maandag 16 juli 2018

TINE ZIET (126): Bouwen


Zondag ging Salto door in onze stad. Ons stadsfestival. Zelf had ik me opgegeven om mee te werken aan de performance van Robbert & Frank en was al om 11u45 op post om een trap in grote legoblokken her op te bouwen. Maar het eerste uur was een groot fiasco. We moesten een paar keer helemaal opnieuw beginnen. Het leek heel erg simpel: een trap van tien treden, maar voor wij, die hem uiteindelijk samen maakten, was de trap gigantisch toen die er uiteindelijk stond. Er was heel wat werk ingekropen. Veel handen in een vlakke zon maken niet altijd licht werk.

Toen de trap er eenmaal stond, bemerkten we hoe makkelijk kinderen en volwassenen de neiging hebben om naar boven te klimmen. Zelfs zonder specifiek doel. Het is wellicht een drang die in ons ingebakken zit om naar boven te willen. Om de grond onder onze voeten te verlaten en boven de bodem uit te stijgen. Zelfs hele kleine kleuters konden zich vaak niet bedwingen.

Uiteindelijk was het de bedoeling dat mensen die de trap naar boven klommen een wens met zich meedroegen en die aan een draad ophingen. In ruil mochten ze een andere wens van een eerdere klimmer meepikken. Vaak wisten mensen niet wat ze met die wensen moesten aanvangen. Sommigen waren ontgoocheld in de wensen van een ander en wilden ze niet meenemen. Een jongetje wenste voor zichzelf een mooie vrouw en zag stampvoetend hoe zijn kleine broer even later zijn enveloppe uit de lucht plukte en wellicht dacht: ‘Ik wil ook een mooie vrouw!’. Sommige volwassenen wisten niet zo goed wat ze aan moesten met een simpele kinderwens of een tekening. Sommige kinderen begrepen de wensen van volwassenen niet zo goed. Maar ‘wensen’ en ‘klimmen’ begreep iedereen. Een vader verklapte me dat al zijn wensen al vervuld waren. Een jongetje klom wel tien keer de trap op naar een wens die even mooi was als die van hem.

Dat samen bouwen. Dat samen vloeken om weer een fout in de trap. Dat samen gaan voor een project. Zelfs van een ander. Het collectieve zweten.  Daar hou ik eigenlijk wel van. We klommen voor het verzamelen van wensen samen op.



(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 13/07/18)

maandag 9 juli 2018

TINE ZIET (125): ZOMER


Terwijl ik dit schrijf, lig ik schaamteloos plat op mijn bed. Mijn slaapkamerraam staat op een kier. Door de kier ruik ik de geur van de buurman die dagelijks sigaren rookt voor mijn raam. Hij staat telkens als hij voorbijschuifelt stil om mijn kat te begroeten.  Kat Frieda mekkert dan en hij trekt zijn wenkbrauwen op en zegt: ‘Psssssst!’ tegen het glas. De lezer zou zich zorgen kunnen maken. Misschien omdat ik op bed lig. Op een doordeweekse dag! Rond het middaguur.  Ga ik op die manier zo lui van mijn twee maanden vakantie genieten? Of dat ik het dagelijkse ritueel tussen mijn buurman en mijn kat afluister en soms ook bespied. Het spijt me niet. Een verrekte spier in mijn kuit vraagt op doktersadvies om platte rust. Anders kan ik dit weekend niet meevieren met Les Figurettes. Dat advies neem ik serieus. Want we vieren feest op vrijdag in Ieper, op zaterdag op Reckebilck met een gloednieuwe show en op zondag ben ik normaal helpende hand bij Salto. Dus echt veel stilliggen doe ik eigenlijk normaal niet. En afluisteren en bespieden, wie doet dat niet?

Dat ik nu de buurman hoor, doet deugd.  Het betekent dat de straat rustig is. Gisteren leek het wel of de grond een paar centimeter gezakt is toen de laatste verlossende doelpunten werden gemaakt in het WK. De Rode Duivels haalden het op het nippertje. Van waar ik woon, hoorde ik dierlijke kreten. Ik hoefde niet eens te luistervinken. Ik hoefde niet op een televisie te spieken wie de grote winnaar was. Er reden kuddes toeterende auto’s voorbij. De dagen daarvoor trilde Grensrock nog beats door mijn dubbele beglazing. Maar ook voorbijwandelende jongeren duwden hun muziekgenre mijn oren in. Toch zul je me niet horen klagen. Het zegt ons dat het nu echt wel zomer is. Dat het helaas ook een superdroge zomer is, is te merken in al mijn bloembakken waarin alle reanimatie te laat kwam. Dat zal mijn buurman ook niet ontgaan zijn.  Of kan sigarenrook nu ook al bloemen doden? Dan ga ik misschien toch zeuren, want mijn bloemen, die zag ik eigenlijk best wel graag.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 06/07/18)




vrijdag 6 juli 2018

Buurtturen: Wandelweg 11 in Kortrijk

Op maandag 2 september ging ik Buurtturen in Kortrijk. Dit tijdens de lunchpauze bij de zomerweek van Vormingplus MZW.  Op woensdag ging ik met mijn nichtje Klaartje langs om het gedicht op het raam te schrijven. Nicht Klaartje dicteerde en zei achteraf: 'Het is wel scheef, tante, maar het valt heel goed mee.' Ze werkte af met een bloempje.




Tussen deze muren kom men
tot zichzelf bij ritselend licht en
dansende beelden op de stenen.
Een rustplek in deze stad waar
men ongedwongen stil kan staan.

Terwijl de tafels zich vullen, waaiert
het laken op en brengt zo mensen dichter.
Men laadt zich op aan koffie, sla en elkaar.
Soep word hier tot op de bodem opgegeten.

Eén keer slechts overstemt een stem
de rust in een toeter uit een hand.

Er wordt tot actie opgeroepen.
Eén rugzak blijft eenzaam in 
de leegte staan, wordt opgelucht
weer opgehaald.

Daarna wordt weer geschaafd en gezocht
naar wat men hier wil vinden.
Dàt beeld. Een lichtere ziel. Onthaasten.

Deze plek laat de trein der drukte achter zich.
Brengt vakantie in gemoed.
Ademt op. Doet goed. 




Nodig me gerust uit om eens op jouw stoep of in je buurt te komen kletsen en tureluren.




zondag 1 juli 2018

TINE ZIET (124): Stevige bomen


Het einde van het schooljaar is voor mij traditioneel een emotionele periode. Niet dat ik nadrukkelijk met een zakdoek mijn ooghoeken moet deppen en mijn neus moet snuiten, maar het is afscheidtijd. Mensen die dit moeilijk begrijpen, kunnen het zo zien: een schooljaar lang rond gevoelens werken, creëert een band. Als je een leerling dan nog eens meer dan een jaar begeleidt, wordt die band nog intenser. Een volledige studieperiode in mijn vak behelst tien jaar. Dat is trouwens meestal meer dan hun halve leven. Daarnaast raakt het me als iemand zegt: ‘Ik kom niet meer terug. Er is geen tijd meer.’ Of ‘Ik verhuis.’ Of ‘Het valt niet meer te combineren.’

Soms zie ik collega’s overladen worden met cadeaus. Zelf ben ik geen leerkracht die dat uitlokt. Een zelfgemaakte kaart, een leuke kop met koffie, een doos chocolaatjes en een sleutelhanger. Meer was de buit dit schooljaar niet. Daar gaat het eigenlijk helemaal niet om. Meer plezier heb ik aan bijvoorbeeld dit: zaterdag reden een oud-collega en mijn directeur naar de première van een kortfilm. We reden helemaal naar Mechelen voor film van twaalf minuten. Een oud-leerling liet zijn eindwerk zien. Vijf jaar geleden studeerde hij in onze academie af. Ik leerde hem kennen als elfjarige. En nu zoveel jaren later, stond hij daar. In een sfeervol zaaltje sprak hij het publiek toe en toonde zijn film.  Het was prachtig! Zelf heb ik geen enkele verdienste aan die film. Behalve dan mijn kleine financiële duwtje in de rug via crowdfunding. Maar ik gloeide van trots en ik liet stiekem een traan. Als er ook maar een ietsjepietsje uit mijn lessen via die oud-leerling in de film is gekropen, zegt dat meer dan om het even welk cadeau. Ooit een eigenzinnig kind, nu volledig klaar die volwassen artistieke wereld in te duiken.

Dàt is ons hoogste privilege als leerkracht (niet onze jaarlijkse vakantie): zien dat alles terechtkomt en meer. Dat leerlingen uitgroeien tot stevige schone gewortelde bomen. Dat ze de wereld mooier maken. Dat ze zachte harten als het mijne kunnen raken. Dat neem ik na 30 juni met mij mee. Keer op keer.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 29/06/18)


maandag 25 juni 2018

TINE ZIET (123): Slot


Gisteren hadden mijn buren zichzelf buitengesloten. Ze wonen al een paar maanden naast me en nog nooit zeiden we iets tegen elkaar. Niet dat ik het nog niet probeerde. Ik gaf hen tulpen om hen welkom te heten met daarbij een kaart, maar doordat ze de deur maar niet voor me wilden openen, kwam er geen persoonlijk contact. Ik legde het boeketje voor de deur en weet het aan andere culturen.

Maar nu moest het dus. De buurman sprak me in zijn wanhoop aan in een taal die hem niet zo vertrouwd was en vroeg om een schroevendraaier. Die haalde ik natuurlijk. Uiteindelijk gaf ik hem ook een haarspeld omdat ik een truuk had gezien op televisie. Ik gaf hem mijn gsm om daarmee te bellen naar de eigenaar van de woning. Ik zocht een slotenmaker op en belde hem op. Ik sprak voorbijlopende buren aan met de vraag naar een ladder. Ik liet de buurman en een vriend die was opgetrommeld binnen in mijn woning om via het platform een toegang te forceren door een raam dat uiteindelijk toch niet gesloten was. Terwijl de buurvrouw met haar vier jonge kinderen wanhopig aan de voordeur stond te wachten, probeerde ik haar thee, koffie en water aan te bieden. Ik kwam ook met een schaaltje druiven. Het wachten bleef maar duren en de kinderen werden ongedurig.  De vrouw weigerde alles wat ik haar aanbood. Ze bleef maar vragen of het nu al gelukt was. De man wou in zijn wanhoop zijn voordeur beschadigen. Het raam stukmaken. Ik zei hem dat dit meer zou kosten dan het betalen van een slotenmaker. Toen het uiteindelijk gelukt was via het badkamerraampje, klopte hij bij me aan om te zeggen dat het opgelost was. Daarna sloot ik mijn eigen deur en at wat druiven.

