zondag 25 december 2016

TINE ZIET (46): FEEST

Wanneer dit stukje verschijnt, is de feestperiode aangevat. Hoera! De meeste cadeautjes liggen onder de kerstboom te wachten om met ongeduldige vingers opengescheurd te worden. Op enkele exemplaren moet nog gejaagd worden. Die prooien liggen te lonken in een etalage. Erger is: sommige pakjes zijn gestrand. Ergens tussen postorderbedrijf en brievenbus. Er kan volop worden ingezet op de weddenschap ‘Arriveert alles nog wel op tijd?’ Rampscenario’s worden bedacht.

Feest. Zwartkijkers onder ons, vinden dat er geen reden is tot feesten. Wat hebben we te vieren? Dat we er nog zijn? Wie het allemaal wat lichter ziet, vindt dat er altijd wel kan worden gefeest. Vorig weekend was ik in een shoppingscentrum. Niet eens om te shoppen, maar om mijn zilveren Figurettenlaarsjes zwierig in de lucht te schoppen. Ik keek mijn ogen uit: zoveel kooplustigen samen en de koopjes zijn nog niet eens aangevat! Het leek wel alsof de helft van de wereldbevolking op cadeautjesjacht was. Of er ook veel gekocht werd, weet ik niet. Volgens de ene winkelier draait alles super, volgens de andere dan weer écht niet, want ook winkeliers zijn uiteindelijk ook maar mensen die het zwart of lichter zien.

Ik kies er dit jaar voor om me op die dagen met mensen te omgeven, want als iedereen samen viert, voelt voor wie eenling is, feestperiode meer alleen. Vrees niet: ik wil geen betoog houden om mij aan uw tafel uit te nodigen, ik heb echt al andere plannen, maar hoeveel andere eenlingen niet? Voor zoveel anderen valt er trouwens weinig te vieren. Een thuis, een familie, een huis, een feestmaal…  het is allemaal niet zo evident. En vrede wordt dat tussen al dat vieren en cadeautjes openscheuren nog gewenst?

Feestperiode is voor mij meer dan ooit de melige boodschap willen verspreiden wat vaker lief te zijn. Misschien klinkt dat als een foute kersttrui. Maar ik ben ervan overtuigd dat dàt de wereld nog kan redden. Als het kon, verpakte ik mijn hart in mooi feestelijk papier met daaraan de boodschap: “Dit is liefde, verdeel het nu en hier!”

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 23/12/16)

maandag 19 december 2016

TINE ZIET (45): Snot

Het hoesten. Het proesten. Het snotteren. Het niezen. Het houdt maar niet op. Ik merk het in de klas, in de trein, eigenlijk overal waar mensen samen zijn. Verkoudheidtijd is aangebroken. En hoe! We kunnen ons weer volop ergeren aan iemand die weigert te snuiten. Aan een hoest die op geblaf of op ingehouden gekef lijkt. Ook hier. Mijn niessalvo’s houden maar aan en al meer dan een week klinkt mijn stem alsof er een smurf in mijn spreken is geslopen en iedere keer als ik denk dat ik me beter voel, hoest er weer een leerling verkouden bacillen mijn kant op.  We houden ons sterk met vitamines, siroopjes, pilletjes, gemberthee en citroen. We wandelen op de boord van ziek-zijn en niet-ziek-zijn. Er is een helm vol snot, een keel vol schuurpapier en oren die voelen alsof ze in een vliegtuig ploppen.
 
Een verkoudheid is het einde van de wereld niet. Er zijn veel ergere ziektes. Maar een verkoudheid die maar blijft aanslepen, is behoorlijk afmattend voor een lijf. Het doet z’n best almaar te genezen. Het levert voortdurend een strijd.  En dat terwijl we al strijden tegen de tijd, tegen examenstress, de laatste reis van die sappige kerstkalkoen.  Kortom de wachtkamers zitten weer vol met kleine en grote aanslagen op onze weerstand.  Meer nog: er moeten stoelen worden aangesleept, ziekenhuisbedden in de gang worden geplaatst. Klevertjes van het ziekenfonds worden weer kwistig verspreid.

Groot was mijn verwondering toen ik las dat er in mijn buurt vanaf januari een gezondheidscentrum komt, waar de patiënten het remgeld niet langer hoeven te betalen. In onze provincie is enkel Brugge Menen voor.  Ik geloof dat dit een goede zaak is voor onze stad. Veel mensen hebben geen geld genoeg om het remgeld te betalen. Voor hen is een simpele portie snot veel zwaarder.  


Terwijl ik dit stukje schreef snoot ik welgeteld zeven keer mijn neus. Toen ik de geschreven woorden hardop aan mezelf voor las, herkende ik mijn stem niet. Maar we spartelen er ons wel door. Waar dienen zakdoeken anders voor?



(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 16/12/16)

maandag 12 december 2016

TINE ZIET (44): Versieren

Versieren. Het is een talent dat me niet is meegegeven. In geen enkele betekenis van het woord. Waarom zouden er franjes moeten zijn? Waarom zou je iets of iemand willen inpakken? ‘Soberheid siert’ altijd. Er was maar één moment in het jaar waarop er een doos versiering uit het rek werd gehaald en afgestoft. Die met daarin de kerstversiering. Elk jaar dezelfde slingers, de identieke krans met lichtjes.  Meer moest er niet zijn. Ik kan me niet herinneren dat mijn moeder ooit in de winkel stond om eens andere kerstballen te kopen. Het enige wat elk jaar anders was, was de boom. Soms eens uit de winkel, soms gewoon uit de tuin. Het was een mooie traditie om die boom dan samen vol te hangen. Daar was het nu precies om te doen: dat samen. Alleen is er eigenlijk niets aan.

In elk geval: ik kan me niet herinneren zelf ooit een kerstboom gekocht te hebben sinds ik het huis uit ben. Behalve dan een decoratieve witte, maar dat deed ik eerder voor de lichtjes. Een lichtsnoer bleef eens meer dan een jaar hangen in mijn woonkamer, omdat het toch wel een gezellig soort licht was. Het soort gezellig dat kon blijven. Nu betrapte ik mezelf erop dat ik voor het eerst sinds jaren kleine decoratieve spulletjes kocht om toch wat in de kerstsfeer te geraken.  En kijk! Ik spin zachtjes bij de aanblik van de kerstverlichting op de Grote Markt en in de straten of aan een raam dat ik voorbij wandel. Wellicht is een nieuw hoofdstuk in mijn versiercarrière aangebroken.  Krijg ik opeens wel oog voor decoratie? Of is het gewoon de heimwee naar het me spiegelen in de kerstballen, het proberen recht op te zetten van de piek, het krampachtig Tineke willen blijven zijn? Wie zal het zeggen?


