maandag 17 september 2018

TINE ZIET (133): Teletijdmachine


Mensen die me regelmatig lezen, weten dat ik soms wat kwistig ben met nostalgische saus. Wellicht is me dat ingegeven met de paplepel. Altijd is er in mijn hoofd wel een luikje dat naar vroeger opendraait. Niet dat ik wat er in het verleden was, op een voetstuk wil plaatsen, maar ik dweep misschien een beetje te veel met Mister Nostalgie. Ik begrijp het niet altijd: niet alles wat vroeger was, was beter of gezelliger. Mijn kindertijd beleefde ik echt niet voortdurend op een roze wolk. Waarom flits ik mezelf dan toch zo vaak terug naar dat sepiamoment?

Heb ik heimwee naar het onbevangene? Naar de eenvoud? Naar een leven zonder virtuele lijnen en beslissingen die ik niet zelf moest nemen? Mis ik de tijdsgeest of is het dan toch dat kind-zijn? Ik kan het niet zo goed bepalen. Ik geloof wel dat ik nu liever volwassen ben. Het lijkt me toch niet prettiger, een kind te zijn in deze maatschappij. Over de toekomst maak ik me nog te veel zorgen. Daar zou ik dus ook nog niet willen zijn, moest dat ooit met dat flitsen levensecht gaan lukken. Beter neem ik het moment zoals het komt en als het jeukt, kijk ik wel even schaamteloos achter mijn rug.  

Gisteren reisden wij met mijn familie terug in de tijd. Samen met de neefjes en nichtjes bezochten wij plekken die wij als kind met onze ouders bezochten. Dat waren eenvoudige plekken: Tiegemberg en de Brielmeersen in Deinze. Dat bezochten wij als kind gewoon met de fiets. Dan aten we een picknick, hielden ons daar wat bezig en reden weer naar huis terug. Mijn moeder maakte daarna meestal nog frietjes. Nu waren we allen met de auto. We wandelden, dronken een aperitiefje en haalden onze picknick uit de Picknickkast. Dat hadden we gewoon op voorhand besteld. In de Brielmeersen speelden we minigolf, dat hadden we als familie nog nooit gedaan.  We praatten en dronken wat in de zon en gingen daarna naar een bistro in de buurt.  Het was dus allemaal wat nostalgisch maar alles kende een hedendaagse update. Het was een fijne dag schommelend tussen heden en verleden.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 14/09/18)





maandag 10 september 2018

TINE ZIET (132): Jobruil


Vorige week kon ik eens proeven van een andere job. Ik reed drie dagen (en twee nachten) mee met een truckchauffeur. Dit omdat ik werd uitgedaagd dat eens te doen. Tot ik veertig ben, ben ik inzetbaar voor allerlei uitnodigingen. Ook daarna zal ik wellicht reiken naar alle kansen die me aangeboden worden. Door enkele dagen in die cabine te zitten, ben ik natuurlijk geen specialist geworden. Maar ik kan met alle zekerheid zeggen dat ik meer begrip gekregen heb voor de job. Ik versta bijvoorbeeld opeens waarom vrachtwagens op de weg moeten staan om te lossen. Waarom truckchauffeurs geen rokjes aan doen. Of waarom ze op de afrit van een benzinestation gaan staan om de slapen. Door even heel kort mee te lopen met een andere job, krijg je een ander inzicht. In mijn geval ga ik in de toekomst ongetwijfeld minder foeteren en geduldiger zijn als ik een truck een manoeuvre zie doen. Eens een andere werkvloer dan de vertrouwde bewandelen, maakt je eigenlijk wel een ander mens.

Natuurlijk heeft niet iedereen de tijd om dit te doen. Als leerkracht heb ik veel vakantie. Afgelopen zomervakantie mocht ik het weer dikwijls horen. Alsof vakantie de brandstof van mijn job is. Nee, mijn energie haal ik uit de blije gezichten straks. Het trotse glimmen van de ouders. Het huppelen van pret. De blik in de ogen als een jongere iets luidop leest en zegt: “Wat is dat mooi!” Of het muurbloempje dat opeens gaat bloeien als een zonnebloem.  Ik zou niet graag definitief van job willen ruilen.

Nee, in een ideale wereld zou er een onderlinge overeenkomst tussen werkgevers moeten bestaan die zegt: “Sta gerust eens drie dagen naast een slager en breng die slager dan maar ook eens drie dagen mee naar hier.” Dat kan natuurlijk niet. De ervaring die je op een andere werkvloer opdoet, maakt je wel rijker als werknemer. Je ervaring met iemand delen ook. Ik verkondig hierbij niets nieuws. Het zou een ideaal TV-format zijn. Wellicht bestaat het al. Ook zonder BV’s. Maar het liefst nog zonder veel camera’s: mens en mens ondereen. Want eerlijk is eerlijk: eens proeven van een andere job, zet je soms ook gewoon in je onderbroek.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 07/09/18)



maandag 3 september 2018

TINE ZIET (131): Waw!

Wanneer was de laatste keer dat jij in totale bewondering stond, lezer? Was dat omdat de zon zo mooi onderging? Of was het omdat je oog in oog stond met een immens dier? Hield je een pasgeboren baby vast? Wanneer bewonderen wij nog met open mond?

Afgelopen week betrapte ik mezelf erop dat ik luidop uit mijn lood geslagen was. Verbluft. Dat bij het uitzicht waar ik mezelf had op getrakteerd. Een autorit van Wimereux naar Calais langs de kustlijn. Ik stelde vast dat ik zomaar spontaan langs de kant van de weg was gaan staan, dat mijn mond openviel en dat ik “Waw!” stamelde bij de aanblik van wat er door mijn voorruit was te zien. Ik stapte uit. De weg was verder leeg. Ik keek mijn ogen uit mijn lijf. Hoe ik ook probeerde: het beeld kreeg ik niet gefotografeerd. Schitterend.

Je hoeft niet eens ver te rijden om zo’n prachtig landschap te zien. Terwijl ik me wist op te laden aan de schoonheid die ik zomaar voorgeschoteld kreeg, bedacht ik met schrik dat me ook schuldig voelde. Ik was met de auto helemaal hierheen gereden. Zo onschuldig was dat niet. Ik dacht aan de uitlaat. Aan de diesel. Aan alle mensen zonder vakantie. Er sijpelde steeds meer grijs in mijn euforisch gevoel. Waarom kon ik niet enkel meer genieten? Toen ik nogmaals keek, verplichtte ik mezelf om alle schuldgevoel in de auto achter te laten en me weer te laten leiden door het verwonderingsgevoel. Zoveel moeite was dat uiteindelijk niet: het vergezicht was zo groots. Toen ik later terug aan het rijden was, kwam het schuldgevoel weer zachtjes terug. Ik kreeg het niet meer volledig weggedrukt.

Vertel me, lezer, heb jij dat ook? Ik kan me niet voorstellen dat iedereen zich hierin zal herkennen, maar ik hou me sterk bij de gedachte dat er toch enkelingen zijn die dit ook ondervinden. Kunnen we nog onbekommerd zorgeloos verwonderen zonder flardje grijs in onze gedachten te zien?  Ik wens het ons in elk geval toe. We moeten ons nog mogen toestaan onder de indruk te zijn. Want stel je je eens voor hoe grijs en kleurloos het hier zonder verbazingwekkende beelden zou zijn. Perplex staan lijkt me noodzakelijk voor een mooie gratis portie gelukzaligheid.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 31/08/18)

donderdag 30 augustus 2018

Hoe ik het leven in een vrachtwagen mocht ervaren:

Toen Luk op mijn vraag tot uitdagingen reageerde dat ik best wel eens met hem mee mocht in zijn camion, dacht hij wellicht niet dat ik enthousiast zou zijn maar ik wou dat natuurlijk ervaren. Niet dat ik wilde fantasieën koester over mannen in een vrachtwagen. Misschien eerder integendeel. Het leek me heel erg leuk om eens aan de lijve te ondervinden hoe het leven er aan toe gaat boven op die grote wielen. En dat Luk een man is waarbij ik me niet kan vervelen, hielp natuurlijk ook wel om op zijn uitnodiging in te gaan. Al kende ik hem nu ook weer niet zo goed.