Ik geloof dat hun ongeluk ons wel even bij elkaar bracht maar dat we hierna niet opeens wel veel gaan praten. Soms zou ik dat wel willen. Als kind was ik een fervente kijker van ‘Buren’ en droomde er als bewoner van een alleenstaande woning van om ook net zoals in de soap bij elkaar te kunnen aankloppen als je daar zin in had. Vrienden die in een wijk woonden, deden dat ook. Ze lieten zelfs de achterdeur voor elkaar open. Sinds ik hier woon, stel ik me wel meer open. Maar sinds ik buren heb, ben ik eenmaal thuis gesloten.



(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 22/06/18)

maandag 18 juni 2018

TINE ZIET (122): Beet


Elk jaar nemen ze me in de maling. Elke zomer voel ik me een of andere hoofdprijs: dekselse insecten nemen mij dan ook behoorlijk beet. Alhoewel dat het tot nu toe eigenlijk wel meeviel. Zondag paste ik opeens in geen enkele schoen meer. Een reusachtige geïnfecteerde bult op mijn wreef zorgde er bijgevolg voor dat ik noodgedwongen thuisbleef. Meer nog: het snode rode heuveltje kluisterde me eigenlijk ook aan bed. Al is dat natuurlijk overdreven. Blootvoets in huis kan zonder enig probleem. Maar omdat dit zo hard gejeukt had ’s nachts, had ik amper geslapen en was ik hondsmoe. Een dagje platte rust: het doet een mens vaak goed. Met de ramen open hoorde ik mooie flarden zomer. Dankzij die spin of mug deed ik nog eens aan bingewatchen en sliep gaten in deze lentevolle dag. Ik zou Moeder Natuur dus eigenlijk op mijn blote knieën moeten bedanken.  Zonder haar was ik deze week wellicht ingevlogen met een lege batterij.  Dat ik die later die avond toch op mijn pantoffels naar de frituur gleed: wie kan dat wat schelen? Wordt dat in mijn stad nog opgemerkt, eigenlijk?

Nu, om me troosten voel ik me vaak een dromerig personage in mijn eigen fantasieroman. Natuurlijk had ik niets liever gehad dat één of andere prins me was komen schaken naar zijn luchtkasteel . Zolang ik mijn muiltjes maar in de kast mocht laten, zou ik me voorbeeldig gedragen. Een lome zondag doorbrengend in zijn prinselijke hangmat terwijl hij vruchten in mijn mond propte of koelte toewuifde, was precies iets dat op dat lijf van mij geschreven was. Zucht, die prinsen willen na die jaren maar niet bijten. En als ze al durven bijten, bijten ze vaak op het verkeerde moment. Op een moment waarop ik op hen gebeten ben.  In feite zijn insecten geniepige prinsen, zo moet ik het maar eens zien. Ze houden me soms in mijn toren gevangen en als ze me bijten, is het toch hun manier van zoemend gaarne zien. Trouwens, wie droomt er deze dagen nog van prinsen? Zijn dat nog echte hartelijke helden? Ik moet mijn fantasiebeeld dringend eens van een update voorzien. Dat er dan een tijd van lang en gelukkig is. Misschien.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 15/06/18)

woensdag 13 juni 2018

Zomerproject: Buurtturen



Vorige zomer zette Tine Moniek eigen lof in de kijker. Het jaar daarvoor de bloemen. Deze zomer komt ze weer op bezoek met een loftrompet. En dit keer: retteketet met een hommage aan je buurt!

Dit idee vloeit voort uit de specifieke vraag uit de Parkstraat vorig jaar om voor hun straatfeest twee gedichten te schrijven, de raamgedichten voor Reckebilck, de fijne buurtervaring in de Serafijnstraat en het algemeen succes van Dag van de Buren, gevelbankjes... Er is in deze tijden hoge nood aan een steviger buurtgevoel.

Zoals de trouwe fans weten, is het 39-jarige levensjaar van Tine, het jaar van de uitdagingen. Ze klaagt vaak dat ze haar buren niet kent. Op zondag 24 juni daagt ze zichzelf uit om minstens twee stoelen buiten te zetten. Eén voor haar en één voor wie naast haar wil komen zitten. Het lijkt heel simpel, maar simpel is het niet. Kom haar gerust gezelschap houden, breng een stoel en eventueel je eigen drankje mee. Kom haar straatgedicht voor Lilium lezen en leer samen met haar haar buurt nog beter kennen.

Deze zomer daagt ze jullie uit hetzelfde te doen! Nodig Tine uit om samen voor je huis te zitten, met minstens 1 extra stoel erbij. Tuur naar je buurt en geraak aan de babbel. Na dit event, schrijft Tine een gedicht, waarin ze zich inspireert op wat er te zien en te beleven was. Ze wil dat (net als vorig jaar) op je raam komen schrijven, maar kan eventueel ook voor een papieren versie zorgen, die je als affiche op je raam kan kleven, indien je liever iets blijvends wil.

 Let wel: het gedicht krijg je deze keer dus later.

 Dit project loopt weer een hele ruime zomer (van eind juni t.e.m. september). Niet alleen in Menen. Het moet alleen te regelen zijn qua vervoer. Wees er als de kippen bij om samen met Tine naar je buurt te turen. En andere uitdagingen kunnen er gerust nog bij

maandag 11 juni 2018

TINE ZIET (121): Blok aan het been


Dit weekend vertoefde ik op een berg in de Vlaamse Ardennen. Dit tussen familie, avontuurlijke parcours, geiten, varkens en fraaie vergezichten. Het was er aangenaam verpozen. De avonturen liet ik aan mij voorbijgaan. Ik genoot des te meer van de familie en het verkwikkend uitzicht. Toen ik met mijn moeder naar de bestemming reed, waanden we ons in het buitenland. Smalle wegen, prachtige bomen en een idyllische omgeving. Veel meer is er niet nodig voor een vakantiegevoel. Iedereen was vrolijk en ontspannen. Even zorgeloos en vrij van tijdsdruk. Misschien was het een van de laatste keren dat dit kon met iedereen erbij. Dat leest somberder dan ik het bedoel. Ik heb het niet zozeer over een naderende dood, maar over de onbekommerde neefjes en nichtjes die over enkele jaren gewoon thuis zullen moeten blijven om te studeren in plaats van een deadride te maken, gezellig te blijven plakken bij een barbecue of samen te chillen in de jacuzzi.

Als ik aan mezelf als student denk, kan ik alleen maar bekennen dat ik het niet zo zwaar had. Mijn cursussen waren behapbaar. Ik moest vooral energie steken in het onthouden van tekst en van bewegingen. Ik leerde doordeweeks in het park met een zak wortelen naast me. Of in mijn kamer. Ik kan me zelfs niet herinneren dat ik thuis studeerde in het weekend. Met mijn conservatoriumopleiding had ik dan ook geen zware studie. Toch niet op theoretisch gebied. Leren hoe de kunstenaarswereld en hoe ik daarin in elkaar zat was ook een hele turf. Het vergde alleen geen uren blokvertier. Wel kreeg ik minstens evenveel deksels op mijn neus en moest investeren in venijnige levenslessen.

De examenperiode is traditioneel aangevat en is niet voor niets een blok aan het been. Mag ik de studenten allen veel succes toewensen? Dat ze mogen uitkijken naar een vergezicht met avonturen waar nog zorgeloos genieten kan. Met familie en vrienden. Dat ze de bomen door het bos mogen blijven zien. Als het een magere troost mag wezen: veel is er niet nodig voor een instant vakantiegevoel. Zon. Bomen. Bloemen. Landschap. En mensen om je heen waarbij je spontaan jezelf mag zijn.  

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 08/06/18)

dinsdag 5 juni 2018

Lilium kijkt haar ogen uit:

Johan Tahon maakte een kunstwerk voor elke inwoner van Menen. Lilium is gratis in het Cultureel Centrum op te halen. In mijn wekelijkse rubriek in KW Kortrijk Menen opperde ik dat we een speciale plaats aan haar kunnen geven. Vandaag gaf ik haar een plekje, dat bij de geschiedenis van mijn straat past: aan het raam.

Blijkbaar was ik de enige inwoner van de Koningstraat die tot nu toe haar kunstwerk ging ophalen. Daar moest ik toch iets aan doen? Nu staat ze voor iedereen in een stolpje te kijk. Want ,ja, ze is wat wankel. Zeker met een raamkat in huis. 

Speciaal voor haar kocht ik bloemen en schreef dit kersverse raamgedicht over mijn straat:




Lilium kijk haar ogen uit:

Naast haar ratelen kinderwagens,
piepen fietsen, wordt verhuisd,
zwalpt het laatste glas naar huis.

Er wordt gehuppeld. Honderduit.
Geroddeld en gewacht op mooier haar.
Er wordt vaak schuifelend geschoven.

Men spreekt hier elke taal
die er voor handen is
met woorden en met daden.

Men werkt, men brult, men huilt.
Dit is de koning der levensechte straten.
Lilium kan het verwonderen niet laten. 






zondag 3 juni 2018

TINE ZIET (120): Wantrouwen


Het leven deelt soms wat klappen uit. Maar heel soms ook een bosje pioenen. Daarover wil ik het deze week hebben. In een tijd waarin we opeens beseffen dat privacy toch belangrijk is. Dat we onszelf moeten beschermen. Als mens. Als vrouw. Als levend wezen, kan ik niets anders dan onderstaande gebeurtenis met mijn lezers delen.

