maandag 12 november 2018

TINE ZIET (141): Proeven op Mensen


Gisteren zat ik meer dan 5 uur in de trein. Velen vinden dat een saaie bedoening. Zelf vind ik het dé ideale gelegenheid om nog eens te lezen of schaamteloos mensen af te luisteren. Naast me kwamen 2 mannen zitten. Ze hadden allebei een koffer. Een Limburger en een Nederlander. Dat was goed te horen. Het zou het begin van een mop kunnen zijn: “Er waren eens een Belg en een Nederlander…” Het was algauw duidelijk dat dit geen goeie mop zou worden.

Ze hadden een ruime tijd ‘binnen’ gezeten zo bleek. Het viel me al snel op dat dat om een medische reden was. Beiden hadden meegewerkt aan een medisch experiment. Daarmee hadden ze heel wat geld verdiend. Bovenal hadden ze overduidelijk veel ergernissen gekweekt aan de andere mannelijke proefpersonen, want ze sliepen blijkbaar samen in dezelfde kamer en na meer dan een week waren heel wat irritaties ontstaan. De ene man snurkte behoorlijk. Een ander exemplaar liet alles onder zijn bed slingeren. En weer een andere werd hysterisch bij het aanhoren van een stofzuiger. Maar het eten was lekker. Ze palaverden over nieuwe medische projecten waar ze zich voor konden aanmelden. Ze vonden het allebei vervelend dat er een bepaalde ‘uitwerktijd’ voorzien was. Na een experiment moesten ze zeker een maand wachten om een nieuw experiment aan te gaan. Dat was contractueel vastgelegd.

Eerlijk gezegd had ik er nog niet bij stilgestaan dat medische proefpersonen ook wel degelijk bestaan. Dat hun lijf onder medisch toezicht plaatsen datgene is waar ze hun boterham mee verdienen. De Belg zei dat hij nog wel eens een vrouwtje in zijn bed wou als hij weer thuis zou zijn. Desnoods een plastieken. Hij begon met vrouwtjes te sms’en met de woorden: “Tijger in town!”. Veel reacties kreeg hij niet. Want naast afluisteren, kan ik ook goed bespieden. Toen de Nederlander uitgestapt was, downloadde de Belg Tinder op zijn gsm.

Ik weet het: het zijn mijn zaken niet. Denkt U daar maar eens aan als u in deze grieptijd pillen slikken moet. Iemand testte die, werd ervoor betaald, maar moest in ruil daarvoor wel heel veel missen.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 10/11/18)

maandag 5 november 2018

TINE ZIET (140): Zuinig


Sinds februari laat ik me uitdagen tot allerlei projecten. Vaak zijn dat leuke dingen. Zo maakte ik mijn eerste jurk en kweekte ik een heuse bonenplantage. Niet alles wat ik aanga, is even leuk. Zo daagde iemand me uit om een maand met het leefloon te leven, omdat ze dat ooit zelf had ervaren. Het leefloon was niet doenbaar met mijn vaste kosten, dus besloot ik om mijn vaste kosten te betalen en een maand lang wekelijks met 60 euro zakgeld rond te komen. Ik besloot om dit niet aan te kondigen, zodat anderen er geen rekening mee gingen houden. Ik vertelde het natuurlijk wel aan wie ik tegenkwam.

Meningen waren verdeeld. Sommigen vonden 60 euro best veel. Anderen vonden het belachelijk weinig. Zelf mocht ik ondervinden dat dit best veel is voor eten en drinken, maar heel weinig als je ook naar buiten wilt komen zoals ik doe. Ook bleek het lastig om gezond te blijven eten. Een kant-en-klare lasagne is goedkoper dan de ingrediënten van pakweg een quiche.  Daarnaast blijk ik een luxe-kat te hebben die weigerde om in mijn project mee te stappen. Ik neem het haar niet kwalijk. Ze beet een flinke hap uit mijn wekelijks budget.

De eerste twee weken gingen makkelijk. Zelfs met doktersbezoek en enkele terrasjes. Daarna ging het almaar lastiger. Wellicht omdat ik uitgestelde aankopen toch moest aanschaffen. Dus bleef ik vaker binnen deze maand en als ik toch naar buiten kwam, moest ik me laten trakteren.
Deze uitdaging leerde me meer dan ooit dat wie met een beperkt budget moet leven almaar zorgen heeft. Zo maakte ik me op maandag al zorgen omdat de helft van mijn budget op was. Wie weinig centen heeft, blijft ook meestal binnen. Concerten en voorstellingen kosten veel geld. Zeker als je ook nog een drankje wil drinken. Ik zie mezelf nog twijfelend voor het rek van de tandpasta staan en bedenken of ik dat nu echt wel nodig had.

Een echte dure vogel heb ik mezelf nooit genoemd. Ik ga zelden op reis. Ik koop weinig merkproducten. Maar echt zuinig leef ik dus blijkbaar niet, ook al dacht ik eigenlijk van wel. Een beperkt budget drukt je met de neus op de feiten: er is te veel te koop en te weinig te krijgen.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 03/11/18)

zondag 4 november 2018

Hoe ik ging klussen voor het Goede Doel:

Een tijd geleden kreeg ik de mededeling van Leo dat hij mij wou uitdagen om auto's te komen waxen. Leo verzamelt oude modellen om ze op te knappen. Hij heeft een mooie collectie Suzuki's, Landrovers en dwergauto's. Ik ken hem van jaren terug, maar veel contact hebben we niet. Hij nodigde me uit in de oude hoeve die hij en zijn partner bewonen en beloofde me een caravan om in te slapen. Mijn eerste ooit. Een paar weken voor het afgesproken moment, liet hij me weten dat hij nog wat beters voor me had. Ik zou toch geen auto's hoeven te waxen, maar ik zou moeten klussen in een of ander huis. De moed zakte me in mijn schoenen. Klussen en ik... het is niet eens zo nieuw. Een paar jaar geleden ging ik een dagje klussen bij de renovatie van een appartement met mijn broer. Hij dropte me in oude isolatiewol met hardnekkige uitslag tot gevolg. En binnenkort starten trouwens ook renovatiewerken in mijn huis. Ik zucht hard daarbij. Ik stond dus op punt deze uitdaging niet aan te gaan. Dat beken ik eerlijk. Meer dan vijf uur treinen in mijn vakantie om iets te doen wat ik niet eens graag doe? En dan ook nog eens vijf uur terug moeten treinen? Maar ik verplichtte mezelf uiteindelijk toch de trein op.

Toen ik de vrijdagavond in Zwolle door hem werd opgehaald, legde hij me in de auto uit wat nu precies de bedoeling was. Hij werkt in Bouwmaat Zwolle. Dat is een groothandel voor bouwmaterialen. Daar komen klusjesmannen, zelfstandigen en bedrijven hun materialen dus aankopen. Vorig jaar hadden ze voor het eerst een klusdag ingericht met werknemers van Bouwmaat Zwolle en klanten. Ze hebben toen met een equipe van een tiental man gratis en voor niks (met gesponsorde materialen) in één dag tijd een dak weer goed gemaakt. Dit jaar gingen ze ook werken onder een dak van een huis waarin meisjes die het moeilijk hebben tot zichzelf kunnen komen en ik zou dus meehelpen. Hij vertelde me dat we om half zes moesten opstaan hiervoor. Hij zei iets over dakkapel en dakisolatie. Ik bedacht dat het wel heel erg koud zou kunnen zijn en ik geen klusjas mee had. "Dat regelen we morgen wel," zei hij.

We kookten en aten samen. Hij maakte mijn caravanbed op en legde een elektrisch deken onder het hoeslaken omdat ik dat vast wel kon gebruiken... Ik besefte toen nog niet hoe koud het eigenlijk wel was in de polder en hoe heel erg welkom dat elektrisch deken wel zou zijn. Ook mijn eerste keer trouwens. Ik kroop vroeg onder de wol, maar sliep heel weinig. Daar lag ik moederziel in een koude caravan en dacht aan klussen. Warm kreeg ik het er niet echt van. Uiteindelijk ben ik erin geslaagd om 3,5 uur te slapen, gok ik.

Leo en ik reden heel vroeg naar Bouwmaat Zwolle, alwaar ik eerst nog wat pakbonnen mocht verzamelen. Ik kreeg een extra klustrui aangetrokken en samen met de manager en een collega reden wij onder de geneugtes van frisse countrymuziek naar Emst. De sfeer tussen de drie zat er duidelijk in. Ze keken heel erg uit naar deze dag. We belandden bij Bridle Up Hope. Daar kunnen meisjes tussen 12 en 25 jaar die het heel erg moeilijk hebben, meer zelfvertrouwen krijgen, de eigen teugels weer in handen nemen, door te trainen met paarden. Bedoeling was om een ruimte voor de meisjes in te richten waar ze samen binnen konden ontspannen maar er diende een dak te worden geïsoleerd en subsidies krijgen ze niet. Alles wat ze financieel binnen krijgen, is via donateurs en schenkingen. Er stonden ons daar nog drie klanten van Bouwmaat Zwolle op ons te wachten. Professionele klussers. Fijn dat ze zich voor het goede doel verzamelden op een zaterdag!






Bedoeling was om in teams per twee te werken. Ik vormde samen met Peter het 'zaagteam'. Ik gaf (klungelig) te lange planken door, die hij korter zaagde. Die minder lange planken moesten dan naar boven doorgegeven worden. In de voormiddag was dit mijn job. Ik hielp met opruimen beneden en haalde mee de onderdelen van de steiger. Algauw ging men boven aan de slag met planken timmeren. Ondertussen werden boven ook isolatiepanelen gezaagd om ze achter de planken tegen het dak te schuiven.



Wie me 'kent' als 'werker', weet dat ik wat aansturing nodig heb. Als ik iets te pakken heb, werk ik meestal wel goed door. Maar echt gezellig word ik dan niet. Terwijl men boven veel lol had onder het stof, was ik stug en ongezellig. Zo mocht ik bij vakantiejobs in een fabriek na een proefperiode vaak als enige blijven, omdat ik doorwerkte. Mijn collega's moesten mijn stilzwijgendheid er dan wel bij nemen.  Als ik trouwens niet aangestuurd word, zie ik niet wat ik kan doen. Dat is geen luiheid, eerder een grote onzekerheid. Al kan ik me wel voorstellen dat het heel erg lui overkomt. Kluswerk zie ik echt niet. Zo wachten in mijn huis nog altijd lichtarmaturen op enkele schroefjes...  (en ik woon hier al bijna zeven jaar...) Maar ik deed mijn best dus. De extra klustrui was trouwens heel erg welkom: het was heel erg koud zo zonder isolatiepanelen onder dat dak.