Straks begeef ik me weer naar kerstmarkten. Tot nu toe vond ik dat eerder te druk en te kitcherig. Maar misschien voel ik me er dit jaar zo thuis dat ik spontaan begin te versieren. Het maakt me een beetje bang maar ook wel benieuwd. Ik zal het jullie ongetwijfeld weten te vertellen. Of niet. Jullie zien het binnenkort gewoon aan mijn gevel. Als er een mannetje aan hangt, heb ik gewoon een ander leven.  

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 09/12/16)

maandag 5 december 2016

Hartverwarmende Letters op Maat


Wil je dit jaar eens bijzondere kerstwensen? Een kerstverhaaltje of -gedicht? Of wil je een unieke Nieuwjaarsbrief? Graag help ik je daarbij.

Schrijf me aan (virtueel postvak) en mijn vingers gaan voor jou aan het tikken. In ruil voor enkele kernwoorden en een vrije financiële bijdrage lever ik jou de tekst. Concreet neem je contact met mij op om je wensen kenbaar te maken. Na het afleveren van het resultaat krijg je mijn rekeningnummer en geef je wat je wenst.

Liever live? Ik zit met een tikmachine op de kerstmarkt van Ieper bij de triporterende barista SloWWings. Dit op zondag 11 december van 16u tot 20u & op donderdag 22 december en vrijdag 30 december van 17 u tot 21u.

 Waarom 'Wablieft'? Zelf ben ik al jaren gebeten door taal. Soms besef ik te weinig dat niet iedereen taal met open armen omvat. Wablieft gooit leesplezier uit en zaait taal die gewoon verstaanbaar is.

TINE ZIET (43): Dansen

Het is steeds moeilijker om deze wereld te begrijpen. Groot was mijn verbazing dat er in Brussel blijkbaar zoiets als een danstaks bestaat. Ik had er eerlijk waar nog nooit van gehoord. Deze vorm van belasting innen bestaat in onze hoofdstad al sinds 1950 en haalt jaarlijks ruim 90 000 euro op. Ook in andere plaatsen in België bestaat de danstaks . Zelfs in Moeskroen bijvoorbeeld worden er belastingen geïnd via bewegende benen. Mag ik dit raar vinden? En ook wel een beetje spijtig? Niet dat ik plannen heb om in de nabije toekomst te gaan dansen in Brussel of Moeskroen. Nee, ik let wel op!

Natuurlijk zullen er wel duidelijke redenen zijn waarom dansen op bepaalde plaatsen kosten met zich meebrengt. Meer bepaald op het gebied van veiligheid, openbare rust en orde. Ik kan me voorstellen dat als hele bussen vol feestgangers naar een café trekken en daar massaal beginnen te hakken, dat een dorp of een stad dan wel wat kan verzakken. Nee, serieus, natuurlijk vraagt een groots dansgebeuren om extra politiecontroles en geluidsoverlast. Maar het klinkt als een flauwe grap: ‘We vragen 0,50 euro per danser!’  Ben je als je even met je armen wappert al een danser? Waar trek je dan de lijn?


Op mijn eerste fuif bijvoorbeeld was ik nog totaal geen danser. Met armen gekruist hief ik soms een voet op om geen geplette tenen te hebben. Later vond men mij gewoon wat spastisch. Ook werd ik wel eens ‘de pletwals van de dansvloer’ genoemd. Nu ik al bijna vijf jaar in deze stad woon, dartel ik met Les Figurettes openlijk op zilveren hakken op straat. Op een feestje durf ik te schommelen in het ritme van de maat. Wie dat al eens zag, weet ongetwijfeld hoe dat gaat. Dansen, ik? Fred Astaire zou er zich om schamen. Jeanne Brabants draait zich ongemakkelijk maar stijlvol om in haar graf. Wie mij ooit in dansles zag, giechelt nog onbedaarlijk luid om de souplesse van mijn mouvementen. Een leerkracht noemde mij ooit een nijlpaard dat hij moest leren tapdansen. Met de feestdagen in zicht, dringt een walsje zich op,  maar wees gerust, mij in uw zaak laten dansen, kan dus eigenlijk geen kwaad. 

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 02/12/16)

dinsdag 29 november 2016

TINE ZIET (42): Storm

Het is elke keer weer schrikken als er een storm komt aanwaaien. Ook al werd die aangekondigd. Opeens blijken grote bomen niet meer zo sterk te zijn. Een dak niet meer voldoende beschermend, een ruit niet onbreekbaar en een muur zo soepel als karton. Met de krachtigste windstoot wordt alles kwetsbaar. Alles waarop we als het windstil is bouwen, wordt opeens één wankel kaartenhuis. Het raast en het kleppert. Het ratelt en het huilt tussen de luiken. Alles wat los staat, is opeens vrij te ontsnappen. Als de wind weer gaan liggen is, rest er opluchting of puinruimen.

Toen het zondag zo hard woei, zat ik gelukkig niet in een bootje maar veilig op de trein. Ik reisde van Utrecht naar Menen. In die treinrit van ruim vier uur met de nodige vertragingen door de wind, wervelden mijn gedachten op het spoor. Niet alleen vroeg de dramaqueen in mij zich af of mijn huis er bij thuiskomst nog wel zou staan ook stoven allerlei losse dakpannen in gedachten. Een draaikolk van onrust in mijn hoofd. De hele rit door. Dat komt voor.

Dan kom je thuis en neemt de schade op de terugweg op: die valt best mee. Onderweg verraden herfstbladeren dat ze wel heel hard in de hoek werden geblazen. Opvallend meer takken liggen aan je voeten.  Het enige wat je thuis ontdekt, is dat wortels van een plant niet zo stevig in de bodem zitten als je wel dacht. Voor de rest valt alles gelukkig mee.  Je zou in een ontspannend schuimbad willen zitten. Ademhalen.  Dat je geluk gehad hebt als je het vergelijkt met foto’s uit de krant of op TV. Helaas: je hebt geen bad en ook geen schuim dus je drijft dan maar op warme thee.


Al bij al is een windhoos bij ons vaak nog een storm in een glaasje onbekommerd water. Alleen die puinhoop in gedachten moet nog worden opgeveegd. Hoewel niemand die kan zien, neem je er geen vrede mee. Wat moet je er mee? Dat je niet in een land leeft waarin tornado’s woeden. Daar ben je heel erg dankbaar voor. Maar in een enkele gedachtenstroom kan het harder waaien dan je zou vermoeden. 

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 25/11/16)

maandag 21 november 2016

TINE ZIET (41): Sinterklaaskoek

Gisteren reed ik naar mijn werk voorbij een bakkerij in mijn stad. Er kwam een man naar buiten met een zakje. Hij deed het zakje open, haalde er een Sinterklaaskoek uit en snoof eraan. Op zijn gezicht verscheen een lach en hij stopte de koek weer in het zakje en liep verzaligd verder. Een heel klein tafereeltje. Een fractie van een seconde in het doodgewone leven. Maar ik heb verder de hele dag gedacht aan dit detail. Ik vroeg me af hoe goed die Sinterklaaskoek had geroken. Of die lekkerder zou zijn dan de koeken die ik normaal kocht. In mijn gedachten zag ik hoe de man ‘s avonds met een kop dampende chocolademelk aan zijn keukentafel zat. Hoe hij boter smeerde op de koek.  In een flits zag ik mezelf terug. Hoe lang is het eigenlijk geleden dat ik nog aan een doodgewone Sinterklaaskoek rook? Dat die geur me blij kon maken? Wellicht al veel te lang.