Luk was heel kort bakker en daarna de rest van zijn leven chauffeur. Nu al meer dan tien jaar voor het bedrijf ConfortLuxe. Met een grote vrachtwagen rijdt hij normaal zetels naar meubelwinkels in Frankrijk. Meestal regio Normandië, Parijs, Loire-streek, maar als flexibele kracht wordt hij ook soms ingezet voor andere routes of leveringen in België. Als hij naar Frankrijk moet, vertrekt hij normaal op maandag en komt ten laatste op vrijdagnamiddag terug. Voor zo'n rit nodigde hij me uit. Maximum vier nachten, afhankelijk van het aantal bestellingen en het verkeer onderweg.  Best wel lang voor een vuurdoop. Zeker met twee in één kleine ruimte. Maar ik zei dus ja en reserveerde de laatste week van de zomervakantie voor hem.

Zondag kreeg ik het bericht dat hij op maandag niet moest werken. Ik hield me vol spanning vertrekkensklaar voor de rest van de week. Maandag kreeg ik het bericht dat hij op dinsdag om 5u naar Frankrijk mocht vertrekken voor 'vermoedelijk een tweedaagse rit'. Hij wist toen alleen de bestemming van de eerste klant en zou pas op dinsdagochtend zelf de volledige lijst zien. Ik was door zenuwen en schrik me te overslapen op dinsdag al om 3u30 uit de veren om vol spanning naar plek van afspraak te wandelen. Iets voor 6u doemde de grote truck in het eerste ochtendlicht voor me op. Tjakka!




Ik hees mij en mijn beperkte bagage met enige moeite via de drie gigantische treden de cabine in en nam plaats naast Luk. Met mijn kleine ogen zag ik zijn bekende snor en aan het raam de Oekraïense en de Belgische vlag broederlijk naast elkaar. (Luk is getrouwd met een vrouw uit Oekraïne.) Tussen ons in stond zijn gasvuurtje en zijn overlevingspakket voor onderweg. 

Tot hier het inleidend gedeelte. Voor wie Luk niet kent. Om het beeld te schetsen. Om te beginnen aan deze avontuurlijke roadtrip. Een trip waarvoor ik door enkelen vooraf werd gewaarschuwd. "Alleen met een man in zo'n cabine slapen? Ik hoop dat hij je lief is..." "Hou de rits van je slaapzak maar goed dicht..." "Wees alsjeblieft voorzichtig onderweg. Je weet maar nooit..." Maar dapper ben ik. Vooroordelen zijn er om weg te blazen. 





We babbelen ons eenmaal vertrokken de ochtend door. Het verkeer is rustig en rondom ons komt de dag tot leven. Ik word ook stilaan écht wakker.  Zo zie ik pas na enige tijd dat de andere helft van de gangstersnor van Luk verdwenen is. Verloren door een potje kaarten met de vrienden op vakantie in Engeland.  Zo heeft hij letterlijk twee verschillende gezichten. Algauw blijk dat hij allesbehalve het clichébeeld van een trucker is. Dat had ik eigenlijk ook niet verwacht. Clichés zijn best wel saai. Zijn overlevingspakket bijvoorbeeld bestaat alleen uit gezond voedsel. Boterhammen met zelfgemaakte rabarberconfituur. Vijgen. Dadels. Citroenwater. Looktenen. Een zak vol vers fruit. Een noodzakelijk koffiekannetje. Gekonfijte gember. Geen enkele blote vrouw in zijn cabine te spotten. Maar toegegeven: ik durf op dat moment nog niet goed naar het slaapcompartiment te kijken.  Rondom mij zie ik de Franse landschappen ontrollen in bollen hooi en uitgestrekte velden. Rond half tien staan we stil bij de eerste klant in Barentin. Daar waan ik me even in Amerika.



              

Ik stuntel me voor het eerst uit de vrachtwagen - wat een treden! - en bedenk dan nog dat ik graag wil helpen met lossen. Luk doet zijn eerste sanitaire stop tegen de omheining en regelt mijn eerste plasstop op een minder publieke wc. Wanneer ik zie dat Luk eigenhandig grote zetels op zijn schouders naar beneden trekt en op zijn volle schouders laat landen, besef ik dat mijn spiermassa dit niet kan bolwerken zonder blutsen in de gloednieuwe zetels. Ik hou me wat afzijdig terwijl de baas van de meubelzaak met zijn handschoenen aan Luk komt bijstaan. "Meestal helpt er niemand," zegt Luk achteraf.   




Later die ochtend moet Luk verplicht pauzeren. Na een aantal uur gaat een alarm af. Ik geef hem zijn rust en trek er even op uit. Ik stel me voor dat hij wel even nood heeft aan stilte rond zijn hoofd. Met een sappige appel die hij me toegooit, wandel wat rond op lege wegen en bedenk hoe koel hij telkens ontvangen wordt. Als kind zag ik vaak camionchauffeurs materialen ophalen of leveren bij ons thuis. Mijn moeder nodigde ze meestal uit voor een kopje koffie. Ik zag ze dan altijd zitten rond de keukentafel. Een korte babbel. Meer was het ook niet. Maar het kon en was logisch. Hier in Frankrijk, in al die meubelparadijzen, nodigt niemand hem uit voor een babbel. En zonder mij, is hij dus de hele trip alleen. Je moet het maar kunnen. 





Als we later weer op weg zijn naar een volgend mistroostig winkelcentrum wijst Luk me vogels aan in het veld. Hij bekent dat hij zonder die landschappen al lang was gestopt met dit werk. Hij vertelt over vroegere tijden. Over tijden waarin hij nog naar Engeland reisde. Verder Europa door. Dat dit niet meer kan. Dat er te weinig truckchauffeurs zijn die dit werk nog willen doen. Dat overal in de wereld Oost-Europese chauffeurs moeten worden aangenomen: dat ze goedkoper zijn en minder vies zijn van dit werk. "We zijn nog steeds niet erkend."


We kopen in een warenhuis elk een slaatje als eerste middagmaal samen. We hebben als opmerkelijk duo wel een beetje bekijks. We eten in de vrachtwagen terwijl we ook buiten in de zon kunnen eten. Maar ik heb al door dat de cabine op dit moment zijn thuis is. Het is er niet netjes, maar alles heeft zijn vaste plaats. Hij legt me uit dat het moeilijk zal zijn te slapen want waar er normaal extra ruimte is, zitten er kasten. Luk vertelt dat hij geen vaste wagen heeft maar dat dit de oudste in het assortiment is. "Deze vrachtwagen mag Antwerpen niet meer in."



We luisteren later weer op weg naar Oriënt Radio en wanen ons in één of andere desolate woestijn. Tot de radio het begeeft. Luk vertelt over zijn vele avontuurlijk reizen. Hij heeft intussen ook uitgerekend dat onze rit toch wellicht tot donderdagochtend zal duren. Ik denk met schrik aan de slaapplek maar panikeer nog niet. Alles komt goed. Ik voel me in die vrachtwagen eigenlijk verdacht goed op mijn gemak. Dit voelt als een fijn reisje. 


We landen in een groot winkelterrein bij Chartres. Dit wordt onze stopplek van onze eerste dag reizen. We kopen boter, kaas en water in een megagroot shoppingcentrum, ik beloof 's ochtends voor stokbrood te zorgen en we zoeken er samen later een wc om ons 'ei' in te deponeren. We gaan eten bij Flunch en installeren ons voor de nacht. Ergens in een afgelegen hoekje van het shoppingcomplex. Ik had me aan truckstop verwacht met douches en toiletten. Maar hier moet alles puur natuur. Hij toont me zijn wasrituelen: zijn voeten met flessenwater spoelen en afdrogen. Ik doe het hem na. Mijn blote voetjes bengelend uit de camion. Zijn tanden poetsen door het raam van de truck. Ook dit doe ik na. "Meer is er niet nodig", antwoordt hij als ik hem voorzichtig vraag of er nog andere lichaamsdelen zijn die dit soort truckwas vereisen. "Zeep is alleen nodig om je handen te wassen." De toon is gezet en we beginnen aan het meest delicate van de dag: we proberen mij samen op het bovenste schap van het slaapgedeelte te hijsen. Hij slaapt altijd beneden. Wat ik al vreesde, blijkt terecht: hier pas ik in met een schoenlepel, maar hoe geraak ik er weer uit? Het zorgt voor hilarische taferelen en een onbedaarlijke slappe lach. Uiteindelijk offert hij zijn goede plek voor me op en wurmt zichzelf  met zijn lange lijf op het bovenste bed. Het lukt hem zelf ook maar net. Hij valt algauw als een blok in slaap en ik hoop dat mijn blaas het tot de ochtend zal halen.