In de middagpauze gingen de gesprekken er wat ontspannender aan toe, al luisterde ik vooral en voerde nooit echt het woord. Sociaal ben ik nog altijd niet in een onwennige omgeving. Er waren nochtans veel kansen tot babbelen met koffie- en ranjapauzes... Ook konden we eens met eigen ogen zien hoe zo'n training er precies aan toe gaat. In de box zagen we Reus, echt een reusachtig paard, zich spiegelen aan een meisje. Het was eigenlijk best ontroerend om te zien. Het paard voelde wat het meisje voelde en het was best fascinerend om te zien hoe het paard contact met haar zocht. In de namiddag steeg ik toch met lange tanden de steiger op en plakte isolerende tape tussen de stukken isolatiepanelen. Ik zweette al meer dan in de voormiddag. Angstvallig keek ik uit naar het moment dat ik weer naar beneden moest. Iets na drie ruimden we op en reden naar Zwolle terug.

Het is eigenlijk best wel straf. Niet mijn daden. Maar het feit dat er voor zo'n circa €2000 materialen werden 'geschonken' aan dit goede doel. Dat zes volleerde klussers gratis en voor niks de handen in elkaar sloegen. Fijn dat ik aan dit project een klein steentje kon bijdragen.

Het zorgde trouwens voor nog extra bijkomende uitdagingen. Ik aaide mijn eerste paarden. Heel voorzichtig. Nooit eerder stond ik zo dicht bij die dieren. De Polder zo mooi zien! Ontwaken naast een kudde schapen. Witte reigers zien. Na een welgekomen douche nam Leo me trouwens mee naar de frituur. Ik at mijn eerste patatje oorlog (brrr) en een broodje gitaar. Daarna nam hij me mee naar een verjaardagsfeestje waar ik voor het eerst de jarige niet eens kende. Plassen op een nachtelijk bevroren weiland. Proberen binnen breken in een hoeve, omdat de gastheer per ongeluk de achterdeur had gesloten...  en wel nog een paar.

Mensen kijken raar op als ik hen vertel dat ik zoveel voor het eerst nog moet doen. Alsof ik van een andere planeet kom. Dat ik dus nog heel uitdagingen te gaan heb voor mijn veertigste. Wie me kan helpen om de 331 beloofde uitdagingen aan te gaan: kom dus maar op. Ik zit nu pas aan 150. Niet alles wordt mooi verwerkt tot een verslagje: maar ik schrijf alles keurig op in mijn schrift (dat trouwens alleen door mijn ogen mag gelezen worden).  Dingen die voor jullie alledaags zijn, zijn voor mij toch misschien een hele grote uitdaging! Nodig me een dagje uit op je werk! Vraag me om met je band op te treden! Vraag me gerust om naakt voor je schildersezel te poseren! Als ik iets echt niet wil doen, zal ik beleefd weigeren. Echt wel. 

Let wel op: wie me nog wil inzetten als klusser is te laat (of heeft dit verslag niet goed gelezen.)


woensdag 31 oktober 2018

Hoe ik mijn inleefmaand mocht ervaren:

Niet alle uitdagingen die ik dit levensjaar aanga, hoeven leuk te zijn. Zo daagde ik mezelf al sinds 1 september uit tot gezonder leven. Dat leverde me al 8 kg minder Tine op: zowaar een pak! Ik doe naarstig verder en zie hoe ver het me zal brengen. Marcella daagde me dan weer uit om een maand te overleven met het leefloon. Ferme uitdaging om van te leren!

Het leefloon voor een alleenstaande bedraagt momenteel €910,52. Iemand die een gezin ten laste heeft, krijgt €1254,82 en wie samenwoont krijgt €607,01. In ons land trekken gemiddeld 140149 mensen een leefloon. Omdat ik toch met veel vaste kosten zit, koos ik ervoor om de vaste kosten (lening, elektriciteit, water, gas, gsm en internet) en andere binnenlopende facturen gewoon te betalen, maar om mezelf de limiet van €60 per week op te leggen voor boodschappen en dagelijks verbruik. Dat is het bedrag dat wordt voorgesteld in een zogenaamde 'inleefweek'. Sommigen vinden dat veel. Anderen vinden dat belachelijk weinig. Het is een ruim gemiddelde. Ik plakte 5 inleefweken na elkaar en koos zelf voor de maand oktober omdat het de maand is met de Werelddag van Verzet tegen Armoede erin en ik er dit jaar weer in betrokken was. €300 voor één maand dus.

Omdat ik niet wou dat mensen er rekening mee gingen houden, maakte ik deze uitdaging niet openbaar. Ik plaatste geen aankondigingen hierover. Enkel wie op me botste, hoorde het als ik om geld verlegen zat. Om alles goed onder controle te houden, had ik letterlijk elke maandag €60 cash in mijn portemonneetje, zodat ik de bankkaart amper moest gebruiken. Ik hield alle uitgaven mooi bij. Ik tankte een week voor aanvang van de maand mijn dieseltank vol en had wat groenten en fruit op overschot. Een diepvries met reservevoedsel heb ik niet. Extra uitdaging erbij dus was mijn belofte om gezonder te eten/leven.

De eerste week verliep alles nog makkelijk. Ook al kwamen er kosten die niet voorzien waren. Zo sponsorde ik een leerlinge en moest onverwacht ook betalen voor kopies, terwijl die normaal gratis zijn. Dat maakte me toch een kleine €20 lichter. Daarnaast merkte ik al snel dat mijn kat Frieda wekelijks toch ook gemiddeld een zesde van mijn weekbudget afknabbelt. Toch slaagde ik erin om €13,7 over te houden. Ik moet bekennen dat ik op zaterdag een afspraak had met mijn beste vriend, die me de hele avond getrakteerd heeft. Aan hem kon ik dat gerust vragen.

De tweede week moest ik voor mijn werk naar Aalter rijden. Daar zag ik bijna €2 naar de parkeerautomaat gaan. Er was ook een doktersbezoek gepland. Maar gelukkig betaalde het ziekenfonds een paar dagen later al terug. Ik slaagde erin om met mijn budget nog een paar terrasjes mee te pikken. En kijk: ik had op het einde van de tweede week nog €20,54 over. Hier moet ik verklappen dat ik twee dagen ziek was, amper at en ook niet naar een toneelstuk kon gaan. Dat scheelde me extra kosten waar ik op voorzien was.

Week drie werd lastiger. Daarin stonden een proefles yoga en een concert geprogrammeerd. Enkele uitgestelde boodschappen moesten uiteindelijk toch aangeschaft worden. Ook hier slorpte een parkeerautomaat wat luttele euro's, die er best toe doen in zo'n week. Gelukkig voor mijn portemonnee en mijn brandstoftank ging de proefles yoga niet door en moest ik me niet naar Ieper verplaatsen.  Werelddag van Verzet tegen Armoede was zo druk, dat ik niet eens tijd had om te eten over de middag. Het concert zou lastig worden. Mijn ticket alleen al  kostte €11 en dan had ik nog geen drankjes. Ook hier heb ik vals gespeeld: enkele vrienden hebben me een drankje getrakteerd, ook als ik hen uitlegde dat ik geen drankje terug kon trakteren. Doordat ik nog niet helemaal gepluimd was, kon ik op zondag nog eieren, melk en room gaan kopen voor een quiche. Op het einde van week drie liep ik op de jaarmarkt vol fijne terrasjes met €0,27 op zak maar met een volle maag. Bedankt vrienden!

In week vier waren er oorspronkelijk geen speciale uitgaven gepland. Toch maakte de apotheek me meer dan €8 afhandig. Uitgestelde artikelen zoals tandpasta en WC-papier moesten worden aangeschaft. Dan sta je opeens raar genoeg voor het rek te bedenken of je dat eigenlijk wel nodig hebt. Ook gingen we met de Figurettes opeens vergaderen op café in plaats van te repeteren. Maar ze betaalden me uiteindelijk nog een extra theetje en gaven de overschot van de pot (€0,30) aan mij. Er was een gratis finissage en Openboekdagen bij de Standaard Boekhandel. Ik hielp er zelfs op zaterdag mee met de afwas, zodat ik enkele toastjes kon verorberen en achteraf wat wijn kon drinken. De finissage liep wel uit in een cafébezoek waar ik me ook weer moest laten trakteren en zondag bleef ik met vrienden toch nog plakken en heb ik mezelf met spaarcenten getrakteerd om de vakantie in te zetten. Vals vals vals! Op het einde van de week had ik niets meer over en was dus in het rood gegaan door van mijn spaargeld af te snoepen.

Week vijf leek een makkie. Die duurde maar drie dagen. Het liep al fout op maandag: ik durfde overmoedig boodschappen te doen zonder telraam in mijn hoofd en ik misrekende me serieus. Ik kocht ook een doosje snoep, wat ik normaal niet doe, voor het geval er op Halloween kinderen voor mijn deur zouden staan. Daarnaast ging ik naar de abdij van West-Vleteren en betaalde de benzine van het gezelschap en trakteerde ons op een Tripel. Dinsdag ging ik op bezoek bij vrienden in De Haan. Op de rommelmarkt had ik glazen voor hen gekocht en ik moest die leveren. Omdat het rode lampje begon te branden, moest ik ook tanken. Ik tankte €20. Gelukkig schotelden die vrienden me wel een lekkere gezonde maaltijd voor.  Op woensdag stelde ik me kandidaat om mee te helpen in de Volkskeuken zodat ik voor luttele €2  mijn buikje (te) overvol kon eten. Maar bij thuiskomst zat kat Frieda weer naast een lege verpakking kattenvoer te mauwen en bedacht ik: oh nee, mijn brood is op! Dat maakt dat ik toch ruim €11 boven mijn budget uitkwam. 