De koeken vind je tegenwoordig in alle mogelijke varianten het hele jaar door. Ze passen niet meer specifiek bij een periode in het jaar. Net zoals mandarijntjes, picnickjes, marsepein. Er hoeft geen man meer met een lange baard aan te pas te komen. Geen goedlachse Piet met gouden ringen. Als ik dat wil, legt de Sint elke dag iets in mijn schoen.

De magie van 6 december. Zenuwachtig verlangen naar een dag terwijl ik eigenlijk nooit kreeg wat ik in mijn brief geschreven had. Waar het om draaide was dat ik geloofde. Dat er iets was om naar uit te kijken. Dat er eenmaal in het jaar opeens snoep op tafel stond. Dat het een paar weken daarvoor opeens naar mandarijntjes rook. Dat de hemel oranje kleurde ’s avonds en dat mijn moeder zei dat de Sint zijn koeken aan het bakken was en ik al watertandde. Dat ik dan iets nieuws kreeg.


Het kind in mij maakt zich wat zorgen. Misschien teveel. Het is niet omdat ooit iets was, dat zoiets ook moet blijven.  Er mag best evolutie zijn. Het is de heimwee naar wat toen heel simpel leek. Als er na al dat evolueren maar iets blijft waar wij onbevangen kunnen naar verlangen. Al is het maar het eenvoudige geluk van het ruiken aan een koek. 

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 18/11/16)

vrijdag 11 november 2016

TINE ZIET (40): Wapens

Wat we nu precies op 11 november gedenken, het zal veel mensen worst wezen. Zolang er maar een vrije dag aan verbonden is. Dat merk ik toch aan mijn leerlingen. Een woord als ‘Wapenstilstand’ kennen velen niet meer. ‘Geen school!’ kent iedereen. We leven dan ook in een tijd waarin het moeilijk te geloven is dat wapens ook kunnen zwijgen.  Het einde van een oorlog vieren. Soldaten herdenken die sneuvelden terwijl ze vochten voor hun land. We kunnen het ons almaar minder voorstellen. Hier. Altijd is er wel ergens oorlog. De media prikt wel elke dag beelden op ons netvlies die zo verschrikkelijk prikken. Altijd blijkt iemand wel een wapen in de kast te hebben.

Persoonlijk ken ik wapens vooral van op TV. Als kind zag ik wel eens jachtgeweren aan de muur hangen. Maar ik zag minstens even veel gevaar in de tanden van de agressieve labrador die daaronder in zijn mandje lag. “Ik ken iemand met geweren en een stoute hond!” pochte ik tegen mijn vriendinnen als ze weer gezegd hadden dat hun oom politieagent was. Als ik op sommige dagen aan de grens van Menen en Halluin die grote kalashnikovs zie, voel ik me weer klein en denk nog altijd: “Gevaarlijke meneren!”


Meer en meer schuw ik wel een wapen dat iedereen bezit. Het is een mond. Een mening. Hoeveel schade kunnen woorden niet berokkenen? Geschreven of uitgesproken kunnen ze behoorlijk aankomen. Dat we onze mening kunnen verkondigen, is een noodzaak maar vaak heb ik bedenkingen over de manier waarop. Zouden we niet kunnen leren om onze woorden toch weer meer te wikken en te wegen?  Kunnen we ze niet verpakken in een laagje wol of een hoopje watten? Nu zijn ze vaak zo hard. Roekeloos of te geslepen.  Nee, op een dag als 11 november zouden we met z’n allen dicht bij elkaar moeten staan in een gigantische dikke sjaal. Het maakt niet uit van welk land we komen. Of we de échte oorlog hebben meegemaakt. Maar één dag zouden we met z’n allen moeten samenkomen in iets zachts. We zouden elkaar kunnen vastpakken en zwijgen terwijl we ongestoord dromen van een wereld zonder oorlog in daad en woord.

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 10/11/16)

maandag 7 november 2016

TINE ZIET (39) : Griezelig

Omdat ik me al een aantal jaren op rij schuldig voelde voor het feit dat ik geen snoep aan te bieden had aan griezelige kinderen op Halloween, besloot ik om voorbije week een kleine voorraad aan te maken en investeerde in zoete vriendelijkheid. Helaas wachtte ik maandag de hele avond vruchteloos met mijn gevulde blikken doos op het geluid van de deurbel of het gebonk op mijn raam. Blijkbaar sta ik intussen op de lijst van ‘Gierige buurtbewoners!’ want geen enkele enge heks vloog op haar bezemsteel voorbij. Geen enkele vertederende vampier stelde me voor om in mijn nek te bijten. Of hadden werkelijk alle macabere monsters van Menen zich verzameld in de Barakken? In elk geval: ik ben dan zelf maar beginnen vreten. Tegen alle verwachtingen in deed ik dat met lange tanden. Snoep smaakt niet meer zoals voorheen.

Misschien is het maar goed dat er geen beschilderde engerds op mijn stoep stonden, want ik kan er eigenlijk niet zo goed tegen. Ook al weet ik wie er onder het kostuum schuilgaat, mijn eerste reactie is toch altijd: “Brrrr!”Hetzelfde heb ik met clowns, goedheilige mannen en hun knechten. Ik schrik me steeds in eerste instantie een hoedje.

Als de griezels niet allen met de Halloweentocht mee stapten, verdenk ik hen ervan een feestje gebouwd te hebben in het ‘Nieuwe Ziekenhuis’ in de Bruggestraat, want dat zou hun laatste kans geweest moeten zijn. Wordt het naargeestig oord met daarin rondgestrooide documenten en naalden eindelijk gesloopt? Dit vervallen en verlaten gebouw mag voor velen een doorn in het oog zijn, voor de zombies en de spoken van deze maatschappij is het een schoon onderkomen.


Zelf heb ik meer schrik voor mensen dan voor gebouwen. Tenzij het het leegstaande huis van de buren betreft. Terwijl ik in mijn troostblik grabbelde, hoorde ik na 21u tegen de muren schrapen. Ik heb de doos dan maar dichtgedaan en opzijgeschoven en ik heb mijn koptelefoon opgezet. Schrik zit niet in een vermomming, in lange donkere gangen of in gigantische webben van bloeddorstige spinnen, nee, ware angst zit gewoon vanbinnen. 