Om 2u in de nacht word ik wakker van gedonder en felle regen. Ik maak me geen zorgen en voel me veilig in deze stevige stikhete kooi van Faraday. Daarenboven is Luk een beer van een vent. Tot ik het hoor druppelen in de cabine. Er lekt water op mijn kleren. Het regent binnen. Ik probeer het euvel half in slaapzak te vinden en verschuif natte spullen naar droge plekken. Natuurlijk wordt Luk wakker en hij wringt zich met moeite uit bed. Daar zitten we beiden in onze weinige slaapkleren. Het dak van zijn vrachtwagen staat blijkbaar nog open. Na een douche in de regen, spartelt hij zich weer op het bed. "Alles voor het verhaal! Er is een voor en na de regen",  zegt hij en ik hoor hem snel weer in slaap.  Ik gniffel nog na. 



De volgende ochtend is onze reis toch veel grijzer. Het miezert en is koud. Het is niet zo vroeg als de dag ervoor. We zijn vlakbij de winkel en die gaat pas om 9u open. We hebben tijd en nemen die. Ik haal verse stokbroden terwijl Luk koffie zet en zijn cabine met ontbijtspullen zet. Hij giet citroenwater in zijn fles water en we ontbijten. Hij verorbert een heel brood en zet en legt alles weer op de plek van voorheen. Mijn slaapzak zie ik angstvallig weer naar boven verdwijnen. Na het lossen van de eerste colli's rijden we met Radio Cherry op de achtergrond - hoera! hij doet het weer! - stilletjesaan richting Blois. Luk is een bijzonder coördinatietalent: zo kan hij de planning lezen terwijl we rijden. Hij rolt al rijdend zijn sigaret. Hij poetst zijn tanden rijdend met spuugbakje naast zich en klassieke muziek op de achtergrond, want Radio Cherry laat al ons gauw in de steek. Het is vermakelijk om zijn sappige verhalen te horen en hem in zijn cabine te zien, lurkend aan zijn sigaret.

Regen is goed voor de slakken. Ergens achter een afvalcontainer bij alweer een meubelzaak denk ik een snailtruck te zien. 


Later meen ik een variant hierop te zien.



We zijn alweer in een gigantisch koopcentrum. We gaan eten: we hopen op broodjes. Maar het wordt omelet met friet in een delicatessenzaak. Daarna ga ik wandelen, terwijl ik Luk zijn tukje laat doen. Het is lastig me bezig te houden in dit centrum waar alle winkels pas weer om 14u openen. Behalve dan de Bioscoop, die blijft voortdurend open. Deze biozaak loop ik binnen en ik denk aan Luk zijn voedselpakket. Hij is me als gezondheidsgoeroe onbewust al goed aan het bekeren. Ik had hem verteld over mijn nakend dieet (jaja, hier staat het nog eens zwart op wit) en hij geeft me gedurende de reis voortdurend tips tot beter eten en veel meer bewegen en nu sta ik hier. Toevallig ook weer op een gezonde plek. Ik voel mijn friet en omelet al keren... 

Het is ook in dit winkelcentrum dat ik voor het eerst oogcontact heb met andere trucker. Hij kijkt nors maar geeft me toch een knikje vol begrip. Hij fluit als hij voorbij komt. Net als Luk levert hij enkele zetels in zijn eentje. Hij heeft wel handschoenen en een zilveren ketting. Hij heeft ook een snor. Een hele. 

Alle bestellingen worden netjes een voor een geleverd. Vaak gaat het moeilijker want niet alle zaken hebben een degelijke losplek. Met soms kwade chauffeurs tot gevolg. Orléans is onze laatste halte voor vertrek. Het is aardig druk in het centrum van de stad. Auto's toeteren, schieten voorbij in een manoeuvre. Hoe ben ik zelf? Ikzelf ben nu wat stiller. Misschien komt het door de vermoeidheid. Het komt vast en zeker ook door de omelet. We gaan samen eten voor de avond kopen. En alweer brood voor de ochtend. We zullen ergens langs de snelweg moeten overnachten. Luk wil voorbij Parijs zijn om te stoppen. We spotten nog wat hertjes. Hij laat me zijn pennenvruchten lezen die hij tijdens zijn vorige lange rit geschreven heeft, want ook schrijven en rijden is geen probleem voor deze held.

Dan is er natuurlijk file. Ik voel enorme buikkrampen en ik moet me gedurende de rit concentreren op die krampen. "Waterkefir! Dat moet je drinken voor een gezonde stoelgang!" Maar er is geen waterkefir in onze cabine en we rijden zo traag als die slak van daarnet - zo voelt het - , maar hij maakt mooi gebruik van elk gat. Hier wil ik hem toch even citeren: "O je 'n gat it, moe je da pakkn." Terwijl hij me coacht nog wat vol te houden, want hij weet wel de plekken, kondigt hij me een mooi zicht op Parijs aan. Op de achtergrond is Afrikaanse muziek want alweer een andere zender...  Ik knijp met mijn billen en trek wellicht de moeilijkste gezichten. Hij vertelt machtige verhalen over zijn reizen in Afrika. Over zijn diarree daar. Over kakruimplannen in Oekraïne. Ik trek steeds witter weg en zeg vaker alleen maar "Ja."  Hij snapt de ernst van de zaak en neemt de snelste route en herhaalt: "Het is niet ver meer..." Ik spurt me (zo snel geraakte ik nog niet eerder uit de cabine) naar buiten maar vindt geen losplek. Die is buiten gebruik. Dan maar de volgende. "Ik kan met de spullen in de cabine wel een kleedje voor je fabriceren mocht het slecht aflopen", lacht hij. Ik lach wat groen. Ik zou zo langs de kant met de voorbijrijdende rijen auto's kunnen, bedenk ik opeens. Maar gelukkig arriveren we veilig en wel op een andere plek. Een publiek toilet. Hij duwt me toiletpapier in mijn handen en roept: "Alles voor het verhaal!" en "Hup!" Op het allerlaatste laatste nippertje gered. Ik adem weer op. 

Daarna is het zoeken naar een halte voor onze laatste slaapplek. Alles staat vol en de truckparking is gesloten. Hij vloekt. Hij mag maar enkele minuten meer rijden voor het biepen begint. "We moeten als truckchauffeur altijd maar onze plan trekken. Waarom houden ze zo weinig rekening met ons?" Hij parkeert zich voor een oplegger met tractoren op de afrit van de truckparking. Het moet hier. 
Naast me zie en hoor ik het voorbijrazend verkeer en bedenk met schrik dat ik daar ga slapen. Hier. Ik heb me als bestuurder al vaak afgevraagd of dat wel veilig is op zo'n afrit slapen. Maar er is echt geen andere plek. Ik bedenk dat ook dit wel goed komt. Dat kan niet anders. Er parkeert zich een Casanova voor ons en we komen tot rust met onze voeten op het dashboard. We filosoferen wat. Ik eet wijselijk niets. Samen zien we het donker vallen.  Tussende wielen van camion en de vangrail doe ik voor het eerst schaamteloos een plasje op de autosnelweg. Een plasje voor het slapengaan. Ik was mijn voeten. Ik poets mijn tanden. Maar ik heb echt geen zin om we weer die doodskist in te wringen. Luk wil best weer boven, maar ik zeg: "Slaap jij maar beneden. Ik slaap wel in mijn zetel voorin." Ik vind dat hij z'n beste ligplek wel verdiend heeft na zo'n heldhaftige dag. 





Natuurlijk slaap ik amper. Er is het almaar geraas van voorbijrijden verkeer. Er is een koude. Er is een plek die niet dient om te slapen. Maar het stoort me niet. Ik voel me er zorgeloos veilig. Terwijl ik de voeten van Luk achter mijn zetel voel woelen en hem hoor slapen draai ik me in een nieuwe positie. En ik denk aan het citaat van Luk over dat gat en pak het tot de houding niet meer zo comfortabel voelt.