Maandag kreeg ik een mailtje van een voor mij onbekende man. Hij maakte zich bekend als tweeënzeventigjarige lezer van mijn blog. Hij zag me meer dan twaalf jaar geleden optreden en is me daarna beginnen volgen. Hij leest alles wat ik online publiceer en kent bijna alle projecten die ik in al die jaren heb bedacht. Nu wou hij me uitdagen tot iets simpels. Hij wou me voor al mijn schrijven bedanken. Dit met een ruiker pioenen uit zijn eigen tuin. Hij zou ze me zelf komen overhandigen. Aan de drempel. Hij daagde me uit tot het aanvaarden van dit boeket van een wildvreemde.  Ik zag er weinig graten in, moet ik bekennen. Wie mijn naam intikt, ziet al heel snel waar ik woon of hoe mij te bereiken. Maar toen ik gisteren op sociale media iets loste over dit bijzonder verzoek, zag ik toch heel wat mensen steigeren. ‘Je spreekt toch af op neutraal terrein?’ ‘Je zorgt toch voor gezelschap?’ ‘Wat eng!’ ‘Je mag dit niet vertrouwen… niets voor niets…’

En ik bedacht hoe dubbel dat dat is. We plaatsen foto’s van onze kinderen, onze huisdieren, onze lieven, onze tuin, onze nieuwe badkamer online, maar zijn op onze hoede voor echte bloemen van een ander. Natuurlijk had ik wel een voorgevoel dat de man geen slechte bedoelingen had met zijn voorstel. Ik ben hem niet gaan napluizen en wachtte hem dinsdag op vol pioenverlangen. Twee ruikers had hij voor me mee en een mesje om ze schuin af te snijden. Hij vulde mijn vazen en weigerde de koffie. Twee uur had hij voor mij gereden en ging dan maar weer. De zoete geur van pioenen achterlatend.  Hij weet het vast niet, maar zal het nu ongetwijfeld lezen, ik ben hierna gaan huilen. Eerlijk waar. Omdat dit me leerde dat spontaan vertrouwen op wildvreemden zoveel schoner kan zijn, dan bouwen op wie je denkt te kennen. Wantrouwen vult geen vaas en bovenal: er is nog zoveel goedheid te verkennen.



(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 01/06/18)

maandag 28 mei 2018

TINE ZIET (119): Lilium

Tot mijn grote verrassing las ik vorige week in deze krant dat ook ik als inwoner van Menen een kunstwerk van ereburger Johan Tahon in huis kan halen. Gratis en voor niks in ons Cultureel Centrum te vinden. Helaas hoorde ik ook al dat het nog even wachten is, voor ik Lilium een plekje kan geven in mijn huis, want blijkbaar is de eerste lading al op. Dat doet me eigenlijk wel een groot plezier. Dat wil namelijk zeggen dat mensen nog wel degelijk kunst in huis halen. Zelf heb ik wel wat schilderijen en foto’s aan mijn muren hangen, maar eerlijk is eerlijk: veel geld heb ik daar niet aan besteed. Ik vind het wel altijd indrukwekkend om échte kunst bij iemand thuis of in de wachtkamer te zien. Ooit neem ik misschien een grotere hap uit mijn financieel budget. Liever besteed ik dat nu aan een museumbezoek of een goed boek.  Het meisje dat Tahon aan onze stad heeft geschonken lijkt een eenvoudig traktaat.  Niets is natuurlijk minder waar. Ze houdt ons bezig. Ik vraag me bijvoorbeeld af waar Lilium een plek zal krijgen. In mijn eigen huis, maar ook bij U. Staat ze op uw dressoir? Of op uw nachtkastje? Of eindigt ze ongeopend in een lade als een of ander verzamelobject? Krijgt ze een plekje onder een stolpje? Wordt ze dagelijks omvergestoten door de kat? Met andere worden: wat krijgt Lilium te zien van onze stad? Het zou mooi zijn moesten we allemaal massaal ons exemplaar fotograferen en deze foto’s met elkaar gaan delen. Dan zien we allemaal kleine stukjes Menen. Heerlijk experiment lijkt me dat!

Zelf ben ik er nog niet uit waar ik Lilium ga plaatsen. Ze wandelt nog voorzichtig in gedachten. Ik gok op een of andere hoogte want ik heb zo’n avontuurlijke knabbelkat. Of misschien in mijn slaapkamer waar ze toch dichter bij mijn dromen is. Of in mijn werkkamer als lieve lichte muze. Wellicht moet ik toch weer wat opruimen alvorens ze een plek wordt toegewezen, want het zou toch ook mooi zijn dat ze ook door het bezoek wordt opgemerkt. Kunst is mooier als het wordt gedeeld. En zo krijgt haar bestemming weer een extra doel. Zou ze dat voelen, dat ook al is ze gratis, sommigen echt wel moeite voor haar doen? 


(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 25/05/18)

dinsdag 22 mei 2018

TINE ZIET (118): Gevoelens


Vrijdagavond was ik voor een vernissage in de Kazematten in Ieper. Toen het half acht was, bedacht ik dat ik de Last Post eigenlijk nog nooit bewust had meegemaakt. Als kind wel eens op Bosklassen, herinner ik me. Nog nooit met het volwassen besef dat ik nu soms heb. Ik besloot er dus naartoe te gaan en stond er in een grote mensenzee van bliepjes. Ik kon eigenlijk niets zien van de hele ceremonie. Behalve dan als ik op de schermpjes van de omhooggestoken mobieltjes keek. Het was geen dagdagelijkse Last Post. Er was een fanfare. Er waren allerlei afgevaardigden. Er was een doedelzak. Een kort gedicht. En eerlijk waar: het greep me bij de keel. Meer dan ik eigenlijk van mezelf had verwacht. Toen de Last Post werd geblazen, liepen de tranen over mijn wangen. Is dat dat volwassen besef? Dat je meer wordt geraakt? Wordt een vel dunner met de jaren? Indien dat zo is, dan lucht het mij in feite op. Nog niet zo lang geleden dacht ik nog dat bitterheid mijn deel zou zijn bij het kweken van grijs haar. Dat eelt een laag zou leggen op gevoel.  Maar misschien heb ik het vooralsnog mis. Misschien valt gewoon niet te voorspellen hoe huid als bejaarde is.

Donderdag ga ik normaal voor het eerst naar een woonzorgcentrum in Izegem. Een vriendin van mij begeleidt daar een Contactkoor. In een Contactkoor zing je samen met mensen die dement zijn. Samen zingen kan ze uit hun isolement halen. Het lijkt me heel erg confronterend om te doen. Voorspellen kan ik niet goed. Maar ik weet nu al dat dit me ook weer week zal maken. Ik zal beslist ook ervaren wat samen zingen met de huid van de bewoners van het woonzorgcentrum zal doen. 
Wellicht verschilt dit ook van mens tot mens en is dit niet te voorspellen aan de hand van levensjaren.

Ik denk nu aan een jongen die ik zag vrijdag bij de Menenpoort. De kauwbewegingen van zijn kaken verklapten me dat hij een grote kauwgum in zijn mond had. Hij stond er onverschillig bij te kijken en haalde zijn schouders op. Zo was ik wellicht ook op zijn leeftijd. Alhoewel. Maar ik hoop zo hard dat hij eens terugkomt later en zal schrikken van een eigen traan en dat hij ooit mag ervaren dat zelfs een ver verleden haartjes op het lichaam overeind kan laten staan.



(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 18/05/18)



vrijdag 18 mei 2018

Mijn eerste keer zingen in een contactkoor


Gisteren reed ik naar ’t Pandje in Izegem. Dat is een woonzorgcentrum voor chronisch zorgbehoevenden. Vriendin Anneloor is daar muziektherapeute. Haar job bestaat eruit om via muziek contact te maken met te bewoners. Meestal gebeurt dat in individuele sessies of in kleine groepjes. Zelfs op het sterfbed maakte ze voor de bewoners muziek. Eén keer per maand dirigeert ze daar het contactkoor “De Pandomientjes”. Een contactkoor is een koor waarin dementerenden samen met familie, personeelsleden en vrijwilligers zingen. Via het zingen van liedjes worden de bewoners uit hun isolement gehaald. Muziek is een fijne manier om terug te reizen naar een tijd waarin nog herinneringen aanwezig zijn. Anneloor nodigde me uit om eens naar een repetitie te komen en uit volle borst mee te zingen.

Ik arriveerde als derde in de cafetaria. Pianist Luc was druk bezig om alle slagwerkinstrumenten uit te stallen. Er was al een vrijwilliger aanwezig die altijd aanwezig is. Het personeel begeleidde een dertigtal bewoners naar de zaal. Veel looprekjes en rolstoelen, maar er was plaats voor iedereen. We waren uiteindelijk met een veertigtal zangers. De koekjes en de flessen Elixir werden op de toog gezet en de zangstonde kon beginnen. De bewoners kozen de liedjes. Van ‘Que sera sera’ naar ‘Le plus beau tango du monde’. Ik kende niet alle liedjes, maar dat bleek niet erg. Ik zong mee. Zo goed ik kon. Ik hielp pagina’s omdraaien en praatte af en toe met mijn olijke buurman, die verkondigde dat hij een supergoede zangstem had, maar na enkele liedjes toegaf dat zijn gehele familie veel beter kon zingen dan hij. 

Het was natuurlijk aandoenlijk. Sommige mensen reageerden amper, maar werden dan enkele zinnen ‘wakker’. Er werden zelfs enkele danspasjes gezet. Soms moesten mensen worden getroost. Voor de pauze kwam een inwonende pater aan het woord. Hij vertelde over oorlogsliedjes. Hij zong er eentje uit de eerste Wereldoorlog en twee uit de tweede Wereldoorlog. Het was opmerkelijk dat die liedjes ook meteen werden meegezongen. Ik kende er zelfs eentje van! ‘Wie heeft er suiker in de erwtensoep gedaan?’ Daarna was het tijd voor een klein Elixierke en een koekje. Mijn eerste Elixer ooit trouwens!