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 04/11/16)

woensdag 2 november 2016

Gij waart ons zo genegen

Word wakker, lieve doden.
Word wakker, allemaal.
We weten wel:
ge ligt al zo lang te slapen onder uw stenen bed.
Velen van U hebben al hun eigen dood verslapen.
Maar wilt u toch alstublieft ontwaken?

Helden groot en klein,
Vandaag hebben wij ervoor gekozen om
heel even bij u te zijn om U te groeten.
Bonjour! Helaba! Oe ist? Ca va?

Sommigen van ons hadden bloemen mee,
meestal is het hier veel kaler.

Wij herkennen in u namen van een straat, een plein.
Zo belangrijk waart gij levend dat ge eens ge niet meer zijt, een weg vormt.
Ge brengt ons tot in eeuwigheid van hier naar daar naar hier.
Op uw naam leren kinderen fietsen, tieners rijden,
spreken af bij U om voor het eerst op u op stap te gaan.
Maar hier komt gij tot rust. Hier moogt ge slapen.
Hier moogt ge zonder schroom uw botten laten kraken.
Maar niet iedereen was burgemeester in dit soms te kort bestaan.
Kapitein of brigadier of luitenant, niet iedereen vocht voor een land,
doch sneuvelen deed gij stukske voor stukske allemaal.

Zovelen liggen hier zonder neergepend verhaal.
Octavie, Arlette, Henri,
Amedee, Lotje, André
Emiel, Zozima en Espérance.
Uw namen klinken even zeer als groot verlies.
Ook op u werd gebouwd, ook gij verdiende een beeld,
een vlagske voor zelfopoffering.
Een monument van klein geluk.
Een prijsje voor de mooiste lach.
Een oorkonde voor wat u zo wonderwel kon maken.
Ook op uw bestaan kan men nog bewegen, blijven staan.

Enkelen van U vallen niet eens meer te lezen.
Naamloos lijkt gij weggeveegd.
Zijt gij werkelijk vergeten?
Maar gij waart ons zo genegen.

We mogen en kunnen niet vergeten dat den 27sten maart 1918
Plotsklaps 16 kinderen in Nieuwenhove stopten met spelen.
Jammerlijk door den oorlog omgekomen in een veld.
Omdat kinderen geen kwaad zien in een obus opgegraven
als een schat om zich na schooltijd niet te hoeven vervelen.

We mogen en kunnen niet vergeten dat er vaders hun leven gaven
terwijl ze als verzet tegen schenen schopten van wie de macht.
Dat ze daarom werden opgepakt en uit een gezin werden weggerukt.
Dat hier in ons eigen land een tijd was waarin werd gefusilleerd
of door een vijand tot zelfopknoping werd genoopt.

We mogen en willen niet vergeten dat er wel heel veel lege plaatsen aan een tafel zijn,
dat kinderen soms gewoon voor eeuwig met hun knuffelbeer moeten slapen
dat wie godsvruchtig gelooft, ook gewoon een regel op een grafzerk wordt
dat wie vurig wordt bemind  opeens in een hart kan doven
dat wie alleen sterft, toch sneller wordt gewist.

Hoe groener het hier wordt,
hoe grijzer ons geheugen.
Weet: ook al vervaagt uw foto:
gezichten komen altijd weer.

Sinds uw ogen zijn geloken,
is ons hart gebroken.
Uw plaats is ledig rond de haard,
maar uw beeld blijft in ons hart bewaard.

In deze zee vol licht,
Zien wij het als onze plicht om
langs uw stenen bed te gaan
en nu nog eens in te stoppen
voordat het vergeten U heeft opgeslokt.

Ergens staat het hier te lezen:
Ge beseft pas in de avond hoe schoon de dagen zijn geweest.

Slaapt nu maar schoon.
Ge zijt waarschijnlijk moe.
Maar wij missen u en aaien nu uw ogen toe.

(tekst geschreven en voorgelezen in opdracht van CC De Schakel, Waregem
 voor Reveil 2016 voor het kerkhof Den Olm)


maandag 31 oktober 2016

TINE ZIET (38): Herinnering

Wie deze dagen langs een kerkhof passeert, hoort ongetwijfeld een schurend geluid. Zerken worden opgepoetst en met kleurige bloemen aangekleed. Onkruid wordt verwijderd. Sommige familieleden doen dit samen en dat schept een band.  Maar er wordt ook massaal gezucht en gevloekt: “Moeten wij weer naar dat kerkhof toe?” En “Als ik het niet doe? Wie van de familie zal het dan wél doen?” Heeft Allerheiligen in deze tijden nog wel zin?

Hoewel ik me er bewust van ben dat iedereen recht heeft op zijn eigen manier van herinneren, vind ik het ritueel van grafzerken opzoeken enorm rustgevend. Ik wandel graag op een kerkhof. Zelfs op reis. Ook als er geen bloemenzee is. Ook al ligt er niemand begraven die ik ken. Ik hoef geen vaste dag in het jaar te hebben om aan mijn doden te denken, hun afwezigheid valt me meer op als ik niet op een kerkhof ben, maar dat er één dag in het jaar is, waarop iedereen plots iemand gedenkt, maakt gemis lichter om te dragen.

Wat ik al jaren op het kerkhof van mijn dorp van afkomst doe? Ik ga alleen. Dat geeft me de tijd te doen wat ik graag doe. Ik ga eerst naar het graf van mijn grootouders toe. De eerste doden in mijn herinnering. Ik zie hen nog steeds in mijn gedachten, maar ze worden almaar doorschijnender, als ik eerlijk ben. In mijn gedachten zeg ik hen dag en haal fijne herinneringen op. En vanaf dat punt wandel ik de zerken af. Bij elke bekende doe ik hetzelfde. Even denken aan. Tot ik het hele kerkhof ben doorgelopen. Zo’n wandeling duurt lang en is intens, want elk jaar komen er bekenden bij. Hoe een dorp almaar leger lijkt te worden, als je er niet meer woont. Deze manier van naar de doden zwaaien, is natuurlijk lastiger als je meer dan twee kerkhoven bezoekt.

In de toekomst zullen begraafplaatsen misschien verdwijnen. Wie weet worden we ooit als doden bomen en maken we eenmaal begraven een bos vol herinnering. Ik hoop in elk geval dat er een plek zal blijven waar gemis gebundeld wordt, waar je verdriet niet alleen hoeft dragen en waar fijne herinneringen als bloemen aan je voeten opdoemen. Een rustig oord vol lief begroeten.