Wat het met me deed? Het is best lastig om voortdurend in je hoofd te moeten rekenen. Soms moet ik dat ook doen op het einde van de maand, maar elke dag moeten tellen, geeft stress en zorgen. Vaak voelde ik me moedeloos bij het begin van de week (boodschappendag) of bij een onverwachte kost. Je rijdt anders met de auto. Je hebt zoveel schrik voor pech. Winkelen doe je met je ogen dicht bij speciale aanbiedingen die je eigenlijk niet hoogdringend nodig hebt, maar die je kunnen triggeren naar functionaliteit of zin. Ik bedacht dat €60 per week best te doen is als je enkel moet eten en drinken. Maar het is vooral het leven daarnaast dat kost. Een huisdier. Een onverwachte kost. Een auto. Een hobby. En ik rook niet eens. 

Je sluit je meer op als je geen centen hebt. Je wil ook niet voortdurend getrakteerd moeten worden. Voor een sociaal mens als ik, is dat best confronterend. Voor mijn doen kwam ik amper buiten.Vakantie is een totale ramp met een klein budget. Je vindt wel nog even producten in je kast die je opeens nog op kan eten, ondanks de houdbaarheidsdatum. Om de besparen op brandstof kom je ook niet verder dan je stad en je werk. Je wandelt en fietst wat af. Eén keer per week bleef ik wel mijn moeder bezoeken, die me dan op een maaltijd trakteerde. Gratis events en recepties krijgen veel meer waarde. Of een koffie bij een opendeurdag. Gratis verse soep met brood smaakt opeens veel meer. Gratis tomaten zijn mooi meegenomen! Al zie je je dan wel als een profiteur. Het is ook lastig om gezond te blijven eten met een slinkend budget. Een kant-en-klaar lasagne is goedkoper dan zelfgemaakte quiche. Het is mij al bij al gelukt! En nog iets praktisch: doordat je je betaalkaart amper gebruikt (in vergelijking met anders) durf je de code te vergeten en fietsen met een overvolle winkeltas lukt niet.

Slotsom: dit was lastig en de uitdaging verliep niet helemaal zoals het moet. Teveel kon ik rekenen op traktaties. Ik had veel meer sociaal contact moeten laten. Toch beschouw ik het niet volledig als verkorven. Maar het heeft me enorm veel bijgebracht tussen de oren. Zelf heb ik me nooit als luxemens beschouwd. Ik zag mezelf eerder als spaarzaam en sober omdat ik amper merkproducten koop,  occasioneel kleren koop,  geen poetsvrouw heb, slechts heel af en toe mijn haar laat knippen, mijn lijf niet laat verzorgen en weinig op reis ga. Zo zuinig leef ik blijkbaar niet. Een beperkt budget drukt je met de neus op de feiten: er is te veel te koop en te weinig te krijgen.

Het besef dat zoveel mensen het met veel minder moeten doen en niet op vrienden en familie kunnen/blijven rekenen. Dat er voor hen geen maand november is om naar uit te kijken, waarin je weer kan kopen wat je wil. Het maakt me week en nederig. Ik beloof hierbij plechtig om mijn gespaarde centen van deze maand aan een goed doel inzake armoede in eigen land te besteden.

Bedankt, Marcella!

Trouwens: waarom maken winkeliers in onze stad geen gebruik van de app 'Too Good To Go'? Het lijkt me een uiterst nuttig initiatief tegen voedselverspilling. Maar om zo maar eventjes naar Kortrijk of naar Roncq te fietsen voor een verrassend pakketje voedsel, dat zag ik toch niet zitten...

Met het poëziecollectief 'Soep zonder Zout' gaf ik op 
woensdag 17 oktober armoede mee een gezicht.
Bijna niemand wist dat ik echt ook even
in die schoenen stond. 







maandag 29 oktober 2018

Hoe ik binnentrad in de abdij van West-Vleteren:

Uitdagingen zijn er om met beide armen aan te pakken. Toen Thomas mij uitnodigde om eens met hem naar de abdij van West-Vleteren te gaan, zei ik natuurlijk niet nee. Ik meen me zelfs te herinneren dat ik er zelf aan toevoegde dat het mij geenszins om het bier te doen was, dat ik toch hoopte op een religieuze dienst. Hij daagde me uit om de vespers samen mee te maken.

Eigenlijk was het de bedoeling om deze uitdaging in augustus aan te gaan. Het was een warme zomerdag toen we naar West-Vleteren reden. Onderweg was Thomas aan het woord. Hij vertelde over verschillende kloosterordes. Over de Sint-Sixtusabdij. Over zijn beweegredenen om dikwijls naar de abdij te gaan. Over zijn band met God. We begonnen de uitdaging in 'In de Vrede' waar we ons te goed deden aan een ijsje. Daarna liepen we wat rond het domein. De gemeenschap van de Sint-Sixtusabdij (en daarbij de brouwerij)  is gehuisvest in een prachtige abdij met een bijzondere architectuur waarin oude en nieuwe bouwstijlen in elkaar schuiven.  We waren helaas te laat voor de vespers. Die dag begon de vespers uitzonderlijk wat eerder. Dat was jammer. Daarom bezochten we de permanente tentoonstelling in het Claustrum en verdiepte ik me nog meer in de gebruiken van de abdij. We beloofden om de rit nog een keer te maken.

Vandaag reden we op hoop van zegen naar West-Vleteren. Thomas had voor alle zekerheid toch gepolst bij de abdij of de vespers op het gewone uur zouden doorgaan. We begonnen opnieuw in 'In de Vrede' waar het behoorlijk druk was op een maandagnamiddag. We gingen toch overstag voor een trappist. Mijn eerste Trappist Westvleteren 12, the king of the beers. Het smaakte zeer.

Daarna gingen we richting abdij. Normaal kan je de abdij niet bezoeken tenzij je gast bent en daar verblijft, maar Thomas wist me voor de vespers begonnen langs de gastenkamers, de noodkamer, de gastenbibliotheek en de enige internetkabel te leiden. Daarna wandelden we langs het kerkhof met vers graf naar de kerk.

We waren niet de enige bezoekers. Iedereen mag de vespers komen meemaken. Het is een avondgebed. Daarvoor hebben de broeders al 5 gebedsdiensten gehad. Om half acht sluiten ze de dag met de Completen af. De kerk is heel sober ingericht. Geen iconen of schilderen. Enkel een eenvoudig kruisbeeld, een altaar en het tabernakel. Blijkbaar is er ook een Mariabeeld, maar dat werd niet verlicht. Het is een groot verschil met een gewone kerk, waarin je je aandacht kan laten afleiden door naar de kruisweg of naar een gegraveerde biechtstoel te kijken. We gingen op de eerste rij zitten zodat ik alles goed zou kunnen bekijken.

Een voor één kwamen de broeders binnen in hun gebedskleed. Daarin vallen de mouwen en de kap op. Elke broeder heeft een eigen manier om te bidden. De ene gaat op een speciaal gebedsbankje zitten. De ander gaat gewoon op zijn stoel zitten met de ogen dicht. Er was een monnik in opleiding, dat kon ik zien omdat hij geen wijde mouwen had. Hij had een meer open kleed.

Na het luiden van de klok, klopte de abt op zijn stoel. Hét teken dat de vespers beginnen. Het is een gebedsdienst die wekelijks wordt herhaald. Er komen psalmen in voor met antifonen. Zelf heb ik een katholieke achtergrond. Tot ik het huis uit ging, was ik verplicht om wekelijks naar de kerk te gaan. Ik was zelfs een tijdje lector. Ik ben op zich dus wel vertrouwd met katholieke teksten.  Toch klonken de psalmen raar in de oren. Ik kreeg ze niet over mijn lippen. Ook al zijn de woorden heel poëtisch. Af en toe wordt gebogen door de aanwezigen in de gebedsdienst. Ik boog zachtjes mee, maar niet de volle 90 procent.

De broeder die de voorzang op zich nam, had een fijne aangename stem om naar te luisteren. Een andere broeder las voor uit 'De Openbaringen' over engelen met bazuinen die de wereld konden bespelen en een arend die voor rampen vreesde. Er waren nog voorbeden en een Onze Vader. En er vielen veel stiltes om te kunnen bezinnen. De dienst werd afgesloten in het donker met een lange stilte die afgebroken werd door de klokken.

Mooi was het te zien hoe de avond valt in de kerk. Hoe de mouwen ritselend om de armen vallen in de stilte van de kerk. De eenvoud van het ritueel. De concentratie. De hypnotiserende werking van psalmen. De rust in de dag. De broeder die ons bij het verlaten van de kerk, de hand schudde. Ik werd niet op slag weer gelovig maar ik voelde een soort verbondenheid.

Ik vond het wel bijzonder om mee te maken. Zonder Thomas was ik hier nooit geweest. Om de abdij 'echt te voelen' gaf hij me de raad om eens in het gastenhuis te verblijven. Het lijkt me wel eens wat als ik die stilte mij wil laten omsluiten. Maar voorlopig lukt me dat nog in mijn eigen huis (als mijn buren me goedgezind zijn).

Bedankt, Thomas!





TINE ZIET (139): Leven


Zondag bezocht ik naast enkele buren kunstenaars ook de jaarmarkt. Je hebt mensen die er niet voor naar buiten komen. Je hebt fans van het eerste uur. Eerder die dag werden massaal honden en paarden gezegend. Maar bovenal was de dag gezegend met lenteweer. Daarenboven is het ook eens fijn om op een zondag volk aan de beide kanten van de brug te zien. Het is boeiend om je daarin te mengen. Zo ving ik onbeschaamd enkele gespreksflarden op. Meestal gingen die over de nasleep van de verkiezingen. Ook ik werd erover aangesproken. Wat ik er nu eigenlijk toch van vond. Maar daarover gaat dit stukje niet. Het gaat over het rondstruinen door mijn stad op zondag. Snuisteren in de koopwaar van de rommelmarkt. De alom bekende geur opsnuiven van wulloks en stokvis. De jingles van de kermisattracties. De charmezangers op de parking aan de Donkerstraat. Prachtige zelfgemaakte hoeden spotten voor De Trompet. Een blik werpen op de volgelopen terrasjes. Uitbaters van kramen misnoegd zien kijken om een matige verkoop. Anderen dan weer zien glunderen. Leeggeschepte snoepbakken zien. Muzikanten in koerskledij. Mooie oldtimers op de Groentemarkt. Food- en drinktrucks. Botsen op bekenden en wat bijkletsen.  Zo leeft een stad.