De ochtend kondigt zich aan met rode lichten. Casanova vertrekt en laat een gloed achter. Voordeel van een zittende slaappositie is dat je 's ochtends veel minder werk hebt je aan te kleden in een cabine. We vertrekken na het ontbijt en de koffie richting Menen. De rit is vlot en gezapig. Luk wil me als slot nog café 'National' aan de grenspost in Rekkem laten zien. We drinken er twee koffies terwijl het daar beetje bij beetje volstroomt met mannen. "Vroeger verkocht ik 120 koffies per dag", mijmert de cafébaas - zeven maanden voor zijn pensioen, "nu verkoop ik er 120 per week. Buitenlandse truckers maken geen kosten onderweg."

Daarna zet Luk me af en ik mag naar huis wandelen. "Beweging is goed en doet je hart leven", hoest hij. Hij heeft nog een werkdag tot 16u voor de boeg. En ik heb de hoop op douchen, slapen en nog een dagje verlof. Al leerde ik die laatste dagen van mijn vakantie een hele hoop. Ik kan me eigenlijk geen beter einde dromen.

Het was een goed verhaal, Luk! Merci!

PS: Met die gemiste snorhelft komt het vast en zeker ook weer snel goed: deze truckrit alleen al deed mijn baardhaar alvast met een centimeter groeien.



zondag 26 augustus 2018

TINE ZIET (130): Date

Vrijdag had ik een afspraakje. Op zich is dat geen wereldnieuws. Het hoort ook niet in de krant. Maar toch wil ik dit met jullie delen. Ik had een date met mijn neefje. Hij stond me keurig op te wachten en zwaaide naar me vanachter het raam toen ik mijn auto voor de deur parkeerde. Hij was mooi opgedirkt. Met sportschoenen, short, hemdje, een vestje en een strik. Hij bekende een beetje zenuwachtig te zijn. Dat ongemak was te voelen in de auto. We waren nooit eerder met ons tweetjes weggeweest.

Ik reed helemaal met hem terug naar Menen alwaar ik een tafeltje had gereserveerd. Hij bestelde een groot bord spaghetti en ik een berg sla. Ik verheugde me nog op een ijsje of een koffie daarna, hij wou zo snel mogelijk naar de volgende halte. Hij mocht iets uitkiezen van zijn favoriete voetbalploeg. De verkoopster wou hem een fleece of een schooltas verkopen, maar dat wou hij niet. Na een dik kwartier koos hij voor een koptelefoon met daarop het logo van de ploeg. “En nu, tante? Wat gaan we nu doen?” zei hij toen hij weer naast me in de auto zat. Ik had helaas niet over het feit nagedacht dat alles wat ik in mijn hoofd had in minder dan twee uur zou zijn beklonken. Afspraakjes verlopen doorgaans minder vlot.

Even dacht ik na. Hij wou naar de bioscoop. Maar ik bedacht dat het misschien wel een idee was om samen met hem naar Kortrijk te rijden voor enkele locaties in de tentoonstelling ‘PLAY’. Daar was ik minder centen kwijt. Daarenboven waren we dan samen buiten en hoefden we niet in het donker te zwijgen. Ik was al eerder met vrienden en hun kinderen op die eigenwijze stadsfestival en gokte welke locaties in de smaak zouden vallen bij mij neef. Hij sprong enthousiast uit een Broeltoren en bedolf zichzelf in de confetti. Hij vond het geweldig ondanks het feit dat hij niet op het bed mocht springen. Zoals een echte date trakteerde hij me dan maar op een drankje. Toen we terug naar de auto stapten,  pakte hij eerst voorzichtig mijn arm vast, dan stevig mijn hand en zong zachtjes: “Ik wil niet naar huis vannacht.” Dat de tekst niet klopte, vond ik niet erg. Dat dit voor mij de liefste date in jaren was. Daarmee is misschien alles gezegd.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 24/08/18)

maandag 20 augustus 2018

TINE ZIET (129): Drift


Afgelopen zondag kwam er een vriendin op bezoek. Ze is wel geboren in Menen, maar woont al jarenlang in Gent. Toen ik haar ’s avonds begeleidde naar het station waren wij getuige van een verbluffend schouwspel. Er waren enkele jongens aan het praten bij de fietsenrekken. We stonden op het eerste perron nog wat te kletsen toen er opeens uit het wilde weg een jonge kerel van achter het stationsgebouw kwam en begon te roepen op de man die rommel aan het opruimen was aan de fietsenrekken. De man deed dat niet omdat het zijn werk is, maar omdat hij zich geroepen voelt dat te doen in onze stad. Hij grapte droogjes dat hij dat deed in opdracht van de stad. De jonge kerel schold hem uit in één of andere driftige furie. Wellicht was hij onder invloed. Mijn vriendin en ik keken perplex toe en wisten dat we ons niet in deze woordenvloed moesten mengen of dat we wellicht een vuistslag zouden krijgen. De jongens aan de fietsenrekken zeiden ook niets. De jonge kerel liet een woordenstorm op de man los waarin zijn hele frustratie over loon, stad en treinen met vertraging losliet. De man met de blikjes in de hand bleef kalm terwijl hij verder rommel vergaarde. Hij gaf af en toe een rustig antwoord.  Toen de jonge kerel weer achter het gebouw verdween om op zijn trein te wachten, hielden wij even onze adem in en begonnen de jongens weer te kletsen, maar de jonge kerel bedacht dat het de man was die nog iets tussen neus en lippen zei en kwam agressief weer terug en begon een nieuwe scheldpartij in wild geraas om daarna weer te verdwijnen.

De vriendin die het eerst wel grappig had gevonden, had weinig begrepen van dit hele gebeuren maar besefte natuurlijk wel dat het uiteindelijk ernstig was. Toen ik voor haar de discussie wat had vertaald, bleef ik wat op mijn hoede naar het stationsgebouw staren. De trein kwam eraan. De vriendin ging met haar plooifiets naar het andere perron. De man die uitgescholden werd, was inmiddels met alle vergaarde afval verdwenen. Het stationsplein zag er weer netjes uit, maar het voelde zo vies: verbaal geweld en de onmacht niets te durven doen.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 17/08/18)

woensdag 15 augustus 2018

Hoe ik speciaal naar zee reed om ze te zien ontwaken

Het was half zes toen ik de trap afstrompelde. Er viel nog geen licht binnen in mijn badkamer. Speciaal zo vroeg uit de veren voor de uitdaging van Dany. Zij vroeg me om zo vroeg op te staan om samen te zee te zien ontwaken. Zij met haar cameratoestel bij de hand. Ik met woorden om de ochtendzee te beschrijven. We reden naar De Panne, waar Dany heel wat kindertijd heeft doorgebracht bij de Berthastrandcabines en de Paterskerk.




Koning Leopold I wachtte ons statig op. Achter zijn schenen scheen het strand nog bijna leeg en de zee ziltgrijs. De draaimolen sliep nog onder het zeil. Het zand lonkte om door ons te worden betreden. Er stond nog een zandkasteel van de dag ervoor dat door de voorbije vloed net niet werd aangeraakt. Elegante meeuwen namen een frisse duik in de plassen zee. Joggers maakten de eerste stappen in het zand. Een wakkere vader met zijn zonen sloop met netjes naar het water. Een machine leek het zand te borstelen en een strandjutter bliepte net een metalen schat op voor in zijn rugzak. 





We hadden het ondertussen over het verdwijnen van de duinen en oude mooie huizen aan de dijk.
Dany ging af en toe door de knieën om een foto te nemen. We merkten op dat er weinig schelpen waren. Er was schuim dat de zee onbeschaamd van zich had afgeworpen. Er waren gestreepte strandcabines. Geen verdwaalpalen. We hadden het erover wat een zee met ons doet. Dat ze neemt en geeft. Dat ze mij vaak ook met een gevoel van tristesse achterlaat. Dat een zee kan helen. Het einde van het strand van De Panne kondigde zich aan in een driekoppig standbeeld.



Bij het terugwandelen ontwaakte ook het dijkleven. Terrasjes werden klaargezet. Gocarts werden ontgrendeld. Soepkarren schelden de dijkbewoners in slaapkledij naar buiten. Er werd met wakkere tred en step naar de bakker gestapt. En ook wij kregen honger. Na het bezoeken van de Koninklijke Oblatenkapel, vonden we een plek waar we konden ontbijten. En terwijl het strand zich met de eerste zonnezoekers vulde, reden wij opgeladen en gevuld met zeegevoel terug naar huis. Bedankt, Dany! 