(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 28/10/16)

maandag 24 oktober 2016

TINE ZIET (37): Ramp

Deze week zag ik een verontrustende foto verschijnen. Op die foto lagen mensen op de grond en daarnaast stonden hulpverleners te praten.  De schrik sloeg me om het hart. Vooral het feit dat de hulpverleners er ‘zomaar’ bijstonden, baarde me zorgen. Groot was dan ook mijn opluchting toen bleek dat het om een preventieve rampoefening ging. Dit was gelukkig niet echt. Hulpverleners steken de handen uit de mouwen, vechten voor een leven. Er wordt uit dergelijke oefeningen geleerd. Maandag had ik bijvoorbeeld een brandoefening met de leerlingen. Meestal loopt zo’n oefening op een chaotische brulpartij uit.  Verrassend hoe rustig deze klas het gebouw verliet en een kwartier later alweer uitgelaten aan het repeteren was. Dergelijke oefeningen lijken banaal, maar zijn uiterst nuttig.  Als er ooit een ramp over ons komt, kunnen we alleen maar hopen dat er ook op dat specifieke geval werd gestudeerd.

Veel rampen echter zijn niet te voorzien. De inwoners van Mosoel bijvoorbeeld. Hoe kunnen zij zich wapenen tegen wat er nu op dit moment aan het gebeuren is in hun straten? Ook de natuur veroorzaakt grote catastrofes die onmogelijk in te perken zijn: orkanen, tsunami’s, aardbevingen. Als het ons zou overkomen, komt alle hulp wellicht te laat. Het lijkt allemaal een zo-ver-van-ons-bed-show.  Maar deze week ging er in de media veel aandacht naar een ramp die almaar steeds meer mensen dicht bij ons lijkt te treffen. Een donderslag, waarop niet te oefenen valt: kanker. Het is een groot persoonlijk drama: een gevecht tussen de medische wereld en een lijf.  En het enige wat buitenstaanders aan deze tragedie kunnen doen is er simpelweg voor wie vecht te zijn.  Akkoord: we kunnen haar doneren, lintjes kopen, geld overmaken, maar bovenal het gesprek durven aangaan, het ondersteunen van wie deze tragedie moet dragen is van belang.  Kennen we niet allemaal dappere strijders?

Noodlot is niet iets wat enkel op TV of in de krant komt. Het woont vaak ook in je straat. Heb er oog voor. In elk van ons schuilt- hoe klein een banaal ook - een hulpverlener in woord en daad.

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 21/10/16)


donderdag 20 oktober 2016

20/10/16: Dag Tegen Kanker

Op een dag sluipt het naar binnen. Ongemerkt en razendsnel. Nestelt zich gedegen in met bedoeling om te blijven. Het roert zich niet. Onbeweeglijk verstopt het zich, laat zich niet zien tot op een dag – meestal te laat – in hoest in slijm in bloed in weinig trek in duizelingen die niet prettig zijn. Het vraagt je niet ten dans, het grijpt, streelt niet, knijpt. Dan begint de strijd om het zo snel mogelijk te doen verdwijnen. Wie ermee vecht, vecht niet alleen, maar gaat er ’s nachts wel alleen mee slapen, wordt altijd wakker met die ander als gast in lijf. En ook al lach je even: altijd is er strijd.

Voor hen die strijden – soms in stilte:  geef niet op!
Voor hen die overwonnen:  kleine helden.
Voor hen die streden en verloren: je bent nog niet vergeten.
Voor hen die machteloos het gevecht moeten aanzien: hou moed!
Voor hen die er op dit moment alles aan doen om zij die strijden te genezen: je doet goed werk, hou vol!

Voor alle anderen: draag op handen, durf er voor wie vecht te zijn. 
Voor de ongenode gast: pak je biezen en verdwijn! 


maandag 17 oktober 2016

TINE ZIET (36): Stilte

Vorige week schreef ik nog over geuren. Hoe verleidelijk is het niet om deze keer over geluid te praten? Over geluidsoverlast zal deze week genoeg te lezen zijn in de krant. Mijn stem wil in deze column niet te luid galmen. Ik zou kunnen schrijven over de stilte die ik op dit moment in huis ervaar, nu de buren verhuisden, maar dat zou naïef zijn. Het zwijgen aan de andere kant van mijn muren zal slechts van korte duur zijn. Weldra woont er iemand anders of gaat men met allerlei machines en hamers in de weer.

Gisteren verklapte een leerlinge grommend dat ze niet zo goed zou kunnen slapen en dat ze al zo moe was. Ze zou bij thuiskomst een puppy in huis hebben. “Leuk toch!” antwoordde ik. “Ja maar, die zal natuurlijk de hele nacht janken…” pruilde ze. En dat is natuurlijk zo. Gelukkig gaat dat snel over. Wallen onder de ogen verdwijnen ook snel als je de volgende dag een lieve en schattige puppy door je huis ziet hollen en springen.

Hoe vaak ergeren we ons niet aan geluid? Niets irritanter dan bliepjes van een telefoon. Wat is in vredesnaam het nut van gsm-toetsen die geluid maken? Waarom moeten we tegen heug en meug telefoongesprekken meevolgen? Waarom maakt aluminiumfolie zo’n ergerlijk geluid? Wie bedacht het schurend krassen van een nagel? Waarom snift deze tijd weer iedereen onophoudelijk met de neus? Muziek die naast de oortjes van de koptelefoon weerklinkt, is dat geen openluchtradio?

Soms zoek ik het op: het geritsel van een herfsttapijt, het kraken van een haardvuur, het spinnen van een kat. Het zacht gesnurk van iemand die naast je ligt. De rust in muziek. Of het bladeren in een boek. Omdat ik mijn oren af en toe wil soigneren. In Nederland rijden er stiltecoupés op de spoorwegen. Heerlijk rustig en wat vervelend als er iemand de stiltetekens niet kan lezen! Ook in de bibliotheek kan je rust opzoeken. Ik las dat er bibliotheken GAS-boetes tot €350 invoeren als er herhaaldelijk moet worden op gewezen dat de bib een stilteoord is.


Laat ons met z’n allen meer zwijgen. Maar zelfs stilte kan oorverdovend kraken. Zwijgen kan ook luid.

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 14/10/16)

dinsdag 11 oktober 2016

TINE ZIET (35): Geur

Soms gebeurt het dat je ergens een geur opvangt die je terugslingert naar andere tijden. Zo kan ik me nog levendig voorstellen hoe het rook bij juffrouw Caroline in de eerste kleuterklas. Ze had een bijzonder parfum. Als ik dat parfum nu ergens toevallig onderweg opsnuif, voel ik me meteen weer veilig en geborgen. Refters bijvoorbeeld blijven een soort van walm verspreiden die me doet denken aan de tijd waarin ik met lange tanden met mijn vorkje in een lapje vlees zat te pulken.  In mijn hoofd sta ik nog steeds bibberend op de balk als ik nog maar een snuifje turnzaal riek. De combinatie van zwarte zeep en rode kool uit bokalen maakt de herinnering aan mijn grootmoeder weer levend.  Gisteren rook ik voor het eerst bewust de herfst op. Op de speelplaats lag er al een mooi hoopje bruine herfstbladeren. De wind danste er een klein walsje mee. Herfst ruikt gelukkig nog naar die tijd waarin een bos nog iets was om in te verdwalen.