De avond daarvoor had ik nog genoten van een schitterend reünieconcert van Two Russian Cowboys in ‘De Griek’. Na afloop waren we met een paar naar de Grote Markt afgezakt. Het was al nacht. Niet eens zo laat. Eén iemand van het gezelschap rekende op een taxi om terug naar huis te kunnen. Dat lukte helaas niet. Alle taxichauffeurs in de regio die hij belde, lagen blijkbaar al in bed. Hij probeerde dan maar een lift in de kroeg te versieren. Maar hij verloor daarbij toch de moed en besloot dat hij dan maar de volle 5 km naar huis zou wandelen. Hij zei daarbij: “Vroeger leefde het hier toch meer.”

Ik had hem natuurlijk een slaapplek kunnen aanbieden. Maar zo ben ik niet. Was hij maar op de Grote Markt gebleven, dan had hij met eigen ogen kunnen zien dat het in onze stad ook nog kan wemelen van het leven. Maar dat men dat toch liever in het daglicht doet.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 26/10/18)

dinsdag 23 oktober 2018

TINE ZIET (138): Samen


Terwijl de laatste vergeten affiches ons nog aankijken en enkele verdwaalde deurhangers op de straat waaieren, vieren wij vandaag de jeugdbewegingen. Inmiddels zijn er al zoveel verschillende jeugdbewegingen dat het bijna onmogelijk is om geen lid te zijn. Ze opnoemen zal ik niet doen, uit schrik er eentje te vergeten.

Gisteren vertelde een leerlinge dat ze wel eens een activiteit van een bepaalde jeugdbeweging wou meemaken, om zich dan eventueel ook in te schrijven, omdat haar moeder haar verteld had dat ze daar misschien wel een lief zou vinden. Méér nog dat ze daar misschien zelfs een toekomst op een gezellige boerderij kon vinden.  De ogen van de leerlinge in kwestie blonken. Een andere leerlinge dacht zich ook aan te sluiten. Dit niet om dezelfde reden. Een boerderij had ze immers al. Ze ging voor de kameraadschap. En het bier. Dat gaf ze ook eerlijk toe. Andere leerlingen gaan elke zaterdag of zondag trots in uniform naar hun uitleefmoment. Ze kijken uit naar elke activiteit die de leiding heeft voorbereid. Nog andere leerlingen zijn al leiding. Of bijna. Ze gaan gemotiveerd op nascholingsweekend. Ze komen na een fuif zelfs naar de les. Stuk voor stuk hebben ze enthousiast gekozen voor een enorm groot engagement.

Als ik het allemaal opnieuw zou kunnen doen, wat natuurlijk utopisch is, zou ik het beter doen. Ik zou niet afhaken omdat ik niet de dezelfde interesses had als mijn medeleden. Dat heb ik namelijk als twaalfjarige gedaan. Pas zes jaar later werd ik in de leidingsploeg getrokken. Toen was ik twee jaar heel fervent leidster. (Behalve als we moesten gaan zwemmen. Dan bleef ik veilig thuis uit schrik om in het water gegooid te worden.) Nee, als twaalfjarige had ik moeten doorbijten, want dan komen pas de leukste jaren. De jaren van samen verliefd worden. De jaren van samen voor het eerst een pintje drinken. De jaren van samen afzien om op de fiets op een kampplek aan te komen en dan alles klaar te zetten voor de jongsten. Maar vooral de jaren van dat samen.

Als ik opnieuw had kunnen kiezen, koos ik niet meer voor een of andere partij. Ik koos voor samen.




(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 19/10/18)



zondag 14 oktober 2018

TINE ZIET (137): Kiezen

Mijn brievenbus zal na dit weekend weer moeten wennen aan de leegte. Afgelopen weken kreeg ze heel veel foto’s van lachende politici ingeslikt. Ik neem het de lachende politici niet kwalijk: elke stem telt. Het vergt deze tijden heel veel moed om naar buiten te komen en kleur te bekennen. Meer nog: om te verklaren dat je je wil engageren om via een partij een gehele bevolking te vertegenwoordigen in een stad of in een provincie. Als ik kon, stemde ik op iedereen die ik ken. Dit niet alleen om hen na zondag gewoon zonder schuldgevoel recht in de ogen te kunnen kijken.  Ik neem echt mijn spreekwoordelijke hoed voor hen af. Het is uitermate dapper om op te komen in een tijd waarin zoveel met zuur en bitter wordt gestrooid. Maar ook ik zal kleur moeten bekennen. Hetzij veilig achter een gordijn. Ik woon hier inmiddels al zo’n tijd dat ik mensen ‘ken’ uit praktisch alle partijen. En met ‘kennen’ bedoel ik dat ik weet wat ze waard zijn. Vooral als mens dan.

Het viel me op dat ik toch veel verkiezingsdrukwerk op naam kreeg. Dat er ook bij mij werd aangebeld (ook al hoor ik de bel niet als ik op zolder zit). Dat mijn hand extra werd geschud en dat ik vriendschapsverzoeken kreeg van onbekenden die gewoon naar een stem visten in plaats van vriendschap.  Ik blijf erbij: ik neem het niemand kwalijk, want elke stem telt. Ik hoop alleen dat ik na het kleuren van mijn bolletjes niemand tegenkom die ik ‘ken’. Ik herinner me mijn allereerste gemeenteraadsverkiezing. Toen ik me naar de uitgang begaf, stonden allerlei van die bekenden klaar om handjes te schudden. Ik heb toen dapper naar hun schoenen gekeken. Na zondag is het omgekeerd. Dan zullen sommige glimlachjes wat benepen worden. Men zal mij misschien niet in de ogen durven kijken na een karig aantal stemmen. Dat is dan ook het leven.

Hopelijk is woensdag 17 oktober, Werelddag van verzet tegen armoede, wél iedereen met een hart voor onze stad op post om armoede in de ogen te kijken. Want of je nu verkozen bent of niet: kansarmoede, daar kiest niemand voor en zou er gewoon niet mogen wezen. 



(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 12/10/18)

dinsdag 9 oktober 2018

TINE ZIET (136): Vrijwilligers

Wie zondag per toeval in de Barakken was, was wellicht blij verrast. Daar bouwde Barak Futur met ‘Love on the bridge’ een schitterend eindfeestje op het Sint-Jozefsplein. Maar voor dat feestje begon, waren er speeches bij de Leiebrug, er was een trouwceremonie en een feestelijke optocht naar de Sint-Jozefskerk. Daar was er ook een tentoonstelling, een theatervoorstelling, accordeonmuziek. Kortom: sfeer à volonté. De zon zag oorspronkelijk dat het goed was, maar na 15u kwam er toch een koude wind opzetten die de frisse drankjes nog frisser maakte. Wat begon met nazomer, eindigde in herfst.

Wat me altijd opvalt aan dergelijke feestjes is dat er eigenlijk alles welbeschouwd weinig nodig is. Er is een bellenman nodig die het volk op tijd herinnert aan het afronden van een consumptie. Er zijn toiletten nodig. Tafels en stoelen. Een toog met simpele drankjes en overdekt zeil. Een springkasteel. Wat achtergrondmuziek. Zotte ideeën die opborrelen. Energie van wie het feestje trekt.  Maar bovenal zijn er natuurlijk vrijwilligers nodig die willen helpen die dag. Trekkers die trekken.

De dag daarvoor zat ik op een ander feest: een huwelijksfeest van vrienden. Daar waren overduidelijk meer voorbereidingen aan geweest. Tijdens het avondfeest stond de bruid met roze schort in de feestzaal. Want zij vond het fijn om voor haar gasten te koken. Gelukkig stond zij er niet alleen voor. Zij had voor dit gegeven gekozen. Het eten smaakte voortreffelijk. Het was best bijzonder om mee te maken.  Maar ook hier werd beroep gedaan op vrijwilligers. Er moest een bar draaiende gehouden worden. Er moest worden opgeruimd. Zelf ben ik daar slecht in. Dat geef ik eerlijk toe. Op feestjes zal je me niet vaak zien helpen. Ik blijf meestal plakken tot ik wel moet verdwijnen voordat ik word opgeveegd.

Nu in de Barakken verdween ik opvallend eerder. Ik was er niet meer bij toen Barak Futur tot Barak Futur Passé werd aangekleed. Ik lag wellicht al in mijn bed te ronken toen die laatste vrijwilligers naar huis vertrokken. Bedankt daarvoor. Zonder jullie was er minder feest geweest.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 05/10/18)


zondag 7 oktober 2018

Hoe ik een woonzorgcentrum mocht ervaren:

Tijdens afgelopen zomer ging ik op verschillende plaatsen Buurtturen. Katrien daagde me uit om dat eens in WZC Andante te gaan doen. Zelf heeft ze mooie herinneringen aan fijne gesprekken in de cafetaria. Ze bedacht dat het mensen wel eens deugd zou doen als ik eens met ze ging praten. Natuurlijk ging ik die uitdaging aan.

Ik kreeg al snel telefoon van enthousiaste Nicole. Zij is er samen met collega Kate referente verpleegkundige dementie. We plakten onmiddellijk de Werelddag Dementie aan het gegeven en prikten drie data vast waarop ik zou langskomen. Op die manier kon ik alle afdelingen bezoeken.

Voor mijn eerste bezoekje had ik een kort verkennend gesprek met Nicole. Ze wou me toch enkele dingen duidelijk maken over dementie. Ze gaf me enkele tips en daarna werd ik aan tafel gezet in de eerste leefgroep. In WZC Andante hebben alle woongroepen de naam van een componist. Zo klinkt er toch symbolisch al wat muziek in het gebouw. Het is een prachtig gebouw. Elke leefgroep heeft een eigen terras. Er is ontzettend veel licht en de woonkamers zijn mooi ingericht.

