maandag 28 maart 2016

TINE ZIET (8): Draak

Hoewel wij intussen hebben meegekregen dat sprookjes niet bestaan, wil ik het vandaag met jullie hebben over draken. U kent ze wel, die grote groene beesten. Vaak hebben ze meerdere koppen. Ze spuwen vlammen, wonen in de buurt van een kasteel en één of andere dappere ridder moet ze verslaan. Wel, lieve lezers, op de dag dat het sprookjesboek voor jullie gesloten werd, meenden jullie wellicht dat die beesten dan ook maar verzinsels uit het hoofd van een sprookjesschrijver zijn. Dat is helaas niet waar. Draken, lieve mensen, komen in deze reële wereld voor. Ze verspreiden vuur, dood en angst. Overal zijn ze aanwezig. Deze week konden we de zwaveladem tot in Menen ruiken. Een verschrikkelijke stank walmde in onze straten. Niet alleen onze stad moest eraan geloven. Ook Wevelgem. Wervik. Ieper. Roeselare. Tot heel ver daarbuiten. Zelfs Obama kon de afschuwelijke geur tot in zijn Witte Huis ruiken. Hij beloofde ons land te helpen bij het vangen van die draak.

Ja, wij zijn geschrokken. Het gebeurde niet eerder dat een draak zoveel slachtoffers maakte in ons land. Alhoewel, toch wel, maar dat is toch al een hele tijd geleden. Andere draken zagen we eerder op onze smartphones, onze tablets, de tv. Maar nu hij tot bij ons te ruiken was, is hij opeens niet meer virtueel. Dus natuurlijk zijn we bang voor dat afstotelijk gedrocht. We zijn verdrietig. En we zijn kwaad. Waarom doet een draak ons dit aan? En wie zal de dappere ridder zijn die dit affreus beest verslaat?

 Er zal in deze strijd meer nodig zijn dan een groot en stevig zwaard. Ook enige kennis van zaken is een must want men zou te snel kunnen oordelen: ‘Ik ruik iets onfris, het is vast een draak.’ Wees niet te snel ongerust: niet alles wat groot en groen is, is een draak. Let ook op: er zijn verschillende koppen. De venijnigste is Haat. Nee, laat het aan de échte drakenjagers over want het draait hier niet langer om het redden van een simpele prinses. Het gaat om lieve vrijheid voor ons allemaal. Geluk voor wie de taal van liefde praat. Dicht bij ons. Maar ook van pool tot evenaar. 

(verschenen als column in De Weekbode / De Leie op 25/03/16)

maandag 21 maart 2016

TINE ZIET (7): Pleinen

’s Nachts mag het dan nog verraderlijk koud zijn, de lente laat zich overduidelijk voelen. Hoewel de slaapsokken nog naast het bed liggen, kriebelen de tenen overdag al om een glimpje zon te zien. Het voorjaar is die periode van het jaar waarop wij het pleinen weer aanvatten. Pleinen is heerlijk. Het betekent in het geval van de vrienden in Menen: afzakken naar het plein achter de deur. Met kinderen, speelgoed, drankbekers en drankjes erbij en terwijl de kinderen spelen, kletsen. Meespelen kan natuurlijk ook.

Vorig weekend was voor mij de eerste keer dit jaar. Ik had mijn winterjas nog aan. Maar het voelde zalig op het bankje. Niet alleen kreeg ik mijn broodnodige dosis vitamine D binnen, ook was het uitermate aanstekelijk om alle kinderen te zien spelen. De andere bankjes waren goed gevuld. Om mijn heen allemaal verschillende soorten inwoners van deze stad. Ook viervoeters. Hoe verschillend we ook zijn: het plein brengt ons samen in zijn openheid. Open is wat een plein hoort te zijn.

Natuurlijk zorgt dat allemaal voor het nodige lawaai in de omgeving van het plein. Kinderen die spelen en mensen die kletsen durven wel eens een decibelmeter in beweging zetten. Piepende schommel, vette schaterlach, gejuich bij een overwinning. Misschien stoort dat sommige inwoners in de nabijheid van het plein. Misschien leven zij het liefst gesloten in volkomen stilte en is dat plein voor hen alleen een plek om naar te kijken. Maar ik durf toe te geven dat ik het geluid van het plein op zondagnamiddag bijvoorbeeld graag naar binnen haal. Ik zet dan het raam open, zodat mijn huisje zich met pleingeluiden vult.  In sommige zomernachten hou ik het daarentegen liever dicht.

Waar ik me wél ontzettend aan erger is dit: de overvolle vuilnisbakken en gedumpte zakken met afval. In geen tijd puilen de bakken uit. Dit terwijl mensen die pleinen gewoon hun afval meenemen naar huis en bewoners rond het plein voor vuilniszakken betalen. Een plein mag dan wel een open, onbebouwde plek  zijn, voor sluikstorters zou een plein gesloten moeten zijn.