Waar er ook altijd een typische geur in de lucht hangt is in bankgebouwen. Ik weet ook niet hoe dat komt. Het is niet echt een stank, ook al zegt men dat geld serieus kan stinken. Het is een kunstmatig luchtje dat mij automatisch op mijn hoede houdt. Een onhoorbaar signaal gaat in mijn lijf af als ik bij een bank binnenstap. Een alarm dat zegt: “Pas op, Tine! Geen flauwe mopjes hier, dit is het land van de serieuze mensen! Let op, anders wordt er met jouw geld gemorst!”

Wellicht heb ik een bijzondere reukzin. Mijn goed ontwikkeld reukorgaan maakte mij specialist in het raden van wie de vergeten trui of sjaal in de klas was.  Nu ik ook de zurige lucht van oud zweet en ongewassen oksels ken, durf ik mijn neus niet overal meer spontaan in te steken. En hoe groot is mijn angst niet om zelf ontzettend onfris te gaan stinken. Wie al eens in mijn badkamer was, weet dat ik een veel te groot assortiment aan geuren heb. Je wilt toch niet altijd hetzelfde ruiken?


Geuren waaieren niet zomaar je neus voorbij. Ze blijven blijkbaar hangen in je lijf om je op een dag terug te doen denken aan hoe het vroeger was. Het verleden blijft hangen in geurige zweempjes.


(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 07/10/16)

maandag 3 oktober 2016

TINE ZIET (34): Plaag

De eerste keer dat ik een kaartje tussen mijn ruitenwisser vond met daarop de mededeling: ‘Wij zijn geïnteresseerd in uw wagen!’ voelde ik me uitverkoren. Ik dacht: ‘Wat heb ik me daar toch een mooie vierwieler!’ Ik voelde me bijzonder tot ik bemerkte dat elke auto in mijn straat zo’n geplastificeerd kaartje gekregen had.

In mijn straat staan klaarblijkelijk veel interessante bolides. Er worden deze dagen weer kwistig met van die schreeuwerige kaartjes gestrooid. Kaartjes tussen ramen, tussen ruitenwissers maar vooral op straat. Mooier nog: ze blijven daar liggen. De firma die geïnteresseerd is in onze wagens, is overduidelijk niet geïnteresseerd in onze stoeptegels. Vorig jaar heb ik eens 23 dezelfde kaartjes in mijn eigen straat opgeraapt. Ik wou ze naar het bedrijf terugsturen want die kaartjes lijken mij nogal duur en ze waren nog volledig herbruikbaar. Er kwam geen reactie op mijn mailtje. Nochtans had ik gereageerd op het mailadres dat op het kaartje zelf stond. Wellicht begrijpen ze enkel ‘autoots'.

Blijkbaar is de strooiformule toch succesvol. Waarom zou men anders blijven investeren in die kaartjesverspreiders? De actie zou volgens mij beter resultaat hebben, mocht men echt ook effectief auto’s selecteren. Ik zou me bijvoorbeeld stukken unieker voelen als ik er eentje vind, maar mijn buren niet. Meer nog: stel je voor dat ik de enige in de hele straat ben met zo’n kaartje, ik zou er misschien wel eens serieus over gaan nadenken mijn auto te koop aan te bieden. Nu gooi ik de kaartjes bij alle anderen op een hoopje en zie de actie als een plaag in plaats van een uitgelezen kans.

Hoe roei je zo’n epidemie uit? Boetes opleggen? Uiteindelijk staan er toch contactgegevens op. Er moet dus toch te achterhalen zijn wie verantwoordelijk voor het strooigoed is. Is het aan de bewoners om die kaartjes op te rapen? Misschien. Maar laat de verantwoordelijken zich ook maar eens bukken. Dat zal ze leren niet zo selectief te zijn! Of laat ze als straf, dezelfde route bewandelen maar andere kaartjes bezorgen waarop staat: ‘U bent unieker dan uw wagen. Fijne dag gewenst!’ 

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 30/09/16)

maandag 26 september 2016

TINE ZIET (33): Taal

Schabouwelijk. Wie kent het woord überhaupt nog? Beseffeloosheid. Iemand? Me dunkt dat veel woorden onverdroten naar een donker hoekje van onze taal werden verwezen. Betreurenswaardig vind ik dat. Niets zo behaaglijk als me wentelen in schone woorden. Ze lezen niet alleen aimabel, ze klinken ook nog eens zo heerlijk doddig.  Tegenwoordig zoeken we het meer in afkortingen en in de Engelse taal. Meer nog: we hoeven niet eens meer zo te piekeren over hoe een woord geschreven wordt. Een lange ij of een korte ei. Wie hoort nog het verschil? Waarom nog aanminnig gebruiken als lief door iedereen begrepen wordt?

Noem me gerust oubollig en belegen. Balorig zie ik met lede ogen aan hoe jongeren én volwassenen steeds minder vocabulaire absorberen. Als te sierlijke tierlantijntjes worden woorden zomaar weggeveegd. Vermaledijde wordt meer en meer verleden tijd. Dat wil eilaas niet zeggen dat ik zonder taalfouten schrijf. Daarenboven voel ook ik mijn woordenlijst slinken: wat je zelden gebruikt, geraakt soms gewoon van onbruik op. Het is ronduit sneu voor een woordensneukelaar als ik. Vandaar dat ik ga glimmen als ik zomaar ineens weer een palaveren op mijn weg vind. Of een amechtig.  Een manspersoon kan mij gladjes imponeren als hij woorden als ravissant en verknocht in de mond neemt en samen met mij de Nederlandse taal kan savoureren.

Taalarmoede is iets wat meer en meer in het oog springt en het zal de komende jaren alleen maar rijkelijker woeden. Zegswijzen en spreuken glippen zachtjes weg. Werkwoorden worden steeds minder correct vervoegd. Ik wil het soms niet eens bevroeden, maar het is een feit. Wat kan baten is het lezen van boeken die geschreven werden door schrijvers die schrijven nog als ware ambacht uitoefenden. Maar ook die auteurs sterven langzaam uit. Samen met hen deemstert van lieverlede de welige weelderigheid van een taal weg. De Dikke Van Daele valt gretig af zoals het past in deze afslanktijd. Alleen een overdaad aan barokke woorden in slechts één schamele column bijvoorbeeld spaart ze vooralsnog van het afvoergat.

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 23/09/16)


woensdag 21 september 2016

TINE ZIET (32): Winkelen

Eén van die dingen waar ik steevast tegenop zie, is winkelen. Eenmaal tussen de rekken, wil ik het liefst zo snel mogelijk naar buiten. Nochtans ben ik iemand die graag naar mensen kijkt en is een warenhuis geen verzamelplek van alle mogelijke variaties van mensen?