De eerste namiddag had de ergotherapeute een schriftje meegebracht. Daarin stonden allemaal zegswijzen en gezegden. Ze las het eerste deel luidop voor en de bewoners die aan de tafel zaten, konden die meestal probleemloos aanvullen. Er zaten ook enkele typische West-Vlaamse uitdrukkingen bij. Iets wat voor mij persoonlijk heel bijzonder was, dat er een mevrouw aan tafel zat die mijn ouders en grootouders heel erg goed gekend heeft. Toen ik de naam liet vallen van waar ik vandaan kwam en hoe dat huis op de plek stond van een bekend café, bleek dat ze eigenlijk als kind naast mijn grootouders had gewoond.  Dat was wel heel erg speciaal. Want ik ben helemaal niet afkomstig van Menen. Terwijl ze eerder had gezwegen en niet zo veel had deelgenomen aan de conversatie was ze opeens heel erg babbelachtig. Toen ik later in de gang nog op haar botste noemde ze me bij de naam van mijn moeder.

Ook bezocht ik met Nicole enkele bewoners op hun kamer. Het waren bewoners die niet veel naar de woonkamer kwamen. Ze waren heel erg blij met een bezoekje en vertelden heel geanimeerd. Het was ook fijn de kamers eens te zien. Foto's en schilderijen in een kamer vertellen heel veel over een bewoner en het leven dat ze achterlieten.

De tweede namiddag bezocht ik twee leefgroepen. Met de eerste leefgroep werd er gesproken over oude beroepen en gebruiken uit de tijd van toen. De tweede leefgroep was net klaar met een spelletje bingo. Ze hadden net hun prijzen ontvangen en babbelden nog wat na met koffie.

Bij een derde bezoekje bezocht ik heel kort nog een leefgroep. Die zat nog aan het ontbijt. Ik vergezelde daarna de wandelclub en ging tenslotte nog even naar de laatste leefgroep.

Naar aanleiding van deze bezoekjes schreef ik vijftig korte tekstjes. Soms waren het losse zinnen. Soms waren het geïnterpreteerde citaten. Die ging ik op Werelddag Dementie op de ramen van het woonzorgcentrum schrijven. Terwijl ik aan het schrijven was, kwamen enkele bewoners gluren. Sommigen herkenden zichzelf in de schrijfsels. Soms herkende het bezoek gevoelens. Ook het personeel las nieuwsgierig mee, terwijl het alles in gereedheid bracht voor de activiteiten in de namiddag.

Het was een fijne ervaring waar ik oorspronkelijk een beetje bang voor was. Wat natuurlijk onzin was. Belangrijker dan dat label 'dementie' is het labeltje 'mens'. Zoals ik het personeel ervaren heb en de sfeer tussen de bewoners, lijkt het me zelfs bijna een leuk vooruitzicht om daar zelf te belanden ooit. Al duurt dat hopelijk nog een tijdje. Misschien stel ik mezelf wel kandidaat om in schoolvakanties mee te gaan wandelen in de wandelclub. Dat lijkt me een fijn vooruitzicht.

Hieronder de zinnetjes die te lezen zijn in de gang van Andante.

Graag wil ik Katrien bedanken voor de uitdaging. Nicole, Kate en het hele personeelsteam voor de fijne enthousiaste ontvangst en de bewoners voor hun fijne wijsheid, blinkende ogen en schone verhalen!



*
“Ik ben er nog,
maar mijn gedachten spelen
af en toe verstoppertje.”

*
Hoe hier vaak op een hoofd wordt getikt,
als men iets niet goed meer weet.

*
Wandelen met de wandelclub
is soms terugwandelen in de tijd.

*
Dit is een groot huis
waarin vergeten wordt
geaaid met warme handen.

*
“Liever woonde ik hier niet,
maar dit voelt wel al als thuis.”

*
Hoe liefde hier soms stiekem wordt gevonden
in handen onder tafel en gegiechel.

*
 “In ons hoofd ruist of sneeuwt het soms.
Eerst een beetje en langzaamaan wat meer.
Dat maakt ons verward.
Maar ons hart wordt net als
ieder ander graag verwarmd.”

*
Hoe in een hoekje van de living
altijd wel een stille getuige zit
die zonder woorden deelneemt
aan het  gesprek.

*
“Ooit zwom ik veel en snel.
Nu schiet er zo weinig van mij over
dat als ik nog zou zwemmen
zwom ik uit mijn vel.”

*
“Ooit had ik een hit die noemde
“Geef mij een pint.”
Nu zing ik zonder orkest de
mensen in mijn omgeving welgezind.”

*
Hier kennen wij nog onze zegswijzen en gezegden.
We vullen ze in spreekkoor aan.
Maar vraag je ons hoe oud we zijn
twijfelen we zwijgend.

*
“Ooit had ik een café.
Iedereen kwam graag bij me over de vloer.
Maar sinds ik hier woon, blijft men van mij weg.”

*
“Ooit verkocht ik kleren in een shoppingcentrum.
Ik hielp veel dames aan een kleed.
Nu helpt men mij.”

*
“Ooit had ik een man die soms bleef plakken op café.
Ik was toen ongerust en kwaad.
Nu zit ik soms aan de Leffe, maar mijn man
keert nooit meer weer.”

*
Hoe ogen opeens gaan blinken
omdat iemand over een vroeger praat
Dat bij je past. Ineens.

*
Hoe een dochter een moeder wordt
of soms ook een vrouw.

*
 “Ooit droegen wij met fierheid een pelerine.
Nu kent men dat niet meer.
Maar het is niet omdat men het niet kent,
dat wij geen warme schouders missen.”
*
‘Horen, zien en zwijgen.’
Dat deden wij ons hele leven al teveel.

*
“Ooit paste ik in een schoendoos.
Nu lijk ik al veel groter, maar elke dag
krimp ik meer ineen tot boon.
Op een dag ben ik niet meer te zien
en gaat het leven door.”

*
“Ooit vond ik mijn man met een droge haring.
Wie had dat ooit gedacht?
We trouwden op de kermis en hadden veel bekijks.
Toen kregen we een zoon die we veel te vroeg verloren.
Nu ik alleen en eenzaam ben, voel ik nog steeds verdriet.
Want die zoon bleef jong, ik niet.”

*
Hoe paarden hier soms nog hinniken
met de namen Blesse en Baai.
Hier zet men in gedachten nog kruiskens
voor het slapengaan.

*
“Ooit zagen wij ’t keunevintje
met keunevellen over zin hidong.
Sille Pappe was zin naam.
Zin beroep bleef niet bestaan.”

*
“Ooit was er een koster die veel meiskens zingen deed.
Vanboven en vanonder.
Zelf zong ik nooit. Nog niet.
Hij had eens moeten durven!”

*
“Ooit zat Madame Feys op een
pônnen stoel in de messe.
Ze leefde rijk van al die
Mensen die uldern dust gingen lessn.”

*
“Ooit danste ik met mijn vrouw
de jive op een concours.
Dat was toevallig.
We wonnen niet, maar verliezen
bestond niet als wij samen dansten.”

*
 “Ooit werd ik tegen de gilet geplakt
bij een uitdagende tango.
Ik plakte zo goed dat we
dan maar trouwden.
De lijm bleef lang bewaard.
Tot de dood ons scheidde.”

*
“Ooit gingen wij naar school op klompen.
Dat was toen heel normaal.
Later pas kwamen er schoenen.”

*
“Ooit was er geen televisie.
Pietje Praline was de eerste die er een had.
We gingen met z’n allen kijken.
Dat was een waar gebeuren!
Sinds die dagen kijken we vaker naar
een bewegende bak
dan naar elkaar.”

*
“Ooit had je zeteltjes in de cinema
waarop je wel aan elkaar moest zitten
voordat de film nog maar begonnen was.”

*
 “Ooit werd Kortrijk gebombardeerd.
Dat konden wij hier dan zien.
Grote vuurbollen schoten voor onze ogen.
Via gaten in de kelders waren alle buren
met elkaar verbonden.
Die verbondenheid werd dichtgemetst.”

*
Hoe ‘de stille waterroos’
nog bloeit als zij
hem zacht en trots
uit haar lippen tovert.

*
Hoe men kloppen op de tafel
negeert om met een glimlach
door de dag te komen.

*
Hoe de vrouw in de hoek begint te vloeken
en blikken rond een tafel elkaar versterken
tot een complot zo stevig als een kathedraal.”

*
Hoe Jefke de hond de bewoners
laat kwispelen als ze zelf een staart
zouden hebben gehad.

*
 “Ooit moest ik uit mijn woning
vluchten zonder kleren.
Ik kwam hierheen en ben er nog.
Hiervoor keek ik enkel nog naar televisie.
Hier draag ik kleren van een ander,
maar ben hier ooit alleen.”

*
Hoe men hier soms duikles krijgt,
bij het nemen van een bad.

*
Hoesten is hier soms gewoon
wat aandacht vragen.

*
“Hoe de wereld zo snel verandert
en wij moeten maar mee.”

*
Scholen met nonnen waren zoveel strenger.
Kwam dat door de Heer?

*
 “Ooit speelde ik op een hofstee.
Nu speel ik bingo achter ramen.
Hoe graag ik ook buiten kwam,
ik blijf liever op mijn kamer.”

*
Een soutien wordt hier overbodig.
Wat ooit zwol van trots
wordt nu losjes zonder gêne
in de gaine verstopt.

*
Hoe men blij kan zijn met soep.
Dat zie je niet zo vaak meer.

*
Hoe die ogen stralen
omdat een arm wordt aangeraakt.

*
Hoe looprekjes als stoel worden gebruikt.
En een babbeltje als adem.

*
Hoe fierheid in een kapsel past.

*
 Hoe mannen soms weer jongens worden
en meisjes soms weer dames.
In een vingerknip
en weer terug.

*
Hoe een winterjas op de gang
verdwaalt op zomerdagen.

*
Hoe wielrennen een kamer vult
omdat het beweegt.

*
Hoe aan een tafel wordt gezwegen
omdat de woorden bijna op zijn.

*
Hoe lastig het soms is
de zon te zien
als je zoveel mist.

*
Dat het personeel op handen draagt
is vaak ook wederzijds.
Hier draagt men elkaar met zorg
tot een laatste adem.