Na de pauze werden nog een viertal liedjes gezongen. De zangstonde werd afgesloten met een vaarwellied. En daarna werden de bewoners weer naar hun leefgroep gebracht. Ik hielp en kon zo een blik werpen op het woonzorgcentrum. De fijne kappershoek. Ruime kamers. Grote ramen. Ik hielp de cafetaria terug op orde zetten en babbelde nog kort even na. Een mooie ervaring! Ik merkte wel al dat ik me wellicht teveel zou gaan hechten, mocht ik daar maandelijks naartoe gaan. 
Het lijkt me een fijne plek om zachtjes te gaan. Maar bovenal lijkt het beroep van Anneloor een heerlijk lichtpunt in een wegdeemsterend bestaan.

maandag 14 mei 2018

TINE ZIET (117): Moederdag

Zondag vierden wij onze moeder. Omdat ze er na zeventig jaren nog is. We deden dat in de grote tuin van mijn broer.  Hij had er vlagjes opgehangen. Er was dessertbuffet. Maar bovenal was er mijn moeder die eigenlijk niet graag in de belangstelling staat. Nu wou ze het toch zelf dat feest. Wellicht omdat ze zelf gewoon blij is dat ze ondanks haar medisch dossier nog leeft. Dit was voor haar haar ‘moederdag’. Nu zondag hoeft er niets. We waren met z’n allen samen met tantes en ooms en dat was wat ze wou. Natuurlijk was ze ook blij met de orchidee, de ruiker bloemen, de cadeaubon en de tekst die de kleinkinderen lazen, maar meer uit de winkel hoeven we voor haar niet meer te halen.

Het spijt me, lieve zelfstandigen. Vergeef mij, winkelketens: ik doe met die commerciële opdringerigheid niet mee. ‘Vergeet de moeders niet!’ las ik al te vaak de voorbije dagen. Hoe komt men erbij dat wij hen zouden vergeten? Wekelijks ga ik bij haar op bezoek. Ik geef het toe: ik koop te weinig cadeaus voor haar, maar zit liefde nu echt in een cadeau? De dag dat ik mijn moeder ben vergeten, ben ik er zelf niet meer. Nu ik ben er mij terdege van bewust: er zijn wellicht wel kinderen die hun eigen ouders vergeten. Maar of zij dan die tekst in het uitstalraam gaan lezen en denken: ‘Ach, laat ik maar eens een ruikertje rozen doen voor mama!’ betwijfel ik ten zeerste. Daarna vieren uw etalages weer een vader om daarna weer in de koopjesperiode te belanden. Ik neem het u niet kwalijk, u volgt ook alleen de maat van de koopseizoenen. Misschien is het een idee om ook voor tantes en nonkels zo’n dag te organiseren. Voor singles. Voor kippetjes net als ik zo zonder kuikens en zonder haan. Voor wezen. Voor transgenders. Voor eenbenigen. Voor mensen met een bril. Voor bedlegerigen. Zo zouden er nog meer dagen zijn waarop u extra kan verdienen. Dat gun ik U. Want u verdient toch ook gewoon uw brood.

Op elke dag past wel een feestje. Vandaag bijvoorbeeld vier ik met een extra schepje honing mijn eerste zomerse insectenbeet! Al jeukt het wat in mij: driewerf hoera! Jochei! Maar zolang ik leef, shop ik een beetje zoals mijn moeder: met mate.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 11/05/18)


maandag 7 mei 2018

TINE ZIET (116): Blootje


Deze dagen loop ik mezelf weer wat voorbij met een teveel aan activiteiten. Het is druk op het werk en in mijn hoofd en bovenal zijn er gewoonweg veel te veel leuke activiteiten gepland met mijn familie en in mijn stad. Daardoor komt het dat ik soms niet op mezelf lijk. Daardoor komt het ook dat ik gisteren in de broodjeszaak een ‘blootje’ bestelde in plaats van een broodje. Een ‘blootje tropico’. Met rode wangen verliet ik haastig de zaak en ik bedacht dat mijn verspreking misschien ook niet zo toevallig was. Misschien snakte ik naast het gewone broodje ook naar een tropisch eiland waar ik schaamteloos kan ontspannen. We hadden de zon even op haar hoogtepunt, ze verdween en liet een lightversie van zichzelf achter om ons aan op te laden. We hebben het weer koud, de benen worden weer bedekt en we jammeren weer in plaats van ons gewillig uit te strekken in het groene van het gras. Verlangen we niet allemaal stiekem naar een ‘blootje tropico’?

Terwijl ik dit schrijf vallen regendruppels uit de lucht. Ik hoor het water kletteren tegen mijn ruit en ik zit op mijn eigen eiland in mijn huis. De avond valt. De kat snort naast me en wiebelt een klein beetje vervaarlijk met haar staart als ik haar aai. Op mijn hoede ben ik en ik geef het toe: ik denk al vaag aan morgen en wat er van me zal worden verwacht. Ik geniet nog van de rust die me vandaag nog gegund is. Straks ga ik dobberen in een zee van de meest bizarre dromen. Dat weet ik nu al, zo gaat het al jaren. Wie eens vrijwillig wil figureren in mijn nachtelijk onderbewustzijn mag gerust auditie komen doen. Maar kom dan achteraf niet bij mij klagen over welke rol je daar werd toebedeeld. In mijn dromen loopt er werkelijk niets gesmeerd.

Wat een bekentenissen hier! Eigenlijk zet ik me wekelijks voor jullie in mijn blootje bedenk ik hier aangekleed. Ik bepaal alleen welk stukje ik van mezelf laat zien. Wie niet kijken wil, hoeft me niet te lezen. Dat ik tot deze dit stukje kom dankzij een doodgewoon verstrooid belegd broodje met ananas, kaas, cocktailsaus en hesp. Nu ben ik natuurlijk heel erg nieuwsgierig naar wat een ‘blootje préparé’ in mijn hoofd zal doen.  Ik hou jullie vanzelfsprekend op de hoogte!

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 04/05/18)

zondag 29 april 2018

TINE ZIET (115): Bellen


Vrijdagochtend om 6u weerklonk mijn deurbel. Geschrokken lag ik in mijn bed. Wie zou mij op dit ontiegelijk uur durven wakker bellen? Er viel niets op heterdaad te betrappen en mijn auto stond gewoon op de normale plaats geparkeerd.  In plaats van heel snel op te staan en de deur te openen, bleef ik maar malen. Er was helemaal geen reden om mij zo bruusk te wekken, dus er was ook geen reden om halsoverkop en niet volledig wakker in slaapkleed de trap af te stuntelen. Als de beller nog een keer zou drukken, dan was dat misschien wel een reden om op te staan. Een tweede keer bleef uit, dus snoezelde ik weer lichtjes in. Een groot uur later drukte ik op mijn eigen bel en hoorde niets. Wellicht weerklonk ergens in mijn straat een ander belgeluid. Zo gaat dat met kleine huizen en draadloze bellen. Zo deed ik ooit de deur open en zag de beller drie huizen verder van het mijne staan. De huizen in mijn straat zijn niet riant. Ze leunen en steunen tegen elkaar aan. Je kan je buur hier horen snurken. Je kan als het ware een kastdeur horen slaan. De bellen slaan er dus soms tilt en toch, woon ik hier graag.

Natuurlijk leunen en steunen alleen de huizen op elkaar. Bewoners doen dat eigenlijk niet. Daarvoor wonen sommigen hier te kort. We zwaaien of knikken wel even. Of zelfs dat niet. We gaan in ons huis en sluiten ons af. Maar eens binnen gaan alle remmen eigenlijk los. We horen elkaar afwassen. Op ons koertje voeren we open en bloot de diepste gesprekken. De geuren van de dampkap dwalen via een open raam een ander huis naar binnen. Mijn buren zingen soms slaapliedjes tegen mijn slaapkamermuur. En als ik op de WC zit, hoor ik de andere buren douchen. Wellicht horen zij ook gewoon soms wat ik op de pot daar zit te doen. We weten elkaars huisnummer. Of er kinderen zijn en of dieren. Maar namen kunnen we enkel raden of leren kennen door een verdwaalde brief of een pakketbezorger die je vraagt om een pakje aan hen te bezorgen. Dan zie je voor het eerst een naam. En tegen dat je de naam van buiten kent, kan er alweer een verhuiswagen voor hun deur staan. En opeens wordt het weer akelig stil. Tot iemand ergens op een belknop drukt. Het liefst oneindig vroeg. En jij je weer door dik en dun omgeven voelt.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 27/04/18)

maandag 23 april 2018

Dingen die ik nog niet deed:


Vrijdag stond ik met primula in de krant voor mijn verjaardagsproject. Wie kan me helpen mijn 331 nieuwe ervaringen te verwezenlijken? Momenteel staat de teller op 31. Dus nog 300 uitdagingen te gaan...


Wat ik bijvoorbeeld al deed? Mezelf in kleine dingen uitdagen.
Zo at ik afgelopen maanden al heel wat dingen die ik eigenlijk nooit durfde te bestellen. Dat lijkt heel onbenullig.Maar als je iets 39 jaar lang niet eet, dan is je smaakpapillenpakket al goed aangepast aan wat je wel eet. Ik liep zonder angst tussen rondvliegende vogels en apen in Artis. Eindelijk zelf de bandendruk van mijn wagen controleren en afstemmen. Op uitnodigingen ingaan die me afschrikken. Mijn eigen gootsteen ontstopt. Mezelf uitdagen even mee te helpen in Wereldtuin in plaats van te niksen in de zon.

Soms overvielen de dingen me onverwacht. Zo kwam ik op de nationale TV als Figurette. Ik sprak er dialect en werd ondertiteld. Zo kon ik een onbekende blinde naar zijn bestemming leiden door hem spontaan mijn hulp aan te bieden. Helaas daagde mijn lijf ook uit tot allerlei vreemde en bizarre ervaringen. Maar daar zal ik nog geen verdere mededelingen over doen. Sommige uitdagingen hou ik ook liever voor mezelf. Omdat ze te persoonlijk zijn. Te bloot. Te veel mij.

Ik werd uitgedaagd om elke dag een kaartje naar een onbekende te schrijven die een oproep had geplaatst in de krant. Ik ging naar de voetbal. Verder onder andere in de steigers: een bezoek aan de abdij van West-Vleteren, een cursus bij het Rode Kruis, de stoeltjeslift op de Rode Berg, iemand met dementie begeleiden tijdens een repetitie van een contactkoor, handwerk, een echte serieuze inzending doen naar een uitgeverij, 2,5 m struikbonen zaaien, kweken en plukken, klimmen, Trammelant en yoga.

Wat ik nog heel graag zou doen: eens zingen op een podium met een echt orkest erbij, poseren voor een schilder, een typisch feest meemaken van een andere cultuur, eens meedraaien op een werkvloer van een ander, mijn buren leren kennen, eens een hele dag voor mijn huis gaan zitten met een lege stoel naast mij en zien wie er naast komt zitten.