Vooreerst zijn er dappere kopers. Met boodschappenlijst en heel kordaat stappen zij naar bepaalde producten toe die zij thuis zorgvuldig met die van in andere winkels hebben vergeleken. Er zijn de twijfelaars die per product steeds weer de promoties met elkaar gaan wikken en wegen. Hun karretje verspert meestal de rij. Daarnaast zijn er de spontane klanten. Ze weten nog niet zo goed waar alles staat of lopen van hot naar her. Zij zorgen meestal voor chaos in het winkelwagenwegennet. Het soort waar ik niet anders kan dan met grote ogen naar kijken is het soort dat in gezelschap winkelt. Vaak is er een kind of een partner mee. Een kind dat lastig doet en iets wilt wat niet afgesproken was. Een partner die zich teveel met de prijs of de samenstelling van het product bemoeit. Het is de categorie van kopers die aan de grens van het ontploffen staat. Ze rijden met hun karretjes alsof het botsautootjes zijn. Ze roepen boven de stem van de intercom uit. De wanhoop staat in hun ogen te lezen. Ook heb je natuurlijk nog de proevers, die alles proeven wat te proeven is. Soms meermaals. De troostzoekers, die alles wat ze in hun wagentje leggen als noodzakelijke cadeaus bezien. En dan ben ik dus aan de beurt. Altijd het meeste vaart, de grootste pas maar altijd net die verkeerde kassarij: de razende dwazen.


De kassier kan veel goed maken. Ik vind het leuk als ze even opkijken van hun kassa. Als ze hun stem verlegen door de intercom laten glijden voor een product dat jij niet op de band hebt gelegd.  Als ze je helpen met zakken, dozen en winkelmandje en niet zuchten als je klein geld in hun handen legt. Als ze de koper aan de grens van ontploffen een knipoog geven en het gezelschap een zakje stickers. Zij zijn mijn winkelbezoek waard. Zij laten de kassa rinkelen. 

(verschenen als column in de extra editie van De Weekbode / De Leie op 15/09/16)

maandag 19 september 2016

TINE ZIET (31): Slapeloos

Sommige beelden uit mijn kindertijd zullen me altijd bij blijven. Zo kan ik me nog heel goed voor de geest halen dat er in de slaapkamer van mijn ouders een spreuk van Bond Zonder Naam hing. Een beetje vergeeld, was er te lezen: ‘Ga nooit met een kwaad hart slapen.’ In mijn fantasie zag ik dan mijn ouders na één of andere ruzie stug in bed kruipen. Rug aan rug. Vanuit hun bed zagen ze dan de boodschap, die ze daar toch wellicht zelf opgehangen hadden en bedachten dan hoe ze de ruzie konden goedmaken. Met een handdruk, met een “Sorry!”, een zoen of een ander gebaar. Na het verlichten van hun hart, draaiden ze zich dan weer naar elkaar. Of dat zo was, weet ik natuurlijk niet. Hoewel ik naast hun kamer sliep, maakte ik nooit een gaatje in de muur, om te zien hoe zij met een kwaad hart gingen slapen.

De spreuk mag intussen nog geler geworden zijn, ik weet wel zeker dat er een grote kern van waarheid in zit. Laatst had ik het er met een vriend over hoe lastig het is om diep en lang te slapen. Het viel ons beiden op dat er tegenwoordig zo veel mensen slaapproblemen hebben en ik dacht natuurlijk meteen aan de spreuk. Hoe ouder ik word, hoe vaker ik kwaad ga slapen. Boos of moedeloos. Piekerend. Want hoe ouder ik word, hoe meer er is om over te malen. Is het niet over hoe het met de wereld gaat, is het om zorgen over van wie ik houd of over wat me die afgelopen dag weer heeft geraakt. Ik zal daar toch niet alleen in zijn? Slapen we met z’n allen trouwens ook niet meer alleen? Met niemand om ons heen om de onrust uit te praten.

Ik probeer die gemoedsrust te krijgen door een aflevering van een serie te bekijken voor het slapengaan. Meestal gaat het daarin over iets waarover ik me in het leven geen zorgen hoef over te maken. Over zombies bijvoorbeeld. De angst voor wandelende en hongerige lijken neemt het dan opeens over van de dingen waar ik in het echte leven kippenvel van krijg. Die monsters helpen wel even. Maar voor iemand met een stortvloed aan gevoelens of een teveel aan empathie, krijg ik slapen met mijn knagend hart wel heel slecht onder de knie.

(verschenen als column in De Weekbode / De Leie op 16/09/16)

maandag 12 september 2016

TINE ZIET (30): Achteloos

De scholen openden hun deuren. Dat valt onmogelijk te ontkennen. Het valt niet alleen op omdat ik zelf juf ben, maar ook in het verkeer is het overduidelijk te merken. Fietsers fietsen weer in schokkende kuddes voorbij. Er zijn meer auto’s verkeerd geparkeerd bij het op- en afhalen van kinderen, maar omdat dat maar voor even is, zien we het als noodzaak in plaats van hinder in het verkeer. Wat mij ogenblikkelijk is opgevallen zijn de troepen studenten die door de stad wandelen. Op weg naar het zwembad of ander gebouw een beetje verder dan het schoolgebouw. Dit doen ze onder begeleiding van één of meerdere leerkrachten.

Vorige week zag ik dat een vrouwtje dat slecht te been was, van het voetpad naar het fietspad moest uitwijken omdat een groep studenten weigerden aan de kant te gaan. Dat ikzelf ook van het voetpad moest afwijken, vond ik minder erg: mijn benen doen het nog allebei. Maar waar is de tijd waarin hoffelijkheid nog gewoon was? Als twee of drie mensen naast elkaar lopen op een voetpad, was het toch logisch dat ze aan de kant gingen als er een tegenligger hun richting uitliep? Nu gebeurt dat nog zelden. Het is meer elk voor zich in deze maatschappij. Heb je geen plaats, is dat jouw probleem. Hoeveel mensen staan hun zitplek in de bus of trein nog af aan iemand die het lastig heeft om recht te staan?


Laatst slingerde een bord van een immokantoor rond op straat. Het zou er nu nog liggen, als ik het niet had opgeraapt.  Als iedereen denkt: ‘Het is niet van mij, dus hoef ik het niet op te ruimen’, dan blijft het maar slingeren.  Let op: ik ben geen heilige. Deze zomer heb ik bijvoorbeeld mijn voorgevel niet gewied. Ook mijn ramen heb ik laten verstoffen en een bezoek aan het containerpark dringt zich al veel te lang op. Maar als het gaat over ‘ons’ straatbeeld dan ruim ik het op. Als het gaat over ‘ons’ voetpad, stap ik moeiteloos aan de kant.  Hopelijk valt dit ook nog ergens op school te leren. Het begint met kleine dingen, want voor je het weet loop je zomaar een tent met daarin een verhongerende jongen voorbij. 

