes en weet niet meer dan dat. Ik geloof dat ik 7 was toen ik mijn cavia Bavo vond met twee bloedende gaatjes in zijn nek. Een dier dat niet van ons was, had onze cavia gedood. Eerder stierf hond Snoepie door het eten van gif. Een goudvis sprong zichzelf een kopje kleiner door op de meest onverwachte ogenblikken uit zijn bokaal te springen. Een keer waren we te laat om opnieuw leven te krijgen in al zijn vinnen.

Nu heb ik enkel een kat. En hoe lastig ervaar ik dat soms. Ook al vraagt een kat echt niet zo veel. Ik hoef ze niet uit te laten. Haar haar vraagt geen kapper. Haar stamboom ook al niet. Ze toont zich tevreden met een raam of twee, het koertje af en toe, de aaitjes, het eten, het kommetje water, de sleutel in het slot, een schone kattenbak, een doodeenvoudig elastiekje,… Maar ze kijkt zo schuldig als ik langer dan een halve dag wegblijf. Hoe moet dat op vakantie? Kan ik dat haar wel aandoen? Wie zal voor haar zorgen? Blijf ik dan niet beter thuis?  Zoveel zorgen in mijn hoofd, dat ik bijna zelf een huisdier word.


(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 11/08/17)

dinsdag 8 augustus 2017

TINE ZIET (76): Opruimen

Het moest er een keer van komen. Afgelopen weken ben ik met een brute bezem door de rommel in mijn huis gegaan. Wie al eerder bij me was, zal zich een hoedje schrikken bij een volgend bezoek. Althans dat mag ik hopen. Twee weken van sorteren, bezoekjes brengen aan het containerpark, kringloopwinkels,… dat moet toch gewoon te merken zijn? Wat is het nut er anders van?
Voor mezelf voelt mijn huisje opeens veel ruimer. Alsof er nieuwe adem is. Maar hoelang duurt zoiets? Ik ken mezelf. Zal ik consequent blijven en spullen systematisch blijven opruimen? Hoeveel weken blijft de inhoud van een kast overzichtelijk? Hoelang duurt het voor ik weer een stapel huisvuil heb dat niet thuishoort in de witte zak? Nu ja, ik had het ook heel erg ver laten komen. In de vijf en een half jaar dat ik hier woonde, had ik zelfs nog heel veel verhuisdozen niet geopend en de kleedkast werd nooit uitgemest.

Ik ben blijkbaar niet de enige. De verantwoordelijke van de Kringwinkel in Torhout, waar ik onlangs een hele dag lofdichten zat te schrijven, vertelde me dat het ongelooflijk is hoeveel materiaal er deze zomer al werd binnengebracht. En terwijl ik daar zat, zag ik allemaal mensen naar buitenstappen met ‘nieuw’ tweedehands materiaal. We hebben het er maar mooi druk mee. Met die kringloop van het leven. 

Waarom doen we het? Het brengt rust in het gemoed en het doet een mens zoveel goed. Zo vind ik het fijner om thuis te komen, nu elk spulletje weer gewoon een eigen plek heeft. Al kan eten van mijn vloer nog steeds niet. Nee, er zijn grenzen. Mijn huis weigert halsstarrig een toonzaal te worden. En daar ben ik voorlopig blij om. Een thuis hoeft niet ontsmet te worden.  

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 04/08/17)