 

BUURTTUREN: Kollebloemstraat in Waregem


Hier kleurt ons gras
nog groen onder de
bogen van de platanen.

Het verkeer vertraagt
tot bijna stilstand
door de drempel.

Plassen vullen
zich gretig met
zomerse regen.

Terwijl een man
zijn lege flessen
aan een bak doneert,

droomt de buurtpoes
zich de zin tot spinnen.

rookt D’Oude Molen-
ganger zijn sigaret.

toont de stam
stukjes blote vlekken.

en de buurt haar
blauwe plekken. 


maandag 13 augustus 2018

TINE ZIET (128): Reizen


De meest gehoorde vraag die ik afgelopen weken gehoord heb, is: “En ben jij al op reis geweest?” Het is op zich geen rare vraag. Veel mensen gaan op reis in de zomervakantie. Zeker als ze net als ik twee maanden verlof hebben. Wat me een beetje stoort, is dat men er eigenlijk van uit gaat dat je op reis gaat. Alsof reizen automatisch bij je verlof hoort. En als je het niet doet, heb je vast een financieel of een ander probleem.

Als kind ben ik nooit met mijn ouders op reis geweest. Eén keer gingen we naar Nieuwpoort voor enkele dagen. Soms gingen we een weekendje naar zee. We maakten daguitstapjes met de fiets, ik mocht op kamp, maar speelde vooral veel in de grote berg zand van mijn vader en knipte grassprietjes korter met een schaar en maakte heksensoep. Ik herinner het me vaak als zorgeloze dagen. Tenzij we klusjes moeten opknappen. Ook al vielen die eigenlijk ook wel mee. Het feit dat we niet met het vliegtuig of met de auto naar een vakantieoord trokken, voelde zeker niet als een gemis.

Dit is de eerste zomer sinds lange tijd waarin ik niet echt op reis ga. Akkoord: ik boekte een nachtje in Den Haag en in Wimereux. Maar voor velen klinkt dit toch niet hetzelfde als een reis. Toch was ik nooit eerder zo vaak weg. Van dichter Peter Holvoet-Hanssen leerde ik: ‘Echte reizen maak je in je hoofd.’ En deze zomer floept die zin opvallend vaak tussen mijn oren. Velen gaan op reis om hun hoofd leeg te maken of het net op te laden. Maar dat is ook wat deze vakantie met mij doet. Tussen mijn oren is het net als de zee: eb en vloed. Soms stroomt het vol met fantasie of prikkels en op andere dagen loopt het leeg. Beiden doen mij goed. Als er maar die wisselwerking is.  Enkel het ene of het andere zou me onrustig maken. Een landschap of een andere omgeving kan helpen bij die eb of bij die vloed.  Soms helpt het lezen van een boek of een toevallige ontmoeting onderweg. Wat altijd helpt is een adembenemend vergezicht: iets om vol verwondering naar uit te kijken.  Maar dat vind ik vaak ook met mijn ogen dicht.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 10/08/18)


donderdag 9 augustus 2018

Hoe ik mezelf liet terugflitsen naar de Belle époque.

Verkleden is iets wat ik altijd al graag gedaan heb. Toen Katelijne me uitdaagde om in Belle Epoque-stijl naar Trammelant in De Haan te gaan, aarzelde ik dus niet. Ik had al de Roaring Twenties gehad als dresscode voor een fijn huwelijksfeest en de jaren '50 - '60 voor een feestje, maar de Belle Epoque had ik nog niet gehad.

Eerst ging ik naar een verkleedwinkel die ook kleren laat maken. Maar die was helaas op verlof tot na Trammelant. Die verkleedwinkel heeft naast de standaard outfits, ook unieke exemplaren die op maat gemaakt werden voor toneelvoorstellingen. Toen ging ik maar naar de verkleedwinkel in Kortrijk. Omdat ze daar toch ook een mooie collectie hebben. De vrouw in de winkel was heel erg behulpzaam. Ik kreeg een fijne jurk in de handen gestopt, die er toch wel heel erg warm uit zag in hittegolftijd. Maar de jurk stond me wel goed. Daarna stopte ze me een pompeuze hoed in de handen. En ik zag het plaatje wel. Ik bestelde. Een jurk huren is niet zo duur. De hoed kocht ik.

Gelukkig hoefde ik de jurk niet aan om naar De Haan te rijden. Ik kon me gewoon nog omkleden bij Katelijne thuis. Zijzelf had een veilige outfit gekozen. Ze had een gekochte rok gekocht met kledingstukken en attributen die ze in de kast had liggen. Ikzelf trok dus de jurk en de hoed aan. Jammer van de enkelbrace aan mijn rechtervoet. Daarmee paste ik alleen in een Birkenstockslipper. Om in de stijl te blijven had die toch een zilveren accent. Een handtas had ik niet, maar ik nam een tote bag mee uit het Ropsmuseum met een citaat van Félicien Rops erop. Rops, die toch een beetje de tijdsgeest uitademende van de Belle époque.  Klein detail. Ik had de tijd toch wat geactualiseerd.

 Het was natuurlijk spannend toen we de auto uitstapten en door een mensenzee naar het centrum stapten. Af en toe kregen we een lachende blik in onze richting. Er was weinig verbazing, want veel mensen waren in die stijl gekleed om deel te nemen aan de stoet. Als publiek vielen we meer op. Maar vooral bij onze wandeling die niet langs het parcours liep, oogden we veel bekijks. We wandelden langs prachtige huizen in een stijlvolle wijk. Mijn grootste uitdaging was mijn hoed en jurk op hun plaats houden, want de zeewind blies nogal dartel. Uiteindelijk was ik zelfs blij met mijn lange mouwen in combinatie met mijn geleende waaier.

Dames die in de stoet liepen hadden vaak een veel sjiekere jurk aan. Op maat gemaakt. Ze zagen er toch meestal veel duurder uit. Maar Katelijne en ik hadden best kunnen meestappen. We gingen niet uit de toon gevallen zijn. We werden een paar maal monkelend gefotografeerd. Een keer zelfs schaamteloos met de blik op de boezem.

Het was een fijne uitdaging. Bedankt, Katelijne! Trammelant is heerlijk om eens mee te maken. Zeker in stijl. Maar toegegeven:  in Menen had ik meer moeite gehad om zo rond te lopen. Zelfs in De Barakken.




maandag 6 augustus 2018

TINE ZIET (127): Buurtturen


Sommige lezers hebben me ongetwijfeld al zien zitten. Ik zit opvallend veel buiten deze zomer. Dat komt door mijn project ‘Buurtturen’ waarin ik mezelf en anderen wil aanzetten om eens de buurt beter te leren kennen door gewoon nog eens voor de deur te gaan zitten. Je weet wel, iets wat men vroeger meer deed om je niet te vervelen. Hoewel het eigenlijk absurd is om een event te maken voor iets wat eigen doodnormaal is, zijn de resultaten tot nu toe best opmerkelijk.

Ik heb nog nooit zoveel verwonderde blikken gezien als afgelopen weken. Het wordt bijzonder raar gevonden als er stoelen worden buitengezet.  Zeker als er ook een tafel en parasols bij komen kijken. Als er iets te drinken wordt aangeboden, worden mensen nog nieuwsgieriger en durven aan te schuiven. Sommigen halen dan zelf ook een fles uit de koelkast voor ze de straat oversteken.
Om het project te openen zat ik een hele zondagnamiddag voor mijn eigen deur. Daarna ging ik al naar Kortrijk bij VormingPlus. Ook op het Vander Mersch- en het St-Jozefsplein, in de Voorzorg-, Ambachten-, de J&M Sabbe-, en Ieperstraat werd al nieuwsgierig opgekeken. In Wevelgem zat ik al op het Wallaysplein. Ik zat zelfs al op Tiegemberg.