Vraag gerust! Ik bijt niet. Alhoewel: misschien zou ik dat ook eens moeten doen, want in een mens deed ik het nog niet eerder.









TINE ZIET (114): Beelden


Wie dit jaar naar Provinciaal Domein De Palingbeek in Ieper gaat, komt er oog in oog te staan met de indrukwekkende installatie ComingWorldRememberMe. 600 000 beeldjes herdenken er 600 000 levens die sneuvelden tijdens de eerste wereldoorlog. Het is een prachtig beeld in het landschap. Wat het extra bijzonder maakt, is dat heel wat mensen de handen in elkaar sloegen. Niet alleen om de beeldjes te maken. Ook om ze te plaatsen. Zo weet ik dat mijn moeder samen met haar Samanavrienden een beeldje maakte en dat leerlingen hielpen om al die beeldjes een plek te geven op het domein. Ik kan dergelijke samenwerkingen wel smaken. Een eerbetoon wordt mooier als het collectief wordt gedragen. Maar het zou natuurlijk zonde zijn, mocht je enkel naar het domein rijden om het kunstwerk te spotten. De Palingbeek is een fantastische omgeving om uit te waaien en je omver te laten blazen door Moeder Natuur.  Zo zag er ik een jongentje dartel door het bos lopen. Hij aarzelde heel even en sprong even later met groot gemak over de beek. Andere kinderen zag ik in bomen klimmen en twee jongetjes kwamen met hun oma controleren of hun zelfgemaakte boot kon varen. Een dochter navigeerde haar vader door een drassig grasveld. Een opa voetbalde vrolijk met zijn kleinkinderen mee. Die beelden uit het heden had ik toch ook niet willen missen. Ze verstillen de drukte en laden me op.

Er vallen me gewoon meer dingen op als ik me op twee benen beweeg. Daarom ben ik zo blij met het fijne wandelweer. Het enige wat me nog altijd niet goed wil lukken, is wandelen in gezelschap. Mijn stappen zijn meestal kleiner en trager dan die van mijn metgezellen. Ik sta voor andere beelden stil. Voor korte afstanden is dat niet zo erg. Ik pas me wel aan. Of de ander. Maar als het over langere wandelingen gaat, durven mijn voeten wel eens te protesteren. Op maandag 23 april wordt er een kroegentocht georganiseerd langs een honderdtal verdwenen cafés in Rekkem.  Het verleden dat werd ingehaald door heden. Hoewel het onderwerp me zeker boeit, ga ik niet mee. In gedachten poets ik mijn wandelschoenen wel op en stap vrolijk mee.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 20/04/18)

maandag 16 april 2018

TINE ZIET (113): Leeuw


Afgelopen week was ik enkele dagen in Amsterdam. Een bezoekje aan Artis hoorde erbij. De olijke tramchauffeur kondigde de halte aan met een oorverdovend gebrul. Voor ons in de wachtrij stond een schattig meisje in een leeuwenpakje. Samen met haar oma kwam ze naar de leeuwen kijken. In de dierentuin stond ik opeens oog in oog met een enthousiaste zeeleeuw die opeens voor mij tegen het glas leek te hangen en me zo vertederend bekeek, dat ik zo de glazen bak was ingedoken, ware het niet dat het wat te koud was voor een duik in de diepte. Daarenboven was ik er toch ook stilletjes van overtuigd dat ook dit niet die soulmate was, die me al mijn hele leven maar niet voor de voeten durft te lopen. Later stond ik ook voor de echte leeuwen die loom leken te soezen. Het volk stond in grote drommen te loeren naar de dieren. Af en toe liet de leeuw zijn gebrul horen over de zoo. Het leek alsof er donder in de lucht hing. Wat een machtig dier, bedacht ik met kippenvel. Niet voor niets de koning van het dierenrijk.

Gisteren zat ik bij mijn moeder. Mijn moeder had de TV en de radio op Parijs-Roubaix staan. Zelf ben ik niet zo’n grote fan van de koers. Toch niet in die mate dat ik de wedstrijd van het begin tot het einde wil volgen. Toen we aan de soep zaten, hoorden we op de radio dat een wielrenner bewegingsloos op de grond lag en aan de toon van de commentator bleek al snel dat de toestand ernstig was. Maar de koers slingerde zijn weg verder over de kasseien. De commentatoren peddelden weer tussen de flauwe woordspelingen en de mateloze hyperbolen. Wij verhuisden om de beelden bij de woorden te zien. Terwijl een helikopter de jonge renner naar het ziekenhuis vloog en men daar uit alle macht probeerde te reanimeren, schudden de lijven van de andere deelnemers in slow motion als drilpudding voor mijn ogen. En zelfs toen het beest Sagan zich over de eindstreep smeet, dacht ik met schrik: Hoe zit het met die andere leeuw? Veel later las ik het: een jonge welp aan het begin van zijn rennersleven, haalde zijn eindmeet veel te snel. En zijn gebrul klonk misschien wat minder luid, maar raakt ons even fel.


(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 13/04/18)

zondag 8 april 2018

TINE ZIET (112): Strik


Donderdag verzamelde zich heel wat volk in Cultuurcentrum De Steiger voor het Okan-project ‘Grenzen’. Vanop de tweede rij zag ik een grote groep enthousiaste jongeren een poëtische voorstelling naar voor brengen. Het waren stuk voor stuk mooie en trotse nieuwkomers. Fier op de voorstelling, op hun afkomst en op de grenzen die ze hadden overgestoken. Die fierheid zie ik graag gepersonaliseerd in de jongen met de blinkende strik, die ons niet alleen stralend welkom heette in onze taal, maar ook nog eens verantwoordelijk was voor de voortreffelijke bediening van het lichtpaneel. Dat ik zelf na jaren oefenen vloekend achter een lichtpaneel ga staan en dat ik het wellicht niet zo makkelijk zou durven om mensen welkom te heten in een andere taal dan mijn moedertaal, heeft daar natuurlijk wel wat mee te maken. Het ging hem toch vooral over de blik en de houding: pure aanstekelijke trots op wat hij had verwezenlijkt.

Zondag zag ik dan weer mijn neefjes en nichtjes. Als geïnteresseerde tante vroeg ik natuurlijk naar hun paasrapport. De resultaten mochten er zijn, maar er werd toch slinks naar hun vader en moeder gekeken. Alsof ze toch voorzichtig moesten zijn voor addertjes onder het gras. De punten waren goed, maar er was meestal wel een ‘maar’ en voor die ‘maar’ moesten ze zich klaarblijkelijk hartgrondig schamen.  Die schaamte personaliseer ik graag in de blik van mijn broer die met zijn wenkbrauwen fronste met daarbij een schouderophalen dat me ook niet vreemd is. Misschien is het wel een familietik, die blik. Maar ik herken die in zoveel mensen om mij heen. Het was goed, maar het kon ook beter. Wel, die blik, zag ik donderdag bij het groeten op het podium op geen enkel gezicht.

We kunnen er met z’n allen van leren. Ik zeg het vaak en het zeg het nog steeds: waar is onze eigen lof gebleven? Waarom zijn wij niet een beetje meer fier op wat we doen, op onze afkomst en onze overwonnen hindernissen? We zouden van die jongeren met zijn allen best nog heel veel kunnen opsteken. Wanneer bevrijden wij ons uit die schaamtehoek? Waarom gunnen wij onszelf niet meer een blinkende strik?

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 06/04/18)

maandag 2 april 2018

TINE ZIET (111): Verhalen


Wat is dat toch met onze hang naar vertellingen? Waarom wordt onze honger naar verhalen nooit gestild? Waarom houden we zo van schone vertelsels in onze oren gestrooid? Afgelopen weekend was een topdag voor mijn drang naar parabels in mijn hoofd.

Zaterdag kon ik waargebeurde verhalen beluisteren in El Greco. Daar vertelden twee tachtigers over hun vroegere job aan de douane. Ze waren geen douaniers geweest, maar wisten heerlijk te vertellen over de tijd waarin De Barakken nog een grenspost was. We hingen gretig aan hun lippen. Ze vertelden ons sappige waarheden, maar eentje maakte ons  tot groot jolijt ook bijna iets wijs.

Daarna kon ik instappen in een verhalenwandeling. Daarin vertelde men verhalen die men had verzonnen, of ergens had gelezen. Dat werd ons niet verteld. Wij lieten ons op sleeptouw nemen. We slorpten de woorden op en namen ze aan voor waar. Dat is de kunst van echte verhalenvertellers natuurlijk. Of de verhalen waar zijn of niet, doet er eigenlijk niet toe. Als ze ons maar raken of verwonderd maken.

Zondagochtend hoorde ik in de boekhandel schrijfster en journaliste Margot Vanderstraeten vertellen over haar tijd waarin ze in dienst kwam bij een Orthodox-Joodse familie. We luisterden met zijn allen gefascineerd want ze wist alles heel goed te verwoorden. Wat niet verwonderlijk is voor een schrijfster.

Mijn weekend werd afgesloten met mijn eerste voetbalwedstrijd ooit. Ik mocht mee in de lounge en mocht er mee aan de supporterstafel schuiven alwaar ik kon genieten van lekker eten, maar vooral ook van persoonlijke verhalen. Zo hoorde ik na de match van een wildvreemde vrouw dat ze de dag daarop binnen moest voor een nieuw spiraaltje. Enkele mannen keken gegeneerd wat in hun pint.

Wat we horen, is niet altijd wat we willen horen, maar we horen zo graag hoe de vork in de steel zit. Of verklaren ons heel erg open en bloot. Zo ook met dit stukje. Ik vertel maar wat maar veel ook niet.
Laat ik afsluiten met het verhaal van een klein meisje dat op een dag zoveel spikkels had dat ze Spikkeltje werd genoemd. Toen de spikkeltjes op een dag verdwenen, is ze altijd Spikkeltje gebleven.