(verschenen als column in De Weekbode / De Leie op 18/03/16)



zondag 20 maart 2016

Internationale Dag van het Geluk

Als het zou kunnen, dan pakten we het in. In glanzend papier met strik. We zouden het in iets als een wiegje kunnen leggen. Heel voorzichtig. En zuinig zijn met opendoen. Er zou bezoek zijn dat speciaal voor dat zou komen. Om het op de schoot te nemen en te aaien. ‘Het lijkt wel wat op jou.’ Het bezoek zou denken: ‘Hadden wij dat ook maar. ‘ zuchten met een zweempje jaloezie en misschien zelfs overwegen om het van ons te stelen. Wellicht zou er een alarm voor nodig zijn. Want ook wildvreemden zouden benieuwd zijn. Boeven zeker. Die zouden het proberen te verkopen op de zwarte markt. Iemand zou zelfs roepen dat we egoïstisch zijn, dat het niet iets is om zelf te houden. Dat geluk om uit te delen is.  Hoe blij we ook zouden kunnen worden van een wereld vol geluk, we zouden aarzelen om het als een stofwolk over de hele aarde uit te spreiden. We zouden overwegen een stukje voor onszelf te houden. Een piepklein stiekem beetje. In geval van trieste nood. Want als we allemaal gelukkig zouden zijn, dan was er toch nog zoiets als tandpijn, gemis en dood.


maandag 14 maart 2016

TINE ZIET (6): Wit

Magisch! Zo voelde het toen ik maandagochtend vanuit mijn bed naar buiten keek. Vlokken sneeuw dwarrelden naar beneden zoals wattenbolletjes zouden doen. Echte sneeuw die wit bleef als die de grond raakte! Hoe lang was dat niet geleden? Als ik sneeuw zie vallen, word ik altijd weer dat meisje dat meteen wil buiten spelen: sneeuwman maken, sleetje rijden. Sneeuw betekende altijd familiepret. Het was gewoon heel fijn.

Helaas ben ik nu groot en kon ik niet in de sneeuw gaan spelen. Ziek moest ik naar de dokter toe. Een heel eind. Even vloekte ik om al die onverwachte winterpracht in maart want één van die dingen die ik liever niet doe, is autorijden in de sneeuw.  Als ik op vier wielen door zo’n wit tapijt moet rijden, ben ik één en al gespannen spier. Bang om uit te glijden en om de controle te verliezen. Al heeft het wel iets statigs: rijden als in een grote stoet. Opeens is ieder solidair in het verkeer en glijden we samen in eenzelfde tempo achter elkaar. Behalve dan de dapperen, de uitslovers, … Met of zonder sneeuwkettingen gewapend racen ze de stoet voorbij. Het waren dan wel geen bergen sneeuw: we waren er niet op voorbereid. De witte daken hadden ons verrast. Menen blonk in al die lichtheid.


Wie wordt net als ik nog blij bij de aanblik van dwarrelende sneeuw? Wie gaat er nog van kwispelen? Al is het maar een beetje en inwendig? We zouden het allemaal wat meer moeten doen. De uren dat het tapijt er ligt, de buren wakker bellen en hen uitnodigen voor een sneeuwballengevecht. Even het kind in ons eruit slepen. Wie me wekelijks leest, had vast gedacht dat ik in deze column gretig over Vrouwendag ging schrijven.  Met een vurige en scherpe pen. Maar nee, ik schreef over het zachte wit van sneeuw. Opdat we niet zouden vergeten dat het er deze week spontaan eens was.  Heel even maar. Een blakend schoon en vers uitzicht.  Toen ik terug naar huis reed, was de herinnering aan kindertijden gesmolten. Geen vlokje sneeuw was nog te zien. Het witte in de Koningstraat was weer gewoon confetti en auto’s raasden mij zoals altijd voorbij. Spijtig.

(verschenen als column in De Weekbode / De Leie op 11/03/16)


maandag 7 maart 2016

TINE ZIET (5): Complimentje

Afgelopen dinsdag was het Complimentendag. Een dag waarop we aangemoedigd worden om eens een complimentje te geven aan onze collega’s, onze vrienden en aan wie bij ons aan tafel zit, …  Bij mij durft dan wel eens de vraag te rijzen: Hebben wij behoefte aan deze dag en waarom dan wel?
Ik hoefde niet lang te piekeren. Volgens mij is er wel degelijk nood aan zo’n dag. Blijkbaar leven we in zulke flitsende tijden, dat we al te vaak vergeten een blijk van waardering te formuleren.  Criticasters zullen natuurlijk opperen dat het eigenlijk elke dag Complimentendag zou moeten zijn of dat een overdaad aan schouderklopjes iemand van pluche maakt of van porselein. Toch ben ik ervan overtuigd dat loftuitingen mensen groeien doet.

Niet beseffend waar ik aan begon, nam ik de proef op de som. Op Facebook stelde ik me kandidaat om die dag iedereen die nood had aan een compliment een mooie pluim te geven. Er werd massaal gereageerd. Ik mocht heel wat lieve woorden uitdelen. Dat bleek eigenlijk niet moeilijk te zijn. Geen ‘handleiding tot het steken van een veer op een spreekwoordelijke hoed’ vandoen.

Blijkbaar is het een zeldzaamheid geworden om eens iemand een dikke duim te geven op een duidelijke manier. Zo zwart op wit. Zelf ben ik er niet zo goed in als het spontaan en mondeling moet gebeuren. Zo gaf ik dinsdag mijn moeder een compliment per telefoon, maar ze had het vast niet eens door.  Als andere mensen mij een compliment geven, reageerde ik vroeger heel onwennig: ‘Vind je?’ ‘Echt?’ Alsof ik extra bevestiging nodig had. Sinds enkele jaren reageer ik al wat minder onhandig. ‘Dank je!’ zeg ik dan. Heel soms zeg ik: ‘Ik weet het!’ Met het risico dat men mij arrogant kan vinden.

Tot slot wil ik jullie best verklappen dat ik zelf soms ook naar complimenten vis in vlagen van onzekerheid. Zo verklapte ik afgelopen week de redacteur van deze krant dat ik toch reacties op dit schrijven mis. Ze vertelde me niet te panikeren. Dat waardering soms gewoon een lach van herkenning aan de kassa is. Ook best mooi. Niet?

(verschenen als column in De Weekbode / De Leie op 04/03/16)