Het is bijzonder leuk om te doen. Je hoort er verhalen die je anders niet hoort. Je ziet er dingen waar je anders niet op let. Maar meer nog: je brengt de buurt toch wat dichter bij elkaar. Zo verrasten mijn eigen buren me met een volle schotel warm eten. Sindsdien lachen en zwaaien we meer.
Het mooiste verhaal tot nu toe was dat van Somalische vrouw. Ze had me tegen het kerkportaal zien zitten toen er wat druppels uit de lucht vielen en ze begon een conversatie met mij. We babbelden lang. Over haar verleden, over wat haar naar Menen had gebracht. Over haar kinderen. Over wat ze hier al had geleerd. Ze bedankte me, ging de was ophalen en bracht me op een dienblaadje Somalische thee. Zo simpel. Zo gewoon. Maar was ik niet op het Sint-Jozefsplein gaan zitten, had ik de hele dag naar Netflix gekeken en bedacht de wereld in een decor van één of andere serie. Maar door toch de stap te zetten, kreeg ik iets reëels. Iets unieks. Iedereen zou het (ook zonder mij) eens moeten doen.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 03/08/18)

zondag 5 augustus 2018

BUURTTUREN: Moorselestraat in Menen


Hier dreunt nog het verlangen
naar de kasseien en de weides
die voor de wijken moesten wijken.

Het verkeer moet gelukkig
wel vertragen maar raast.
Er wordt minder gefeest, gegraasd.

De Witte Koe loeit nog
als een eenzame trein
vol volksvermaak.

De straat ademt jonger
en luist zijn tomaten
in de avondkalmte.

De kat ligt in het gras
en telt de mussen van de buurt.
Er zijn er nog veel te vangen! 


donderdag 2 augustus 2018

Hoe ik de eerste keer in mijn leven een hele bonenplantage kweekte

Vorig jaar stond Jozef voor me aan de deur met een zakje boontjes. Ik haalde er toen mijn neus voor op en zei: "Ik lust geen boontjes." "En je moeder?" vroeg hij. "Die wel," antwoordde ik. Dus kreeg ik een zakje voor mijn moeder mee. Eigenlijk loog ik een beetje. Eigenlijk eet ik wel graag boontjes. Ik maak ze alleen niet zo graag klaar. Als kind herinner ik me dat we bij mijn oma boontjes topten. In een lange rij naast elkaar. Soms meer top dan boontje met mijn geweld. Dat toppen is nog fijn. Maar dat koken... tja.

Toen hij hoorde van mijn jaar vol uitdagingen verzond Jozef me een bericht dat hij me graag de liefde voor bonen en tuinieren wou doorgeven en dat door me te laten bonen kweken. Van kleine boon tot oogst. Ik ging de uitdaging aan. Zou ik ooit een boontje hebben voor tuinieren? Ik die geen enkele plant of bloembak kan houden?

Eind mei propte ik met mijn vinger boontjes in de aarde. In potjes in de serre en in de volle aarde.
Een week later waren er al plantjes te zien. En op 7 juni al mochten de serreboontjes ook in de volle aarde. Bonen groeien snel. Jozef had zijn overal aangetrokken en stond me aan de kant aanwijzingen te geven en foto's te maken. "Lach eens," zei hij. Hij verkneukelde zich wel een beetje in mijn stuntelen en zag mijn vingers beetje voor beetje groener worden. Hij toonde me daarnaast ook enthousiast zijn tomaten en komkommers en hoopte wellicht stilletjes dat ik ook zijn passie voor die groenten zou overnemen. Ik hoorde alles over meloenen en pompoenen. Over theezakjes bij bonenplantjes. Over dat groenten kweken afhankelijk is van de natuur. "Je hebt het in je, dat zag ik meteen," zei hij. Midden juni werd al duidelijk dat de planten goed aanpakten.

Eind juni bleek toch dat we de natuur een handje moesten helpen. Ik moest halve flessen in de aarde graven om de bonenworteltjes op die manier beter water uit de aarde te laten zuigen. Ik herinner me vooral dat het lastig was om de plantjes niet te vertrappelen en dat zo'n fles best diep in de aarde moet worden gegraven. Midden juli zag ik de eerste boontjes bengelen. Ik vreesde opeens dat de bonen me de oren zouden uitkomen.

Vorige week werden ze geplukt. Het waren er best een hoop ondanks de droogte. Ik neem ze straks mee naar mijn moeder. We zullen ze samen toppen als vanouds. En ik zal ze helpen koken. Ze zullen natuurlijk smaken!

Missie geslaagd. Bedankt, Jozef!

Het waren goed bestede uren. Zoveel werk vraagt groenten kweken niet. Wel geduld en aandacht en iemand die aan de kant staat en  af en toe vraagt te lachen. En stiekem heeft Jozef natuurlijk gelijk: ik hou van wroeten in de aarde. In mijn hoofd kweek ik al een nieuwe droom.





woensdag 1 augustus 2018

Hoe ik mijn eerste kledingstuk maakte.

In de lagere school was één vak erger dan het vak turnen. Het was handwerk. Haken, breien en naaien: ik vervloekte het. En mijn moeder met mij. Het was het enige huiswerk dat haar een punthoofd bezorgde. Ik kreeg het nooit in de vingers. In praktijk kwam het er altijd op neer dat mijn moeder of de juf een hele rij moest aftrekken, om dan twee nieuwe te breien of te haken. Almaar weer. Toen mijn collega Lien me uitdaagde om een kledingstuk te maken dat ik ook nog eens kon dragen, dacht ik aan die ontelbare uren gevloek en geklungel. Maar ik twijfelde niet lang en antwoordde dat ik wel een jurk kon proberen.  Lien is dan ook een goede juf en ik kan intussen wat beter overweg met mijn vingers. Al wist ik niet zo goed waaraan ik begon. En zij wellicht ook niet. 

De eerste keer dat we samenkwamen kreeg ik een boek voor mijn neus met allemaal kleedjes. Ik koos er een model uit dat me wel zou staan en Lien bekeek het patroon en zei me dat het te doen was. Ze nam mijn maten op om uit te rekenen welke maat we konden maken. Daarna reden we naar de stoffenwinkel. Ik geloof niet dat we langer dan een half uur in de winkel waren. Twee stofjes. Een effen kleur en een stofje met motiefjes. Moeilijk was het niet. Ik koos een rode stof en een witte stof met gekleurde accentjes. Ik geloof dat ik toen nog dacht dat ik net als vroeger voortdurend in de rij zou staan om me te laten helpen. Eenmaal terug in haar huis bleek dat de juf van aanpakken wist. Ik mocht patronen overtekenen op papier en uitknippen. Een hekel punt, want een vaste hand heb ik na al die jaren nog niet. Ondertussen stak ze de stofjes in de wasmachine en hing de stof op om te drogen. Praktijkdag één zat erop. In mijn hoofd bedacht ik dat er wellicht nog een zestal dagen nodig waren om tot resultaat te komen.

Toen volgde dag twee. Ik moest de patronen uitteken op de stofjes en uitknippen. Verstevigingen uittekenen en knippen. Afspelden. Spannend. Ik mocht ook strijken. Opeens zette ze haar automatische naaimachine op tafel en ik wist dat het nu menens was. Na een korte uitleg kreeg ik een proeflapje en moest ik recht naaien, in een hoek en in een boogje, terwijl zij op de overlockmachine bezig was. "Help!" dacht ik, "ze staat niet eens naast mij!" Maar het lukte nog. En toen was het voor echt. Eerst zat ze nog naast mij en moest een paar keer tussenkomen. Al viel dat wel mee. Ik moest stukken aan elkaar naaien en meer en meer kreeg het jurkje vorm. Er kwam iets delicaat met neepjes met touwtjes, speldjes en strijken, maar zelfs dat kreeg ik met hulp allemaal voor de eigen kiezen. Alleen het afbiezen, het afwerken van de kraag en het innaaien van de rits nam Lien alleen voor haar rekening. Ondertussen werd nog gekookt en gegeten. Op het einde van naaidag twee was er zowaar al een jurk. Alleen de mouwen ontbraken nog. We konden op dat moment ook nog niet goed inschatten of ik wel in de jurk zou passen, want die maat leek opeens wel veel kleiner dan gedacht. Het verwonderde me toen Lien zei: "Als we nog enkele uren doorwerken is je jurk klaar."

Dus ik hoefde maar één keer meer terug te komen. Voor de mouwen en de afwerking. Het was een spannend afwachten een laatste keer naaistress, want er zaten enkele dagen tussen en ik vreesde dat ik het al was verleerd. Na enkele uren was het zover. Lien grapte nog:"Als je hem niet past, is mijn volgende uitdaging voor jou afvallen..." Het lukte! En dat zonder buik in trekken. 
  