(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 30/03/18)

maandag 26 maart 2018

TINE ZIET (110): Schoolfeest

Het is een eeuwigheid geleden: schoolfeest op de speelplaats of in de turnzaal. Met hoedjes, gietertjes, bretellen, linten. In kartonnen dozen, gekke pakjes, vuilniszakken,…  Ritmisch op muziek van Vangelis. De tong uit de mond. Meestal achteraan, want ik had nooit ambitie of talent om vooraan te staan. Die dansjes kreeg ik nooit echt in mijn hoofd. In het zesde leerjaar haalde ik opgelucht adem: een jaar zonder dansje. We speelden een huwelijksfeest na. Ik was een roddelend dametje aan de de kerk. Kijk, dat vond ik dan wel fijner! Behalve dan dat het samen met de jongens was. Het eerste gemengde schoolfeest na de parasolletjes in het derde kleuterklasje. Wat ik me nog heel goed herinner: zakjes popcorn, zoethoutstokken en onbenullige prutspakjes vissen in de visput.

Op heel veel lagere scholen is de tijd van het schoolfeest aangebroken. Ik hoorde van schoolfeesten waar ouders geen plaats meer hadden om hun eigen kind te zien dansen omdat alle tickets al waren opgekocht door grote en snellere families. Het gebrek aan plaatsen werd gecompenseerd met een uitnodiging aan de generale repetitie.  Op zich wel een beetje jammer natuurlijk. Je wil je zoon of je dochter natuurlijk in het echt zien blinken.

Voor mij is het jaren geleden dat ik nog eens op een schoolfeest was. Dit jaar hoorde ik van mijn leerlingen in Moorsele dat ze een musical gingen opvoeren. Heel veel leerlingen hadden een sprekende rol en omdat ik twee uur zonder leerlingen zat, omdat ze allemaal deelnamen aan de voorstelling, ben ik gaan kijken. De leerlingen die geen sprekende rol hadden, zongen en/of dansten. Twee uur lang spektakel! Toen het slotlied weerklonk, schrok ik van de hoeveelheid leerlingen op dat podium. Wat knap om zoiets in elkaar te steken! De juffen en meesters hadden hiervoor lessen moeten missen. Ze hadden flexibel met hun uren moeten zijn. Er was getimmerd en genaaid. Er was geregisseerd. De dansjes en de liedjes werden gerepeteerd en de sprekende rollen werden regelmatig uit de les gehaald om samen te repeteren. Hoedje af! We zouden het soms vergeten: wat soms heel simpel lijkt, is eigenlijk best straf!


(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 23/03/18)

zondag 25 maart 2018

Mijn eerste voetbalmatch

De oproep om mij uit te dagen voor nieuwe ervaringen in mijn laatste levensjaar voor die verpletterende 40 was nog niet koud, of ik kreeg al een uitnodiging van Ward, joviale supporter van KSV Roeselare. Hij nodigde me uit om met hem mee te gaan naar een voetbalmatch in Schiervelde. Het betrof de match KSV Roeselare tegen AFC Tubize, voor de eerste speldag in de Playoff 3.

In de wagen op weg naar het stadium legde hij me uit dat dit een belangrijke match betrof. Het gaat er  in deze matchen namelijk om om niet te degraderen."Voorlopig moet Roeselare zich nog geen zorgen maken, maar extra winst is meer dan welkom," vertelde hij uit en ik begreep.

Hij had me uitgenodigd met 'eten enal' en ik wist niet zo goed wat ik me daarbij moest voorstellen. Ik had hem voor alle zekerheid toch gevraagd naar de dresscode en hij zei dat ik zo normaal mogelijk moest zijn. Ik liet mijn bloemenjurken dus wijselijk in de kast hangen en trok kledij aan die ik ook aantrek als ik ga werken. Natuurlijk bleken alle vrouwen sjiekere kledij aan te hebben, maar ik liet me er niet door van de wijs brengen.

Bij aankomst in de Lounge134  kregen we een glas cava en er waren lekkere hapjes. Algauw bleek dat dit een speciale gelegenheid betrof. Er werd namelijk afscheid genomen van CEO Johan Plancke die naar KV Oostende vertrekt. Een beetje bijzonder om dit mee te maken als leek. Wat heel opvallend was dat de Chinese zakenvrouw Dai Xiu Li Hawken aanwezig was. Zij bezit niet alleen een flitsende felle automobiel, ook is zij sinds februari 2017 eigenaar van de club.

Ikzelf zat dus met Ward en zijn supportersvrienden aan een lange tafel en kon genieten van heerlijke verfijnde gerechtjes. Terwijl ik kon uitkijken op het voetbalveld, keken de mannen voor mij naar de finale van Gent-Wevelgem.

De kip moest snel gegeten worden, want de bal rolde ineens snel het veld op. Eens op de zitjes was ik eigenlijk wel onder de indruk van de grootte van het voetbalveld. Als je dat alleen van op televisie kent, besef je eigenlijk niet wat voor afstanden die voetballer eigenlijk moeten lopen.Ik werd tussen de vrouwen gezet en algauw werd er wat afgebabbeld. De sfeer was ontspannen en ik had eigenlijk niet door dat de match al 10 minuten bezig was. Uiteindelijk bleek ik niet zo'n leek te zijn, want ik begreep het spel beter dan ik verwacht had. Blijkbaar was er toch veel blijven hangen van de voetbalwedstrijden op televisie in mijn kindertijd. Al vond ik het wel opvallend rustig in de tribune. Rustiger dan in de zetel vroeger met mijn vader. De eerste helft eindigde met 0-0.
  
In de rust kregen wij nog koffie en een heerlijk toetje en ik voelde de sfeer wat grimmiger worden. Het begon er toch wat om te spannen: er moest nu wel een doelpunt gemaakt worden. In de tweede helft fixeerde ik me helemaal op de bal en het spel. Want ik wou natuurlijk dat de ploeg die mij zo gastvrij had ontvangen, zou winnen. Die helft begon mijns inziens aanvallend, maar verzandde uiteindelijk in een wanhopig spelletje met bewegingen die niet mis zouden gestaan hebben in een slapstickfilm. Dit omdat de strijd almaar bitsiger werd. Ook het publiek begon te morren en te roepen.

Helaas bleek het enige echte vuurwerk dat te zien was, de poging tot Bengaals vuurwerk te zijn die in de tribune van Roeselare werd afgevuurd, want de stand bleef onveranderd.  

Na de match werd wat somber nagekaart. Natuurlijk willen supporters dat hun ploeg wint.  Er werd kritiek geleverd op de opstelling van de spelers en de scheidsrechter die gul met gele kaarten had gezwaaid. Intussen lette ik op de kameraadschap, jawel zo durf ik het te noemen, tussen de fans. Terwijl de mannen het vooral over de match hadden, hadden de vrouwen het meestal over andere dingen. Maar er werd vriendschappelijk met elkaar gepraat en werden al plannen gemaakt voor de volgende wedstrijd op Paasmaandag.

Een fijne 'ontmaagding op het voetbalveld' was dit. Al was het natuurlijk leuker geweest als het was geëindigd in een klein feestje. Maar ik begrijp het beter nu, de passie voor wat er gebeurt op een veld. Het draait niet enkel om de bal, het draait ook om dat 'oltegoare'.

  
Bedankt, Ward!

  
Wie me ook eens wil uitnodigen op (voor mij) onbekend terrein, doe gerust! Ik leer er zoveel mee bij.








maandag 19 maart 2018

TINE ZIET (109): Nieuwe openingsuren


Vorige week had ik over de middag een overleg in CC De Steiger. Het was me eigenlijk nog niet eerder opgevallen: de bibliotheek was open en er zat iemand aan de balie. Blijkbaar zijn er al een tijdje nieuwe openingsuren. Terwijl het gebouw al heel lang over de middag gesloten is, schoven de beide deuren eenvoudigweg open.  Nu ja, normaal ga ik over de middag ook niet naar een toneelvoorstelling. Boeken kies ik beter in de namiddag. En vergaderen gaat vlotter met eten achter de kiezen.

Wat me opviel was dat er heel veel jongeren hun middagmaal kwamen verorberen in de zetels op de eerste verdieping. Het is er warm en het zit er gezellig, dus het is natuurlijk goed gezien! Dat jongeren op die manier het gebouw leren kennen, mag misschien raar lijken, het kan een slimme zet zijn. Misschien kunnen ze in de tijd die nodig is om een broodje te verorberen oog hebben voor de affiches aan het prikbord en getriggerd worden voor een of andere voorstelling? In de tijd van het opdrinken van hun flesje fris kunnen ze denken aan een boek dat ze nog willen uitlenen. In de bibliotheek kunnen ze nog snel wat groepswerk verrichten op de computer. Het kan best. Jongeren die hangen, kunnen beter in een huis vol cultuur hangen…

Maar mag ik het toch wat vreemd vinden? Het personeel krijgt op die manier een taak die op die van een strenge studiemeester lijkt.  Een oogje in het zeil houden. Toezicht houden. Ik kan me toch voorstellen dat dit niet tot het oorspronkelijke takenpakket behoorde. Terwijl ik er zat, ruimden ze keurig op. Maar doen ze dat steeds? Als ik aan mijn eigen leerlingen denk, weet ik dat ze lege flesjes opruimen toch wel eens een keer vergeten…

De nieuwe openingsuren zullen natuurlijk niet specifiek voor hongerige jongeren werden aangepast. Ook volwassenen kunnen nu over de middag hun kaartjes reserveren of hun vergeten sjaal ophalen. Ze kunnen over de middag de krant gaan lezen of in alle rust gaan zoeken naar dat ene boek. Nu ja, ik profiteerde ook van het feit dat de deuren openschoven. Ik ging mijn lerarenkaart ophalen, die was ik al enkele maanden helemaal vergeten. Handig hoor!

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 16/03/18)

maandag 12 maart 2018

TINE ZIET (108): Jongeren in beweging


Vorige week verzamelden een honderdtal jongeren van verschillende jeugdverenigingen zich voor het stadhuis om vlak voor de gemeenteraad begon aandacht te vragen voor het lokalenprobleem waarmee ze al zo lang worstelen. Hoewel veel jeugdbewegingen op kamp vertrekken met grote legertenten, soms een eigen toilet uitgraven en warempel nog buiten durven spelen, hebben ze natuurlijk ook veilige lokalen nodig. Dat spreekt voor zich!