 Tine Moniek
21 september 2018






maandag 1 oktober 2018

TINE ZIET (135): Orgaandonor

Zondagochtend was ik één van de 146 inwoners van onze stad die zich ging aanmelden als orgaandonor. Niet met de bedoeling om er dit stukje over te schrijven. Ook niet ter wille van één of ander televisieprogramma. Ik weet niet of ze wat waard zijn, die organen van mij. Maar als ik er iemand mee kan redden, waarom niet? Ook al kon het al veel eerder, gewoon op het stadhuis: het kwam er aldoor maar niet van om me te laten registreren. Nu ik eens thuis en wakker was op zondagochtend, nam ik van de gelegenheid gebruik om me richting rij te begeven. De wachtrij was nog kort. Achter me zag ik meer en meer volk arriveren. De jongedame achter de balie en de stadssecretaris hadden het er maar druk mee. Een koppel dat achter me stond aan te schuiven was almaar in de weer met een of andere app op hun smartphones. Voor hen ging de rij niet snel genoeg. Ze zuchtten af en toe als ze niet op hun schermpjes keken. Maar je zal maar een jongen zijn die op een ruilhart moet wachten of een meisje dat gered kan worden met een nier. Zou de tijd niet veel langzamer verstrijken?

Er is een tijd geweest, dat geef ik toe, waarin ik dacht: men moet mij helemaal compleet laten, als ik dan terugkom in een ander leven, heb ik tenminste nog alles op een rijtje. Die tijd is voor mij voorlopig voorbij. Niet dat ik stiekem niet meer op een ander leven hoop na mijn dood. Karma evolueert dan toch gewoon mee?

Eigenlijk is iedereen in België bij wet al kandidaat-donor. Als je niet geregistreerd bent of niet uitdrukkelijk hebt laten noteren dat je weigert organen te donoren, moeten je nabestaanden beslissen, mocht de vraag zich voordoen. Ik kan me voorstellen dat zij dan wel andere zaken aan hun hoofd zullen hebben. En zullen ze wel weten wat ik het liefste wou? Dat ik een groot hart heb, is geweten. Ook dat ik het wil delen. Maar dat ik het wil wegschenken als het in mijn lijf niet meer tikt?

 Wie weet word ik ooit weer zo aan mijn ingewanden gehecht dat ik ze mee wil nemen als ik uit ga varen. Dan moet ik zorgen dat ik dan op tijd naar de juiste dienst ben geweest voor men mijn lijf gaat leeghalen. 

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 28/09/18)

maandag 24 september 2018

TINE ZIET (134): Vergeten


Weinig beangstigt me zoveel als ‘het grote vergeten’. Ook al duurt het bij mij wellicht nog even. Althans dat mag ik hopen. Tegenwoordig komt het ook al bij veel meer jongere mensen voor. Ik heb het niet over het vergeten van een afspraak of het niet meer weten waar mijn fietssleutel is. Ik heb het over dementie, wat vanzelfsprekend veel meer is dan ‘vergeten’.

Afgelopen weken was ik een paar keer te gast in WZC Andante. Dit omdat ik uitgedaagd werd om dit te doen. Maar ook in kader van ‘Werelddag Dementie’. Dan ga ik op de ramen het woonzorgcentrum schrijven over mijn ervaringen. Die dag ‘viert’ men in Andante op vrijdag 21 september. Ja, je leest het goed: de dag wordt gevierd. 

Toen ik in het vijfde middelbaar zat, ging ik met enkele vriendinnen op bezinning bij dementerenden. Oorspronkelijk was ik toen kwaad omdat wij als enigen niet naar de ‘gewone’ oudjes mochten. Wist ik veel. Er hangt een enge nasmaak aan het woord ‘dement’. Uiteindelijk bleek alles toen wel mee te vallen. Al was het natuurlijk wel heftig. Vooral het beeld van de man scheldend vastgeketend in zijn rolstoel zal me altijd bijblijven. Maar evengoed de lachende ogen van man die trots aan onze armen door de gang wandelde.

Nu zoveel jaren later denk ik dat het doorgestoken kaart was. Dat wij niet toevallig op die plek werden geplaatst. Onze godsdienstleerkracht had ons wellicht hoogstpersoonlijk uitgekozen. Niet iedereen kan met deze mensen overweg. Eigenlijk hadden we een soort van hoofdprijs. Al waren we te jong om dat toen te beseffen. Het is een voorrecht om met demente ouderen te mogen werken. Er wordt gegiecheld, er wordt gezongen en het kruipt onder je vel. En ja, dat is intens.

Ik denk dat we vooral niet mogen vergeten dat demente mensen veel meer zijn dan ‘vergeten’.  Ze zijn een vader, een moeder, een man, een vrouw, een jongen of een meisje.  In hun hoofd ruist of sneeuwt het soms. Eerst een beetje en langzaamaan wat meer.  Dat maakt hen verward. Dan is het belangrijk dat ze zich thuis weten op een plek waarin dat vergeten wordt geaaid door mensen met warme handen en dat er ook nog wordt gefeest.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 21/09/18)

maandag 17 september 2018

TINE ZIET (133): Teletijdmachine


Mensen die me regelmatig lezen, weten dat ik soms wat kwistig ben met nostalgische saus. Wellicht is me dat ingegeven met de paplepel. Altijd is er in mijn hoofd wel een luikje dat naar vroeger opendraait. Niet dat ik wat er in het verleden was, op een voetstuk wil plaatsen, maar ik dweep misschien een beetje te veel met Mister Nostalgie. Ik begrijp het niet altijd: niet alles wat vroeger was, was beter of gezelliger. Mijn kindertijd beleefde ik echt niet voortdurend op een roze wolk. Waarom flits ik mezelf dan toch zo vaak terug naar dat sepiamoment?

Heb ik heimwee naar het onbevangene? Naar de eenvoud? Naar een leven zonder virtuele lijnen en beslissingen die ik niet zelf moest nemen? Mis ik de tijdsgeest of is het dan toch dat kind-zijn? Ik kan het niet zo goed bepalen. Ik geloof wel dat ik nu liever volwassen ben. Het lijkt me toch niet prettiger, een kind te zijn in deze maatschappij. Over de toekomst maak ik me nog te veel zorgen. Daar zou ik dus ook nog niet willen zijn, moest dat ooit met dat flitsen levensecht gaan lukken. Beter neem ik het moment zoals het komt en als het jeukt, kijk ik wel even schaamteloos achter mijn rug.  

Gisteren reisden wij met mijn familie terug in de tijd. Samen met de neefjes en nichtjes bezochten wij plekken die wij als kind met onze ouders bezochten. Dat waren eenvoudige plekken: Tiegemberg en de Brielmeersen in Deinze. Dat bezochten wij als kind gewoon met de fiets. Dan aten we een picknick, hielden ons daar wat bezig en reden weer naar huis terug. Mijn moeder maakte daarna meestal nog frietjes. Nu waren we allen met de auto. We wandelden, dronken een aperitiefje en haalden onze picknick uit de Picknickkast. Dat hadden we gewoon op voorhand besteld. In de Brielmeersen speelden we minigolf, dat hadden we als familie nog nooit gedaan.  We praatten en dronken wat in de zon en gingen daarna naar een bistro in de buurt.  Het was dus allemaal wat nostalgisch maar alles kende een hedendaagse update. Het was een fijne dag schommelend tussen heden en verleden.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 14/09/18)





maandag 10 september 2018

TINE ZIET (132): Jobruil


Vorige week kon ik eens proeven van een andere job. Ik reed drie dagen (en twee nachten) mee met een truckchauffeur. Dit omdat ik werd uitgedaagd dat eens te doen. Tot ik veertig ben, ben ik inzetbaar voor allerlei uitnodigingen. Ook daarna zal ik wellicht reiken naar alle kansen die me aangeboden worden. Door enkele dagen in die cabine te zitten, ben ik natuurlijk geen specialist geworden. Maar ik kan met alle zekerheid zeggen dat ik meer begrip gekregen heb voor de job. Ik versta bijvoorbeeld opeens waarom vrachtwagens op de weg moeten staan om te lossen. Waarom truckchauffeurs geen rokjes aan doen. Of waarom ze op de afrit van een benzinestation gaan staan om de slapen. Door even heel kort mee te lopen met een andere job, krijg je een ander inzicht. In mijn geval ga ik in de toekomst ongetwijfeld minder foeteren en geduldiger zijn als ik een truck een manoeuvre zie doen. Eens een andere werkvloer dan de vertrouwde bewandelen, maakt je eigenlijk wel een ander mens.

Natuurlijk heeft niet iedereen de tijd om dit te doen. Als leerkracht heb ik veel vakantie. Afgelopen zomervakantie mocht ik het weer dikwijls horen. Alsof vakantie de brandstof van mijn job is. Nee, mijn energie haal ik uit de blije gezichten straks. Het trotse glimmen van de ouders. Het huppelen van pret. De blik in de ogen als een jongere iets luidop leest en zegt: “Wat is dat mooi!” Of het muurbloempje dat opeens gaat bloeien als een zonnebloem.  Ik zou niet graag definitief van job willen ruilen.

Nee, in een ideale wereld zou er een onderlinge overeenkomst tussen werkgevers moeten bestaan die zegt: “Sta gerust eens drie dagen naast een slager en breng die slager dan maar ook eens drie dagen mee naar hier.” Dat kan natuurlijk niet. De ervaring die je op een andere werkvloer opdoet, maakt je wel rijker als werknemer. Je ervaring met iemand delen ook. Ik verkondig hierbij niets nieuws. Het zou een ideaal TV-format zijn. Wellicht bestaat het al. Ook zonder BV’s. Maar het liefst nog zonder veel camera’s: mens en mens ondereen. Want eerlijk is eerlijk: eens proeven van een andere job, zet je soms ook gewoon in je onderbroek.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 07/09/18)



maandag 3 september 2018

TINE ZIET (131): Waw!

Wanneer was de laatste keer dat jij in totale bewondering stond, lezer? Was dat omdat de zon zo mooi onderging? Of was het omdat je oog in oog stond met een immens dier? Hield je een pasgeboren baby vast? Wanneer bewonderen wij nog met open mond?

Afgelopen week betrapte ik mezelf erop dat ik luidop uit mijn lood geslagen was. Verbluft. Dat bij het uitzicht waar ik mezelf had op getrakteerd. Een autorit van Wimereux naar Calais langs de kustlijn. Ik stelde vast dat ik zomaar spontaan langs de kant van de weg was gaan staan, dat mijn mond openviel en dat ik “Waw!” stamelde bij de aanblik van wat er door mijn voorruit was te zien. Ik stapte uit. De weg was verder leeg. Ik keek mijn ogen uit mijn lijf. Hoe ik ook probeerde: het beeld kreeg ik niet gefotografeerd. Schitterend.