Fier ben ik! Ontzettend! En dankbaar! De juffen uit de lagere klas zouden dit eens moeten zien... 
Mijn moeder vindt het in elk geval fantastisch. Ik deed iets wat ze zelf nooit in de vingers kreeg en het staat me nog ook. "Het slankt af," zei ze nog en ik zag toch iets van trots. 


dinsdag 31 juli 2018

stelt paal en perk (24): gemiste armen


Op mijn negenendertigste verjaardag leerde ik een nieuw woord. Terwijl de wensen me om de oren vlogen, bleef vooral het woord ‘neuroloog’ hangen. Ik wist wel dat het woord bestond en waar het woonde, maar nooit eerder hoorde ik het in mijn bestaan. Kort daarvoor had ik de krant laten weten dat ik dit een levensjaar vol uitdagingen zou worden. Dat ik voor elke wens een uitdaging zou aangaan. Wist ik veel dat mijn lichaam de grootste uitdagingen voor mij in petto had. 

Op woensdag achtentwintig februari zat ik dus als eerste patiënt in de wachtzaal van een nieuwe huisarts. De dag daarvoor had ik enkele uren een slapende hand gehad. Alles wat die hand wou vastpakken, kletterde op de grond. Daarenboven had ik een raar gevoel in mijn gemoed. Het voelde gewoon niet goed. Het voelde zo raar dat ik er dus voor naar een andere arts stapte dan de mijne. Ik koos de meest dichtbije. De testen die ze uitvoerde waren allemaal wel goed, maar ze sloot toch af met de woorden: “We moeten toch uitsluiten dat het door een klontertje in je hoofd kwam. Je moet deze week nog naar de neuroloog.”

Het woord woog samen met het klontertje op mijn verjaardagskroon. Hoe mijn leerlingen ook probeerden mijn verjaardag te vieren: ik was er niet bij. Mijn beste vriend waarmee ik later op de avond mijn verjaardag en het gewicht op de kroon deelde, zei me dat ik niet zo zwaar aan die woorden moest tillen. Uiteindelijk waren het slechts woorden. Ook de dag nadien wiste de man die eigenlijk mijn hart aan het stelen was de zwaarte door mijn angst weg te lachen achter zijn wijnglas. Ik sta nu eenmaal bekend als een dramaqueen. Een paniektrien. Grote overdrijver.

Daar zat ik dan op vrijdag in de wachtzaal. Ik was letterlijk naar mijn afspraak gegleden. Het winterse wegdek leek me te willen waarschuwen dat ik weg moest blijven uit dat ziekenhuis. Maar koppig trok ik me op aan de haag en schoof door naar de neuroloog. De verpleegster riep me en vroeg of ik een kam mee had. Dat had ik natuurlijk niet. Ze vertelde dat ze mijn hoofd zou insmeren met een goedje. Voor de elektroden. Ze wreef een soort zalf op mijn haar en zette me een elektronische badmuts op. Erna zou mijn hoofd wat vettig zijn, waarschuwde ze me.

Even later zat ik bij de specialist.  De tests waren ook hier allemaal ok. Maar omdat ik toch ‘ietsje te zwaar’ was en omdat ik zwaar erfelijk belast ben met allerlei ernstige kwalen, nam hij dit toch serieus. Hij zei dat hij ervan uitging dat ik een trombose had gehad. Alweer een woord dat als een gigantische betonblok op mij viel. Hij vertelde dat hij het zou uitpluizen. Ik moest onmiddellijk stoppen met het gebruik van de pil en aan de bloedverdunner en de cholesterolpillen. De verpleegster maakte een afspraak voor twee scans. Eentje van de hals en een van het hoofd. Er moest een dringend bloedonderzoek komen en ik moest beloven om onmiddellijk naar de spoed te gaan mocht ik nog eens last hebben van een blijvend slapend lidmaat. Daarna moest ik terug naar de auto. Ik gleed niet enkel van het ijs en de sneeuw. Ik voelde me ook figuurlijk wegglijden. Natuurlijk belde ik eerst mijn moeder, maar daarna moest ik gewoon gaan lesgeven met mijn vette kop vol zorgen.

Wat moest ik doen met die zorgen? Ik besloot om ze met de beste vrienden te delen die ik in de eerste week normaal niet zou zien. Dit met een simpel berichtje. Met daarbij de uitdrukkelijke wens me niet meteen te bellen. Dat het nog moest landen. Ik ging het vertellen aan mijn zus en belde naar mijn broers. Vertelde het aan die vrienden met wie ik al had afgesproken. Mijn directeur en dichtste collega’s en enkelen waarmee ik ook een wekelijkse professionele relatie heb. Meer mensen moest het niet weten. Als het aan mijn moeder lag, wist alleen ons gezin het. Ze zei me dat ik dit vooral niet met anderen moest delen. “Zeker niet in Menen.” Zo ben ik nu eenmaal opgekweekt. Maar bij mij werken de dingen pas als ik toch tenminste mijn zorgen wat kan delen.  Dat er mensen zijn die toch weten wat er met me scheelt. Sommige mensen vonden de woorden klinken als een griepje. Anderen vingen ze op alsof ik elk moment zou kunnen doodgaan. Voor mij klonken ze alsof de grootste uitdaging van mijn negenendertigjarig bestaan opeens was de veertig te kunnen halen.

Er volgden dus scans. Mijn lichaam werd opeens een object. Eentje in een lange rij van andere objecten. Er werd in mij geprikt. Ik moest me op een gegeven moment zonder gordijn in mijn ondergoed op de gang begeven. Machines sloegen tilt. Soms moesten de dingen overnieuw. Ik kreeg bovendien een allergische reactie op mijn pillen. Maar ik hield stand en onderging alles dapper. De vrienden vragen dan nog hoe het met je gaat. Er waren leerlingenoptredens, vergaderingen, deadlines. Leuke afleidingsmanoeuvres zoals enkele dagen naar Amsterdam met de man die nog in mijn leven was en feestjes.  Na enkele weken vol angst zat ik weer bij de neuroloog. Hij opende de resultaten en schrok met mij. “Die witte vlekjes dat zijn allemaal infarctjes!” en hij wees ze aan. “Of het zijn ontstekingen. Maar ik gok toch op infarctjes.” Daar zit je dan. Gelukkig was het nog enkele dagen paasvakantie. Hij had het over cardiologische onderzoeken. Over eventueel een ruggenmergpunctie. Hij zette daarna ook nog eens wat extra stroom op mij om mijn hand uit te meten.

Een week later was de man aan wie ik van plan was mijn hart te schenken verdwenen. Gevlucht met de staart tussen de benen? Ik legde het dan maar in handen van de cardioloog.  Ik belandde in de wachtkamer tussen allemaal bejaarden. Hij penetreerde mijn slokdarm met een toestel om iets uit te sluiten. Ik ging lesgeven met een harttoestel tussen de borsten. Ik had geen kleren om het zorgvuldig te camoufleren. De toonmomenten zaten er middenin. Er waren eindvoorstellingen, jureringen. Mijn broer bericht: “Positief blijven!” Men zegt: “Het zal wel gaan.” Maar al die angsten en zorgen en dat in de meest stresserende periode van het schooljaar…  Er was een onophoudelijk bloeden door het trekken van een tand waardoor ik op spoed belandde. Dankzij de bloedverdunners. Hoera! Ik moest mezelf een spiraaltje cadeau doen en daarmee ook de pijn die eraan vast hing. De nieuwe medische woorden stapelden zich op en verpletterden beetje voor beetje mijn gemoed.  Ik was niet langer in het bezit van een lijf, maar van een medische encyclopedie. Het werd enkel nog door dokters, specialisten en verpleegsters aangeraakt. Niemand die me op mijn schouders sloeg. Niemand die me knuffelde. Vrienden dachten vast: “Er is familie.” Familie dacht: “Ze heeft veel vrienden.” Als men mij vroeg: “Gaat het?” was het na verloop van tijd vaak professioneel.