Gisteren zag ik per toeval mijn nichtje thuiskomen in haar speelkleren. Het eerste wat ze deed was onder een warme douche springen. Daarna kwam ze in haar ijsbeeronesie vertellen over de activiteit die ze met haar groep had gedaan. Ze kleurde nog rood van de inspanning. Daarna had ze het uitgebreid over de leiding. Ook al woont mijn nicht niet in Menen, ben ik zeker dat ook in Menen, Rekkem en Lauwe, en hopelijk ook in alle andere Vlaamse steden, jongens en meisjes voldaan thuiskomen na enkele uren ravotten in vuile kleren. Ze gloeien na van de grappige namiddag met mekaar. Ze gniffelen om de grapjes van de leiding en ze kijken al reikhalzend uit naar het zomerkamp. Sommigen bedenken al met heel veel vuur hoe ze later ook leidster of leider zullen worden.

We zouden ze in de watten moeten leggen: jongeren die zich wekelijks willen inzetten om fijne activiteiten te bedenken. De jeugd die nog verantwoordelijkheid wil nemen om de schouders onder de wekelijkse werking van een afdeling te zetten. Het zou niet moeten mogen dat ze op de televisie de gaten en de kieren in hun gebouwen moeten tonen.

Natuurlijk was het een mooi en sterk gebaar: al die verschillende uniformen zusterlijk en broederlijk naast elkaar en al die jeugdige aanwezigheid op de gemeenteraad present. Maar naar aandacht hadden ze toch eigenlijk niet moeten smeken? Wie voor de toekomst van onze stad zorgt, zou eigenlijk moeiteloos spontaan moeten worden verwend. Kom nu, ze vragen geen kasteel, geen slotgracht en geen verstevigende muren. Geef ze toch allemaal een fijne stek, waar ze naar hartenlust en veilig kunnen avonturen.



(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 09/03/18)

donderdag 8 maart 2018

Help me wijzer 40 worden!

Een paar zomers terug opende ik mijn blik door op reis te gaan in mijn eigen stad. Inwoners van mijn stad nodigen mij uit. Ik ging werken in de wasserij van Veerkracht 4, vissen, gamen, pietjesbakken, petanque spelen,... En waarlijk: het klopte: die zomer werd ik rijker.

Volgend jaar word ik 40. Op zich geen wereldramp. Maar er zijn nog zoveel dingen niet  verwezenlijkt. Zoveel dingen deed ik nog niet eerder. Help me wijzer 40 worden!

Nodig me eens een dagje uit op je werkvloer, zodat ik eens kan ervaren wat jij elke dag ervaart. Neem me eens mee naar je hobby: dan leer ik weer eens wat anders in dit leven.

Ik schrijf al mijn avonturen op in mijn boek. Van sommige uitdagingen ga ik uitgebreid schrijven op mijn blog. Sommige dingen hou ik misschien liever geheim.

Enkele voorbeelden: ik stond nog nooit model voor een schilder. Ik was nog nooit bij een geboorte. Nooit ging ik met een baby wandelen. Ik heb nog nooit mijn haar groen geverfd. Ik rookte nog niet eerder pijp. Ik ging nog nooit naar een voetbalwedstrijd. Ik liep nog nooit in een carnavalstoet. Ik had nog nooit gelnagels. Ik zong nog nooit eerder met een band. Bedenk dat wat voor jou heel gewoon is, voor mij misschien gewoon heel nieuw is.


Het moet niet allemaal fun en prettig zijn. Het moet alleen haalbaar zijn. Zo liep ik bijvoorbeeld nog nooit een marathon, maar de kans dat ik er een ga lopen is onmogelijk. En ik mag natuurlijk ook om andere redenen weigeren.

Daag me uit en nodig me mee uit!
Ouder worden kan vast ook fijn zijn!


maandag 5 maart 2018

TINE ZIET (107): Koud


Zondag mochten we onze kinnebakken goed inpakken om de carnavalsstoet in onze straten te zien paraderen. Vol bewondering keek ik naar de  pakjes die sommige carnavalsverenigingen aan hadden. De outfits van Les Figurettes zijn best ook wat frisjes om mee in te marcheren, maar daarin zweet ik me altijd een ongeluk, omdat we zo veel bewegen. Vaak bleef het bewegen van de carnavalsgroepen beperkt tot het vooruitstappen, het zwaaien en het stilstaan om na een tiental minuten weer verder te stappen. Je moet het toch maar doen! Is het trouwens geen aanslag op je luchtwegen?

Na de stoet konden wij ons opwarmen aan één of meerdere drankjes. Of we konden ons onder een fleecedekentje voor de open haard gaan wentelen. Ja, het is koud, maar we kunnen er tegen. Er zijn zoveel uitvindingen om ons te verwarmen: verwarming, wollen kledingstukken, warmwaterkruiken, verse soep en versterkende grogs. Veel erger is het natuurlijk als al die middelen niet werken en helemaal rampzalig is het voor wie zich niet zo goed kan beschermen voor de kou.

Vorige week zag ik nog de vele daklozen in Namen gelegen onder karton in de portieken. Hoe houden zij zich warm? Ook in onze stad zijn er ongetwijfeld mensen die zich niet kunnen verwarmen, want alle uitvindingen tegen koude kosten centen. Waar kunnen zij terecht? En hoe zit het met de dieren? Mijn kat plakt deze dagen als het ware op mijn verwarming. Ze knettert tegenwoordig als ik haar aai. Maar hoe zit het met buitendieren? Is de verenjas van vogels voor deze temperaturen gemaakt?  

Waar ik me ook ernstig zorgen over maak zijn sommige eenzamen. Zo kreeg ik gisterenavond extreem wanhopige berichten van een man in mijn stad die naar mijn aandacht wou hengelen via Facebook. Al viste hij expliciet naar warmte. Je moet het maar durven: aan wildvreemde vrouwen vragen of ze je kunnen komen verwarmen. En of ze goed kunnen masseren. Dat je ze wel een warme koffie kunnen aanbieden in ruil. Ik zou de naam van de man in kwestie kunnen kenbaar maken, wie weet verdringen vrouwen zich dan wel voor zijn koffie. Maar zo warm onder zijn billen zal hij het wel niet bedoeld hebben, gok ik.


(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 02/03/18)

donderdag 1 maart 2018

331 x bedankt! 331 uitdagingen!

Het is geen groot geheim als ik hier schrijf dat ik niet vrolijk word van mijn verjaardag. Zeker niet nu ik  gisteren 39 geworden ben. De nakende 40 hangt als een zwaard van Damocles boven mijn gemoed. Al weet ik natuurlijk ook wel dat het niet het einde van de wereld is. Maar alle truukjes zijn goed om er toch maar iets van te maken.

Een bekend truukje van mij is het bedenken van een project. Daarom bedacht ik het grootste project in mijn leven tot nu toe: #39goingto40. Ik telde alle verjaardagswensen die ik kreeg via berichten, kaartjes, telefoontjes,... bij elkaar en besloot om voor elke wens te bedanken met iets bijzonders. Elke wens staat symbool voor een uitdaging in mijn leven.

Elke wens is goed voor iets nieuws. Dat kan iets kleins, iets zots of iets groots worden. Zodat ik als ik straks 40 word, nog rijker zal zijn als mens. Daag me uit! Nodig me uit voor nieuwe dingen. Dingen die ik nog niet ken. Het zal mijn blik verruimen. Neem me een dagje mee naar je werk. Laat me iets doen, wat  ik nooit dacht te doen. Wie weet schrijf ik er een stukje over. 

Ik mag natuurlijk zelf bepalen wat ik wel of niet doe, want het moet een beetje leuk blijven.

Nu volgt tromgeroffel: ik beloof hierbij plechtig om 331 uitdagingen aan te gaan dit levensjaar! Ik zal ze allemaal keurig boekstaven in mijn schrift en er af en toe ook verslag van uitbrengen op mijn blog. 

Wie weet verruimt het soms ook jullie blik...

Bedankt voor de wensen, mensen! 






maandag 26 februari 2018

TINE ZIET (106): Sport


Deze titel zal ongetwijfeld veel lezers in hun vuistje doen gniffelen. Lezers die me kennen toch. Want wat heb ik in hemelsnaam voor zinnigs te vertellen over sport? Sport is voor mij al de Citadel van Namen beklimmen op twee benen. Puffend.  Dat er momenteel Olympische Winterspelen zijn, gaat bijvoorbeeld geheel aan mij voorbij. Dat de karavaan van Vlaamse wielrenners vanaf dit weekend weer door ons land rijdt: ik heb geen enkel idee. Sport. Wat moet ik ermee? Nu ja, ik heb een mooi excuus. Twee zelfs. Ik heb geen televisie en ook geen man die me aan die feiten herinnert. Maar eerlijk waar: als ik een fragment uit een of andere finale in PyeongChang op scherm zie passeren, ben ik wel geneigd tot kijken. En als ik met een fanatieke metgezel aan de kant van de weg zou staan om Greg Van Avermaet aan te moedigen, zou ik natuurlijk uit volle borst meebrullen. Al zou die metgezel wel eventjes Van Avermaet moeten aanwijzen, want na Boonen is er geen enkele wielrenner meer die ik me voor de geest kan halen. Ik word almaar meer een sportbarbaar.

Ik geef het toe: ik schaam me diep. Want sport is niet niets. Het raakt en het gaat door merg en been. Al hou ik vaak meer van de gezichten dan van de resultaten. Huilende mannen bij een overwinning, hoe mooi is dat niet? Nijdige blikken. Gezichten in spanning op de tribune. Ontgoocheling bij een eindstreep. Pijn bij een smerige val. De concentratie voor de finish. Sport is naast dat toonmoment van prestatie toch ook het toppunt van expressie?  En wat sport misschien nog mooier maakt, is het samentroepen. Het en masse roepen. Mijn neefje luisterde gisteren bijvoorbeeld om de zoveel tijd naar de voetbaluitslagen op de radio. Hij ging ze telkens blij gaan meedelen aan zijn vader. Ook al zat zijn favoriete ploeg er niet echt bij. Het is een passie, die ik niet deel, maar soms toch wat benijd. Niets is mooier dan de liefde. Voor een mens, voor een kunst of voor een hobby. Het heet niet voor niets liefhebberij. Wie graag ziet, of het nu een rollende bal is, zwetende mannenkuiten zijn  of heerlijke salto’s op skilatten in de lucht, maakt mij onnoemelijk blij!



(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 23/02/18)

maandag 19 februari 2018

TINE ZIET (105): Lente?