Je hoeft niet eens ver te rijden om zo’n prachtig landschap te zien. Terwijl ik me wist op te laden aan de schoonheid die ik zomaar voorgeschoteld kreeg, bedacht ik met schrik dat me ook schuldig voelde. Ik was met de auto helemaal hierheen gereden. Zo onschuldig was dat niet. Ik dacht aan de uitlaat. Aan de diesel. Aan alle mensen zonder vakantie. Er sijpelde steeds meer grijs in mijn euforisch gevoel. Waarom kon ik niet enkel meer genieten? Toen ik nogmaals keek, verplichtte ik mezelf om alle schuldgevoel in de auto achter te laten en me weer te laten leiden door het verwonderingsgevoel. Zoveel moeite was dat uiteindelijk niet: het vergezicht was zo groots. Toen ik later terug aan het rijden was, kwam het schuldgevoel weer zachtjes terug. Ik kreeg het niet meer volledig weggedrukt.

Vertel me, lezer, heb jij dat ook? Ik kan me niet voorstellen dat iedereen zich hierin zal herkennen, maar ik hou me sterk bij de gedachte dat er toch enkelingen zijn die dit ook ondervinden. Kunnen we nog onbekommerd zorgeloos verwonderen zonder flardje grijs in onze gedachten te zien?  Ik wens het ons in elk geval toe. We moeten ons nog mogen toestaan onder de indruk te zijn. Want stel je je eens voor hoe grijs en kleurloos het hier zonder verbazingwekkende beelden zou zijn. Perplex staan lijkt me noodzakelijk voor een mooie gratis portie gelukzaligheid.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 31/08/18)

donderdag 30 augustus 2018

Hoe ik het leven in een vrachtwagen mocht ervaren:

Toen Luk op mijn vraag tot uitdagingen reageerde dat ik best wel eens met hem mee mocht in zijn camion, dacht hij wellicht niet dat ik enthousiast zou zijn maar ik wou dat natuurlijk ervaren. Niet dat ik wilde fantasieën koester over mannen in een vrachtwagen. Misschien eerder integendeel. Het leek me heel erg leuk om eens aan de lijve te ondervinden hoe het leven er aan toe gaat boven op die grote wielen. En dat Luk een man is waarbij ik me niet kan vervelen, hielp natuurlijk ook wel om op zijn uitnodiging in te gaan. Al kende ik hem nu ook weer niet zo goed.

Luk was heel kort bakker en daarna de rest van zijn leven chauffeur. Nu al meer dan tien jaar voor het bedrijf ConfortLuxe. Met een grote vrachtwagen rijdt hij normaal zetels naar meubelwinkels in Frankrijk. Meestal regio Normandië, Parijs, Loire-streek, maar als flexibele kracht wordt hij ook soms ingezet voor andere routes of leveringen in België. Als hij naar Frankrijk moet, vertrekt hij normaal op maandag en komt ten laatste op vrijdagnamiddag terug. Voor zo'n rit nodigde hij me uit. Maximum vier nachten, afhankelijk van het aantal bestellingen en het verkeer onderweg.  Best wel lang voor een vuurdoop. Zeker met twee in één kleine ruimte. Maar ik zei dus ja en reserveerde de laatste week van de zomervakantie voor hem.

Zondag kreeg ik het bericht dat hij op maandag niet moest werken. Ik hield me vol spanning vertrekkensklaar voor de rest van de week. Maandag kreeg ik het bericht dat hij op dinsdag om 5u naar Frankrijk mocht vertrekken voor 'vermoedelijk een tweedaagse rit'. Hij wist toen alleen de bestemming van de eerste klant en zou pas op dinsdagochtend zelf de volledige lijst zien. Ik was door zenuwen en schrik me te overslapen op dinsdag al om 3u30 uit de veren om vol spanning naar plek van afspraak te wandelen. Iets voor 6u doemde de grote truck in het eerste ochtendlicht voor me op. Tjakka!




Ik hees mij en mijn beperkte bagage met enige moeite via de drie gigantische treden de cabine in en nam plaats naast Luk. Met mijn kleine ogen zag ik zijn bekende snor en aan het raam de Oekraïense en de Belgische vlag broederlijk naast elkaar. (Luk is getrouwd met een vrouw uit Oekraïne.) Tussen ons in stond zijn gasvuurtje en zijn overlevingspakket voor onderweg. 

Tot hier het inleidend gedeelte. Voor wie Luk niet kent. Om het beeld te schetsen. Om te beginnen aan deze avontuurlijke roadtrip. Een trip waarvoor ik door enkelen vooraf werd gewaarschuwd. "Alleen met een man in zo'n cabine slapen? Ik hoop dat hij je lief is..." "Hou de rits van je slaapzak maar goed dicht..." "Wees alsjeblieft voorzichtig onderweg. Je weet maar nooit..." Maar dapper ben ik. Vooroordelen zijn er om weg te blazen. 





We babbelen ons eenmaal vertrokken de ochtend door. Het verkeer is rustig en rondom ons komt de dag tot leven. Ik word ook stilaan écht wakker.  Zo zie ik pas na enige tijd dat de andere helft van de gangstersnor van Luk verdwenen is. Verloren door een potje kaarten met de vrienden op vakantie in Engeland.  Zo heeft hij letterlijk twee verschillende gezichten. Algauw blijk dat hij allesbehalve het clichébeeld van een trucker is. Dat had ik eigenlijk ook niet verwacht. Clichés zijn best wel saai. Zijn overlevingspakket bijvoorbeeld bestaat alleen uit gezond voedsel. Boterhammen met zelfgemaakte rabarberconfituur. Vijgen. Dadels. Citroenwater. Looktenen. Een zak vol vers fruit. Een noodzakelijk koffiekannetje. Gekonfijte gember. Geen enkele blote vrouw in zijn cabine te spotten. Maar toegegeven: ik durf op dat moment nog niet goed naar het slaapcompartiment te kijken.  Rondom mij zie ik de Franse landschappen ontrollen in bollen hooi en uitgestrekte velden. Rond half tien staan we stil bij de eerste klant in Barentin. Daar waan ik me even in Amerika.



              

Ik stuntel me voor het eerst uit de vrachtwagen - wat een treden! - en bedenk dan nog dat ik graag wil helpen met lossen. Luk doet zijn eerste sanitaire stop tegen de omheining en regelt mijn eerste plasstop op een minder publieke wc. Wanneer ik zie dat Luk eigenhandig grote zetels op zijn schouders naar beneden trekt en op zijn volle schouders laat landen, besef ik dat mijn spiermassa dit niet kan bolwerken zonder blutsen in de gloednieuwe zetels. Ik hou me wat afzijdig terwijl de baas van de meubelzaak met zijn handschoenen aan Luk komt bijstaan. "Meestal helpt er niemand," zegt Luk achteraf.   




Later die ochtend moet Luk verplicht pauzeren. Na een aantal uur gaat een alarm af. Ik geef hem zijn rust en trek er even op uit. Ik stel me voor dat hij wel even nood heeft aan stilte rond zijn hoofd. Met een sappige appel die hij me toegooit, wandel wat rond op lege wegen en bedenk hoe koel hij telkens ontvangen wordt. Als kind zag ik vaak camionchauffeurs materialen ophalen of leveren bij ons thuis. Mijn moeder nodigde ze meestal uit voor een kopje koffie. Ik zag ze dan altijd zitten rond de keukentafel. Een korte babbel. Meer was het ook niet. Maar het kon en was logisch. Hier in Frankrijk, in al die meubelparadijzen, nodigt niemand hem uit voor een babbel. En zonder mij, is hij dus de hele trip alleen. Je moet het maar kunnen. 





Als we later weer op weg zijn naar een volgend mistroostig winkelcentrum wijst Luk me vogels aan in het veld. Hij bekent dat hij zonder die landschappen al lang was gestopt met dit werk. Hij vertelt over vroegere tijden. Over tijden waarin hij nog naar Engeland reisde. Verder Europa door. Dat dit niet meer kan. Dat er te weinig truckchauffeurs zijn die dit werk nog willen doen. Dat overal in de wereld Oost-Europese chauffeurs moeten worden aangenomen: dat ze goedkoper zijn en minder vies zijn van dit werk. "We zijn nog steeds niet erkend."


We kopen in een warenhuis elk een slaatje als eerste middagmaal samen. We hebben als opmerkelijk duo wel een beetje bekijks. We eten in de vrachtwagen terwijl we ook buiten in de zon kunnen eten. Maar ik heb al door dat de cabine op dit moment zijn thuis is. Het is er niet netjes, maar alles heeft zijn vaste plaats. Hij legt me uit dat het moeilijk zal zijn te slapen want waar er normaal extra ruimte is, zitten er kasten. Luk vertelt dat hij geen vaste wagen heeft maar dat dit de oudste in het assortiment is. "Deze vrachtwagen mag Antwerpen niet meer in."



We luisteren later weer op weg naar Oriënt Radio en wanen ons in één of andere desolate woestijn. Tot de radio het begeeft. Luk vertelt over zijn vele avontuurlijk reizen. Hij heeft intussen ook uitgerekend dat onze rit toch wellicht tot donderdagochtend zal duren. Ik denk met schrik aan de slaapplek maar panikeer nog niet. Alles komt goed. Ik voel me in die vrachtwagen eigenlijk verdacht goed op mijn gemak. Dit voelt als een fijn reisje. 