 Ik was opgelucht dat mijn hart gezond werd verklaard. Ik kocht mezelf een peperkoeken hart.  Een hart dat mieren lokte naar de keuken. Het einde van het schooljaar naderde. Vakantie in zicht. Ik kreeg weer insectenbeten die infecteerden. Ik verrekte een kuitspier. Kortom alles leek weer normaal. Daarna volgde een punctie. Nooit eerder werd met zoveel vriendelijkheid in mij met een naald gestoken. Alles verliep volgens plan. Ik werd keurig opgehaald en ging op algemeen verzoek platliggen. Na een kleine vierentwintig uur stak het op: een voortdurende steek op mijn borstkas. Weer belandde ik op spoed. “Het zal dat peperkoeken hart toch niet wezen?” “Psychosomatisch”, luidde het verdict. Ingehouden stress. Zou het?

Sinds vorige week weet ik dat er ook niets zorgwekkends in mijn hersenvocht werd gevonden. Er is me beloofd dat het spitten nu ophoudt. Eindelijk vakantie in mijn hoofd. Helaas viel ik in mijn enthousiasme en blesseerde mijn gewrichtsbanden. Een overwinningsreisje moest worden geannuleerd. Maar ik laat me hierdoor niet temperen. Er is nog zomer genoeg om te vieren.

Dat is dit schrijf is niet omdat ik iemand iets kwalijk neem. De neuroloog en alle andere specialisten deden gewoon hun werk. Mijn vrienden en familie neem ik het ook niet kwalijk dat ze soms wel heel vaak op de achtergrond bleven. Misschien ben ik net zo. Men doet toch altijd wat men kan? Men moet het ook aankunnen. Mijn lijf deed ook gewoon zijn best om overeind te blijven ondanks de zwaartekracht. De woorden waren ook broodnodig. Er is niets of niemand dat ik wat kwalijk neem. Daarvoor schrijf ik dit niet neer.

Ik had pech en stond eigenlijk alleen. Akkoord ik deed enkele keren beroep op een vriend of vriendin om me naar het ziekenhuis of terug te rijden. Maar meestal deed ik alles alleen. Mijn object-zijn behelsde vijf maanden. In die maanden kwam ik gemiddeld wekelijks één keer in het ziekenhuis of bij de dokter.  Mijn pech is niets in vergelijking met mensen die jaren een object zijn voor de medische wereld. Maar misschien wil dit een pleidooi zijn tot meer liefdevolle aanrakingen. Wie me kent, weet dat ik er soms wat last mee heb. 

De maanden hadden veel lichter kunnen wegen als ik maar een eenvoudig knuffelmaatje had. En daarmee bedoel ik simpel vastpakken, écht niets meer. Er zouden professionele knuffelaars moeten bestaan die je op kan bellen of die op de drempel van een ziekenhuis gaan staan zodat je wat verlicht naar huis of naar een onderzoek kan gaan. Ik zal toch lang niet de enige zijn die alleen, die daarnaar verlangde? Er zijn likes. Er zijn vind-ik-leuks. Er zijn virtuele knuffels. Er is seks. Er zijn woorden. Ontelbare woorden. In sms. In app. Op sociale media. In een oor. Door een telefoon. Aan een tafel. In een auto. Ik wil mezelf uitdagen het vaker uit te proberen. Aanraken om gewoon te helen of een angst weg te nemen. Niets zegt zoveel in deze wereld als een paar armen om je heen.






   


maandag 30 juli 2018

BUURTTUREN: Sint-Jozefsplein in De Barakken van Menen


Zondag 29 juli ging ik van 9u tot 18u buurturen op het Sint-Jozefsplein van de Barakken. Ik vreesde dat het een lange dag zou worden. Vooral omdat ik me amper kon bewegen met mijn voet, die ik blesseerde bij het te enthousiast buurtturen in de Ieperstraat... 

Er kwamen een vijftal mensen opdagen om met me te praten. Er waren slechts enkele voorbijgangers die me aanspraken. Maar er werd wat afgetuurd!

Het hoogtepunt voor mij was het gesprek met de Somalische vrouw die me uitnodigde om in haar een huis een kopje thee of koffie te drinken. Toen ik vertelde dat ik eigenlijk moest blijven zitten, kwam ze me thee brengen op een dienblaadje.

Mijn ervaringen zullen verzameld worden in de fichebak van Barak Futur. De resultaten zullen te lezen zijn op 30 september. Op 2 september zit ik er nog een keer. Hopelijk dan wat mobieler.

BUURTTUREN: Ieperstraat in Menen


"We doen 't goe!"
Al weten we vaak
geen taal of namen.

Er wordt geknikt, 
gezwaaid, gelaaid,
geschuifeld en gehaast.

Vroeger werd er meer gekoet,
gedreupeld en gesoupeerd.
Maar sinds het sluiten van wat winkels
wordt er toch wat minder gefeest.

Wie voorbijkomt heeft
geen tijd meer, moet een trein
of commissies halen.

Mooie grote huizen
met af en toe wat stilstand
want 'den travers es toe'!


BUURTTUREN in de krant

(Verschenen in Het Nieuwsblad op donderdag 26 augustus 2018)

BUURTTUREN: J&M Sabbestraat in Menen



Vroeger kaartte men
hier op straat met
de  voeten in de goot.

Nu raast het verkeer
of komt tot stilstaand
op weg naar huis en terug.

Verzengend zijn de 
dagen in de zon
op de schots en scheve dam.

Er wordt amper opgekeken.
Er is haast en er is schroom
dankzij de televisie.

Maar achter dit raam
wacht de rust op wat gezelschap
voor wie er tijd voor neemt.

Loop niet zomaar voorbij!
Adem! Voorlopig smijt niemand
hier zijn lepel neer.



vrijdag 27 juli 2018

BUURTTUREN: Wallaysplein in Wevelgem


Dit plein houdt mensen bij mekaar
die op een andere plek wellicht niet
zouden praten met elkaar.

Onze badkamerramen zijn hetzelfde.
Velen van ons wonen alleen.
Verder van de rest verschilt er veel.

Ooit was het hier een klein Chigago.
Nu ritselt de wilg meer rust
in onze levens en onze oren.

Er wordt gespeeld, gezucht, gerutteld.
Er wordt gelachen en geprutteld.
Er wordt gefilosofeerd over het weer.

Wie hier vertrekt komt zelden weer.
In de hemel ziet men hoe een
lege kamer tot nog leger wordt geleegd.

Het regent blaadjes terwijl men trappen klimt.
Men leert hier dat men zich in eenzaamheid verstikt.
Dat chili hier soms wat straffer prikt.





BUURTTUREN: Ambachtenstraat in Menen



Het is een ambacht
te genieten van de zon
en niet te vluchten
naar de overkant.

Voorbijgangers openen
hun mond en ogen
vertragen tot bijna
vallen - stilstand.

De uren knagen niet
maar kietelen met
mondjesmaat van
vroeg tot laat.

Hier komen vooral vrouwen
samen onder hoeden
aan een tafel
kletsen de dag door.

Wie passeert ontsnapt
niet aan een blik
van kop tot teen
en weer terug.


vrijdag 20 juli 2018

Buurtturen: Standaard Boekhandel in Menen



De uil die leest, die heeft gesproken:


Alles vliegt aan mij voorbij:
fietsers, auto's, voeten, krukken, kinderwagens.
Bijna iedereen kent haast, is op weg.
Misschien nog niet eens halverwege.

Zelfs wie de parkeermeter vult, kent spoed.
Behalve de dames op het terras of
wie vol verwachting naar de etalage tuurt
weet de rust in het gemoed.

De schaduw doet me goed in felle middagzon.
Ik kijk naar wolken en een statig restaurant.
Soms jeuken  mijn vleugels als ik een
vliegtuig door de lucht zie klieven.

Maar mijn nest kent teveel goede boeken.
De hele wereld is in mijn verbeelding op te zoeken.




Buurtturen: Voorzorgtraat 11 in Menen

Hier luisteren geraniums naar
de duiven bij de kerktoren.
Er wordt gemijmerd over de tijd
waarin er minder huizen stonden.

In de verte draaien wieken
op de wind die takken ritselt
en pluisjes opstijgen doet.
Er is stilte. Er is rust.

Een lantaarn werpt zijn blik op slapen.
Er zijn buren die zwaaien,
er zijn er ook die praten.
Anderen knikken zacht;

Ergens blaft een hond. Of vier.
Ergens wordt onkruid niet gewied.
Er wordt gehuppeld naar een spel.
Of nee. Toch liever niet.