Ook al viel er laatst een wit mager lakentje over onze stad: lente hangt al ongedwongen in de lucht. De hemel kleurt opvallend blauwer. Vogels fluiten luider. Dagen zijn minder donker omdat er meer en langer licht naar binnenvalt. Dat is te merken aan een gezicht, een lijf, een hart. We lopen weer meer gericht met de blik naar boven in plaats van naar de grond. Of is dat slechts schijn? De pessimist in mij, zorgt er gelukkig nog altijd voor dat ik een hondendrol aan mijn zool kan vermijden. Wat liggen er trouwens weer een hele hoop te stinken op het trottoir! Een wandelingetje langs de Benediktinessenstraat is bijvoorbeeld een waar hindernissenparcours! Maar goed, ik wou het over lente hebben. De ontluikende narcissen en krokussen. De eerste echte tulpen in een vaas. Alles lijkt opnieuw te beginnen. Er kan weer van alles naar hartenlust ontstaan. Daarom komt het misschien extra hard aan als iemand dan opeens ophoudt met bestaan.

Als de dagen langer worden, heb ik opeens meer zin om vreemde pasjes te maken op straat. Soms loop ik dan onbekommerd te neuriën. Ik voel me zelf een tulpenbol. Maar dan lees ik weer de nieuwsberichten over diefstal en brandende auto’s.  Een etalage die zomaar wordt ingeslagen. Dan zie ik mezelf weerspiegeld in de etalages van de leegstaande winkelpanden op mijn weg en schud mistroostig mijn hoofd. In een tijd van bloeien, bloeit er momenteel zo weinig in mijn stad.  Schijn bedriegt natuurlijk. Het is nog lang geen lente. Het duurt minstens nog een maand. Maar zou echt alles tegen dan zijn opgeklaard?

De laatste dagen zie ik dikwijls een vrouwtje wandelen door de straten. Ze lacht vrolijk, groet vriendelijk en steekt steevast een duim omhoog. Eigenlijk is dat mooi. Ze lijkt een beetje op de lente, maar dat is natuurlijk ook bedrog.  Er overwintert vast een of andere ziekte in haar die ik met mijn kinderlijke naïviteit niet ken.

Als de zon schijnt, zie ik de dingen nu eenmaal mooier. Dan zie ik wie vertrok, zachtjes drijven in de witte wolken. Dan zie ik mooie dingen broeien achter de luiken van mijn stad. Dan filter ik de schoonste beelden op z’n scherpst.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 16/02/18)

maandag 12 februari 2018

TINE ZIET (104): Stipt


Er wordt veel ingegeven met de paplepel. Een blik in de ogen of een voorkeur voor laat te gaan slapen. Aanleg tot overgewicht en aritmische bewegingen in het bekken. Wat in onze familie jammer genoeg ook zeker in het doorgeefluikje zat, was een altijd en eeuwig te laat komen. Bussen missen, een lege speelplaats overlopen, … Het klinkt mij allemaal heel erg vertrouwd. Gelukkig is dat iets waar je kan aan werken. Het vergt veel, maar het kan lukken om stiptheid toch aan te leren op de duur. Als er deadlines worden gesteld, haal ik die meestal wel. Niet een week op voorhand, maar gewoon stipt.

Toch gebeurt het natuurlijk wel nog eens dat dat ik-kom-te-laat-gen toch de kop opsteekt. Zo moest ik me onlangs inschrijven voor een personeelsfeest waarbij ik vier dagen daarvoor ingeschreven moest zijn. Te laat is te laat, ook al was hier meer sprake van vergeten. Gisteren belandde ik na een betogingsactie van het DKO in Torhout hongerig in een restaurant. De keuken was al een dik kwartier dicht. Gelukkig zag de bazin mijn kwijlende pruillip en bood me een bord dampende spaghetti aan, dat me ongelooflijk smaakte. Ik ben haar daar dankbaar voor. Mezelf kennende had ik me anders volgestouwd met koekjes. Na meer dan twee uur treinen en stappen in de ijzige kou was ik wel toe aan een maaltijd. Ook hier was ik niet echt te laat: ik had geen trein vroeger kunnen halen.

Meestal lukt het me dus. Elke morgen check ik deadlines die ik die dag moet halen. Vandaag zijn dat: dit stukje schrijven, de laatste nieuwjaarswensen schrijven en betalingen verrichten. En het zal me lukken. Behalve dan die nieuwjaarswensen. Ik gok dat het krokusbrieven zullen worden.
Het doet me telkens deugd om een deadline te doorstrepen en te bedenken dat ik het haalde. Ik geef me daar de laatste weken veel schouderklopjes voor. En toch weet ik het zeker: mijn evaluatiefiches zullen pas op tijd klaar zijn, ochtendvergaderingen zal ik nét op het nippertje halen maar voor vakantie ben ik altijd ruim op tijd. In gedachten ga ik al niet meer naar school en hoor mijn directeur zeggen: “Veel te vroeg, Tine, maar dat is goed!”


(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 09/02/18)


maandag 5 februari 2018

TINE ZIET (103); Podium

Afgelopen week was het gedichtenweek. Deze keer lanceerde ik niet een of ander project en schreeuwde de poëzie eens een keertje niet van de daken. Ik doe dat eigenlijk al vaak genoeg. Ik schreef een raamgedicht op mijn eigen raam, schreef op aanvraag maar in alle stilte 11 gedichten voor Residentie Marie Astrid, liet mijn leerlingen gedichten schrijven en gaf een workshop in Roeselare. Nochtans zorgde het thema van dit jaar voor extra feest: theater!

Zonder de befaamde theaterplanken was ik namelijk nooit geworden wie ik nu ben. Ik bloeide er op open en durfde ineens dingen te doen die ik zonder spotlight niet zou doen. Dat is het mooie aan mijn job. Ik kan leerlingen hetzelfde laten ervaren. Zaterdag traden dertig leerlingen van me op in GC ’t Forum. De voorbereidingen en de generale repetitie zijn altijd een beetje doodgaan voor mij. Ik durf dan wel eens te roepen en te panikeren. Maar eenmaal de leerlingen op het podium staan, laat ik ze los. Dit keer was zowaar de allereerste keer in mijn hele juffenbestaan dat ik de voorstelling vanuit de zaal (en niet vanuit de coulissen) en in een ontspannen modus kon gadeslaan. Het deed me deugd de stille bloempjes te zien opengaan. Het deed me plezier om het plezier te zien en hun onvoorwaardelijk enthousiasme. Ook keek ik af en toe eens stiekem naar het publiek dat ook zat te glunderen.  De gezichten van de leerlingen en de ouders waren als het ware stuk voor stuk gedichten die ik graag las. ‘s Avonds ging ik met een vriendin in Wachtebeke luisteren naar gezongen poëzie. Gedichten van Jotie T’Hooft en Arthur Rimbaud waren op muziek gezet door Derek en Renaud. Alweer gedichten op de planken dus.

Zondag zat ik onverwacht in ‘Oorlog en vrede’, het massaspektakel van de Rotary Club in CC De Steiger. Wat ik zag was een mooie samenwerking op de planken. Wat ik hoorde was een bad vol klanken. Decorbouwers, muzikanten, zangers, koor, acteurs en figuranten trokken overduidelijk aan één zeel. En dat kan niet anders dan een poëtisch hart verwarmen. 

Hoogdagen dus voor wie poëzie, net als ik, niet alleen op papier wil lezen maar gewoon wil horen en zien.




(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 02/02/18)

maandag 29 januari 2018

TINE ZIET (102): Tien minuten te vroeg

Vanochtend moest ik in Wervik zijn voor een afspraak in GC ’t Forum. Ik was een tiental minuten te vroeg en besloot die tijd in te vullen met een korte wandeling aan de Leieboorden. Nog niet zo heel lang geleden was ik beslist tien minuten te vroeg op de meeting verschenen want tijd moet vooruitgaan en laat je toch niet door verstilling verspillen?  Toch besloot ik vandaag van die extra tijd gebruik te maken om gewoon naar het water van de Leie te kijken. Ik noemde het in mijn hoofd ‘oplaadtijd’. Het werkte. Even verdween de chaos van de dag met de weerspiegelde bomen in het water.

Er lag een boot aangemeerd. Misschien ligt die er altijd. Dat weet ik niet. Opeens zag ik mezelf al op die boot wonen terwijl ik eigenlijk als de dood ben voor diepte onder mijn voeten. Ik heb nog steeds geen vertrouwen in water en geloof nog altijd niet dat het me gelukkig kan laten wiegen. Mijn gedachten gaan na die jaren in de eerste plaats uit naar spartelen en naar adem happen. Al heb ik me afgelopen zomer meer en meer weer leren drijven. Waarom leek die boot me opeens een heerlijk onderkomen? Was er wat bijzonders aan die boot? Nee. Het was een doodgewone boot. Ik kan me trouwens voorstellen dat ik zeeziek zou worden van het afdalen van de trapjes naar het woongedeelte alleen al. Waarom dan toch stelde ik mezelf voor op dat schip?

Wellicht omdat het me een ideale plek leek om alles wat te ontvluchten. 
De dagen rijgen zich tegenwoordig aaneen in een vliegende vaart. Het jaar is nog maar begonnen en het laat me nu al naar adem happen. Ik zal daarin toch niet de enige zijn? Ik heb natuurlijk gewoon mijn eigen redenen, net als ieder ander. We willen toch met z’n allen meer een plek om tot rust te komen? Een plek waar geen wolven zijn of andere nieuwsfeiten ons de stuipen op het lijf jagen. Of een oord waar de storm niet huis kan houden. Een eiland waar geen tijd bestaat om ons op te laten jagen. Een tijdelijk onderkomen om uit te blazen van al die vliegende vaart.

Gelukkig heeft de natuur en haar schitterende landschappen, als je je erdoor laat verrassen, af en toe zo’n heerlijke plek voor ons bewaard.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 26/01/18)



Gedichtenweek


Op vraag van Residentie Marie Astrid in Menen schreef ik voor de Gedichtenweek 2018 11 gedichten. Geïnspireerd op foto's van de bewoners. Ook kreeg ik enkele kernwoorden die bij de persoon op de foto pasten. 

Uiteindelijk werden het 11 gedichten over ouder worden.  Die gedichten werden in de gang opgehangen tot een gedichtenwandeling. Hier enkele sfeerbeelden als bewijs.