We landen in een groot winkelterrein bij Chartres. Dit wordt onze stopplek van onze eerste dag reizen. We kopen boter, kaas en water in een megagroot shoppingcentrum, ik beloof 's ochtends voor stokbrood te zorgen en we zoeken er samen later een wc om ons 'ei' in te deponeren. We gaan eten bij Flunch en installeren ons voor de nacht. Ergens in een afgelegen hoekje van het shoppingcomplex. Ik had me aan truckstop verwacht met douches en toiletten. Maar hier moet alles puur natuur. Hij toont me zijn wasrituelen: zijn voeten met flessenwater spoelen en afdrogen. Ik doe het hem na. Mijn blote voetjes bengelend uit de camion. Zijn tanden poetsen door het raam van de truck. Ook dit doe ik na. "Meer is er niet nodig", antwoordt hij als ik hem voorzichtig vraag of er nog andere lichaamsdelen zijn die dit soort truckwas vereisen. "Zeep is alleen nodig om je handen te wassen." De toon is gezet en we beginnen aan het meest delicate van de dag: we proberen mij samen op het bovenste schap van het slaapgedeelte te hijsen. Hij slaapt altijd beneden. Wat ik al vreesde, blijkt terecht: hier pas ik in met een schoenlepel, maar hoe geraak ik er weer uit? Het zorgt voor hilarische taferelen en een onbedaarlijke slappe lach. Uiteindelijk offert hij zijn goede plek voor me op en wurmt zichzelf  met zijn lange lijf op het bovenste bed. Het lukt hem zelf ook maar net. Hij valt algauw als een blok in slaap en ik hoop dat mijn blaas het tot de ochtend zal halen.

Om 2u in de nacht word ik wakker van gedonder en felle regen. Ik maak me geen zorgen en voel me veilig in deze stevige stikhete kooi van Faraday. Daarenboven is Luk een beer van een vent. Tot ik het hoor druppelen in de cabine. Er lekt water op mijn kleren. Het regent binnen. Ik probeer het euvel half in slaapzak te vinden en verschuif natte spullen naar droge plekken. Natuurlijk wordt Luk wakker en hij wringt zich met moeite uit bed. Daar zitten we beiden in onze weinige slaapkleren. Het dak van zijn vrachtwagen staat blijkbaar nog open. Na een douche in de regen, spartelt hij zich weer op het bed. "Alles voor het verhaal! Er is een voor en na de regen",  zegt hij en ik hoor hem snel weer in slaap.  Ik gniffel nog na. 



De volgende ochtend is onze reis toch veel grijzer. Het miezert en is koud. Het is niet zo vroeg als de dag ervoor. We zijn vlakbij de winkel en die gaat pas om 9u open. We hebben tijd en nemen die. Ik haal verse stokbroden terwijl Luk koffie zet en zijn cabine met ontbijtspullen zet. Hij giet citroenwater in zijn fles water en we ontbijten. Hij verorbert een heel brood en zet en legt alles weer op de plek van voorheen. Mijn slaapzak zie ik angstvallig weer naar boven verdwijnen. Na het lossen van de eerste colli's rijden we met Radio Cherry op de achtergrond - hoera! hij doet het weer! - stilletjesaan richting Blois. Luk is een bijzonder coördinatietalent: zo kan hij de planning lezen terwijl we rijden. Hij rolt al rijdend zijn sigaret. Hij poetst zijn tanden rijdend met spuugbakje naast zich en klassieke muziek op de achtergrond, want Radio Cherry laat al ons gauw in de steek. Het is vermakelijk om zijn sappige verhalen te horen en hem in zijn cabine te zien, lurkend aan zijn sigaret.

Regen is goed voor de slakken. Ergens achter een afvalcontainer bij alweer een meubelzaak denk ik een snailtruck te zien. 


Later meen ik een variant hierop te zien.



We zijn alweer in een gigantisch koopcentrum. We gaan eten: we hopen op broodjes. Maar het wordt omelet met friet in een delicatessenzaak. Daarna ga ik wandelen, terwijl ik Luk zijn tukje laat doen. Het is lastig me bezig te houden in dit centrum waar alle winkels pas weer om 14u openen. Behalve dan de Bioscoop, die blijft voortdurend open. Deze biozaak loop ik binnen en ik denk aan Luk zijn voedselpakket. Hij is me als gezondheidsgoeroe onbewust al goed aan het bekeren. Ik had hem verteld over mijn nakend dieet (jaja, hier staat het nog eens zwart op wit) en hij geeft me gedurende de reis voortdurend tips tot beter eten en veel meer bewegen en nu sta ik hier. Toevallig ook weer op een gezonde plek. Ik voel mijn friet en omelet al keren... 

Het is ook in dit winkelcentrum dat ik voor het eerst oogcontact heb met andere trucker. Hij kijkt nors maar geeft me toch een knikje vol begrip. Hij fluit als hij voorbij komt. Net als Luk levert hij enkele zetels in zijn eentje. Hij heeft wel handschoenen en een zilveren ketting. Hij heeft ook een snor. Een hele. 

Alle bestellingen worden netjes een voor een geleverd. Vaak gaat het moeilijker want niet alle zaken hebben een degelijke losplek. Met soms kwade chauffeurs tot gevolg. Orléans is onze laatste halte voor vertrek. Het is aardig druk in het centrum van de stad. Auto's toeteren, schieten voorbij in een manoeuvre. Hoe ben ik zelf? Ikzelf ben nu wat stiller. Misschien komt het door de vermoeidheid. Het komt vast en zeker ook door de omelet. We gaan samen eten voor de avond kopen. En alweer brood voor de ochtend. We zullen ergens langs de snelweg moeten overnachten. Luk wil voorbij Parijs zijn om te stoppen. We spotten nog wat hertjes. Hij laat me zijn pennenvruchten lezen die hij tijdens zijn vorige lange rit geschreven heeft, want ook schrijven en rijden is geen probleem voor deze held.

Dan is er natuurlijk file. Ik voel enorme buikkrampen en ik moet me gedurende de rit concentreren op die krampen. "Waterkefir! Dat moet je drinken voor een gezonde stoelgang!" Maar er is geen waterkefir in onze cabine en we rijden zo traag als die slak van daarnet - zo voelt het - , maar hij maakt mooi gebruik van elk gat. Hier wil ik hem toch even citeren: "O je 'n gat it, moe je da pakkn." Terwijl hij me coacht nog wat vol te houden, want hij weet wel de plekken, kondigt hij me een mooi zicht op Parijs aan. Op de achtergrond is Afrikaanse muziek want alweer een andere zender...  Ik knijp met mijn billen en trek wellicht de moeilijkste gezichten. Hij vertelt machtige verhalen over zijn reizen in Afrika. Over zijn diarree daar. Over kakruimplannen in Oekraïne. Ik trek steeds witter weg en zeg vaker alleen maar "Ja."  Hij snapt de ernst van de zaak en neemt de snelste route en herhaalt: "Het is niet ver meer..." Ik spurt me (zo snel geraakte ik nog niet eerder uit de cabine) naar buiten maar vindt geen losplek. Die is buiten gebruik. Dan maar de volgende. "Ik kan met de spullen in de cabine wel een kleedje voor je fabriceren mocht het slecht aflopen", lacht hij. Ik lach wat groen. Ik zou zo langs de kant met de voorbijrijdende rijen auto's kunnen, bedenk ik opeens. Maar gelukkig arriveren we veilig en wel op een andere plek. Een publiek toilet. Hij duwt me toiletpapier in mijn handen en roept: "Alles voor het verhaal!" en "Hup!" Op het allerlaatste laatste nippertje gered. Ik adem weer op. 

Daarna is het zoeken naar een halte voor onze laatste slaapplek. Alles staat vol en de truckparking is gesloten. Hij vloekt. Hij mag maar enkele minuten meer rijden voor het biepen begint. "We moeten als truckchauffeur altijd maar onze plan trekken. Waarom houden ze zo weinig rekening met ons?" Hij parkeert zich voor een oplegger met tractoren op de afrit van de truckparking. Het moet hier. 
Naast me zie en hoor ik het voorbijrazend verkeer en bedenk met schrik dat ik daar ga slapen. Hier. Ik heb me als bestuurder al vaak afgevraagd of dat wel veilig is op zo'n afrit slapen. Maar er is echt geen andere plek. Ik bedenk dat ook dit wel goed komt. Dat kan niet anders. Er parkeert zich een Casanova voor ons en we komen tot rust met onze voeten op het dashboard. We filosoferen wat. Ik eet wijselijk niets. Samen zien we het donker vallen.  Tussende wielen van camion en de vangrail doe ik voor het eerst schaamteloos een plasje op de autosnelweg. Een plasje voor het slapengaan. Ik was mijn voeten. Ik poets mijn tanden. Maar ik heb echt geen zin om we weer die doodskist in te wringen. Luk wil best weer boven, maar ik zeg: "Slaap jij maar beneden. Ik slaap wel in mijn zetel voorin." Ik vind dat hij z'n beste ligplek wel verdiend heeft na zo'n heldhaftige dag. 





Natuurlijk slaap ik amper. Er is het almaar geraas van voorbijrijden verkeer. Er is een koude. Er is een plek die niet dient om te slapen. Maar het stoort me niet. Ik voel me er zorgeloos veilig. Terwijl ik de voeten van Luk achter mijn zetel voel woelen en hem hoor slapen draai ik me in een nieuwe positie. En ik denk aan het citaat van Luk over dat gat en pak het tot de houding niet meer zo comfortabel voelt.

De ochtend kondigt zich aan met rode lichten. Casanova vertrekt en laat een gloed achter. Voordeel van een zittende slaappositie is dat je 's ochtends veel minder werk hebt je aan te kleden in een cabine. We vertrekken na het ontbijt en de koffie richting Menen. De rit is vlot en gezapig. Luk wil me als slot nog café 'National' aan de grenspost in Rekkem laten zien. We drinken er twee koffies terwijl het daar beetje bij beetje volstroomt met mannen. "Vroeger verkocht ik 120 koffies per dag", mijmert de cafébaas - zeven maanden voor zijn pensioen, "nu verkoop ik er 120 per week. Buitenlandse truckers maken geen kosten onderweg."

Daarna zet Luk me af en ik mag naar huis wandelen. "Beweging is goed en doet je hart leven", hoest hij. Hij heeft nog een werkdag tot 16u voor de boeg. En ik heb de hoop op douchen, slapen en nog een dagje verlof. Al leerde ik die laatste dagen van mijn vakantie een hele hoop. Ik kan me eigenlijk geen beter einde dromen.

Het was een goed verhaal, Luk! Merci!

PS: Met die gemiste snorhelft komt het vast en zeker ook weer snel goed: deze truckrit alleen al deed mijn baardhaar alvast met een centimeter groeien.