(verschenen als column in De Weekbode / De Leie op 09/09/16)

dinsdag 6 september 2016

TINE ZIET (29): Uiterlijk

Nu de zomer op z’n heetst was, viel het me weer op hoe opvallend mensen naar uiterlijkheden kijken. Ik snap het wel: als de temperaturen zo hoog worden, verschijnt er meer en meer bloot in het stadsbeeld. Zelfs ik vertoon ineens mijn witte benen en mijn besproette armen.  En als het zo warm is, dat het zweet van mijn hoofd drupt, durf ik overigens ook wel mijn shapewear thuis te laten. Dat klinkt heel vanzelfsprekend, maar er is daar toch wat lef voor nodig, als ik eerlijk mag zijn.

Hoe vaak zie ik niet op social media kwalijke opmerkingen verschijnen over hoe iemand er durft bij te lopen in dit weer. Verzuchtingen over zwetende mensen op de trein. Dat ze zich beter zouden wassen met die okselvijvers! Mensen met lelijke tenen horen niet in sandalen thuis. Hun voeten zijn een aanslag op de goeie smaak! Dan heb ik nog niet over vetrolletjes die ineens over een broekrand piepen.
Zelf ben ik niet meteen met een toplichaam gezegend. Het is niet slank. Het zweet en ook al heb ik deze zomer zoveel zon gezien: kleur op mijn lijf zit vooral in mijn sproeten. Toch durf ik het af en toe eens uit te laten. Heel voorzichtig. Sinds ik bij de Figurettes zit zelfs meer en meer. Maar het schaamt zich nog net iets te vaak in het openbaar.  Zeker nog voor in een badpak op het volgepropt strand of in een zwembad. Maar in de juiste omstandigheden voelt het eigenlijk wel goed. Mooi zelfs.

Zaterdag was ik op een brunch met allemaal 20-jarige meisjes en jongens. Het was er best fijn. Tot er enkelen hun topjes over het hoofd uittrokken en de sprong in het zwembadje maakten en men mij vroeg of ik mijn bikini ook had meegebracht. Het was voor mij het teken om me stilletjes uit de voeten te maken. Ik wou het die jeugdigheid niet aandoen. Zij ijverden nog volop aan het behouden van een ideaal. Met mijn plompheid had ik meisjesdromen eensklaps in stukken kapotgeslagen.


Ach, misschien had ik het beter toch gedaan. Dat men had kunnen zien dat je je ook goed kan voelen in een lijf dat niet van photoshop, plastische chirurgie en eeuwig lijnen is gemaakt.  Ooit lukt het me. Nog even niet.

(verschenen als column in De Weekbode / De Leie op 02/09/16)

maandag 29 augustus 2016

TINE ZIET (28): Open Boek

Het is vast erfelijk bepaald: wenkbrauwen die lijken te praten. Op oude familievideo’s hebben wij er met z’n allen last van: een gezicht dat misschien teveel verraadt. Soms noemt men dat gewoon een expressief gelaat, soms is het gewoon een té grote open kaart. Zet mij bijvoorbeeld niet achter een pokertafel. Laat mij niet voor je liegen. Gegarandeerd val je door te mand.  Ook al heb ik een acteursopleiding genoten: in het ware leven lukt het me bijna nooit met volle overtuiging iemand iets leugenachtigs op de mouw te spelden. Het is best schattig zo’n gezicht dat boekdelen spreekt: een neus die krult, een voorhoofd dat fronst, ogen die waterig uit hun ooghoeken gluren,… maar het blijft een hindernis in dagdagelijkse communicatie want realiteit vraagt je soms om voor de lieve vrede overtuigend de waarheid te beliegen.

 Er zouden in dit leven cursussen ‘Hoe word ik een leugenaar in drie stappen?’ moeten bestaan.  Echt: er zijn vast succesvolle jokkebrokken zat die me iets boeiends zouden kunnen leren. Al zouden die me ongetwijfeld ook, zoals het hoort, veel onzin proberen aan te smeren.

Klagen moet ik eigenlijk niet. Het is het ook mooi om zo weinig mogelijk toneel te spelen, om de outfit van het liegebeest pas in het theater aan te trekken. Helaas zijn ‘acteurs’ ook meer en meer naast de scène op te merken. Zo zijn er mensen zat die niets anders kunnen dan anderen trachten op te lichten in een bank, aan de voordeur, op school, op internet, in één of andere raad,… Enorm verwarrend als je ’t mij vraagt.

Eén tip: probeer de leugendetector in je te ontdekken: zoek het gezicht dat zich met schaamte op een verzonnen waarheid richt. Moeilijk is het niet. Je hoeft niet naar het masker van Jim Carrey te zoeken. Vaak vertelt een onverwacht rimpeltje genoeg. Soms zit verzonnen waarheid naast je op schoot. Soms wordt een geheim veel te snel groot.

Lees je wel eens een open boek? Nee? Ga dat gerust eens vanaf vandaag doen. Geef mij maar dat echte want ook al is een leugen nog zo snel: die dekselse waarheid…  weet je wel?

(verschenen als column in De Weekbode / De Leie op 26/08/16)


maandag 22 augustus 2016

TINE ZIET (27): Samen

Het is bijna niet te geloven, maar er zijn tijden geweest waarin ik nauwelijks naar buiten kwam. Alleen in mijn eentje was goed genoeg. De rolluiken bleven dicht en ik zag dan heel zelden zonlicht. Af en toe lijk ik wel eens te hervallen in mijn zelfgezochte eenzaamheid.  Dan kom ik een dag, hoogstens twee, niet naar buiten. Dan wentel ik me in mijn eigen melancholische zelf. Dat doet soms best eens goed. Sommige mensen kunnen dat niet zo goed begrijpen. Maar zo functioneer ik al jaren. Zo’n dag alleen is voor mij perfect om mezelf te herladen of eens ongestoord naar mijn eigen gedachtenstroom te luisteren. Natuurlijk is er ook een kant van mij die nood heeft aan een samen. In gezelschap bloei ik op. Het doet zo ontzettend deugd om met anderen te lachen en te praten.

Hoeveel samen was er bijvoorbeeld afgelopen weekend niet om de twintigste verjaardag van De Coulisse te vieren? Het was best indrukwekkend. Eén groot verjaardagsfeest. Het was fijn te zien hoe zo’n babbelcafeetje opeens één groot café wordt. Eén lachend, babbelend en dansend plein waar iedereen zich welkom voelde en waar iedereen met elkaar wou samen zijn.

Het is belangrijk dat er mensen zijn die evenementen organiseren waar iedereen zichzelf in gezelschap van anderen mag zijn. Laagdrempelig en niet al te prijzig.  Zo is iedereen zondag welkom in de Wereldtuin voor de Secret Garden Brunch van BoegieWoegie en het Rode Kruis Opvangcentrum. Je eigen brunch kan je altijd in je eentje aan je eigen keukentafel verorberen, maar je kan er zondag voor kiezen om die te midden van anderen op te peuzelen. En waarom niet te delen?  Samen eten schept een fijne band.


Zelf weet ik niet op voorhand wanneer de kluizenaar in mij zich weer laat ontdekken. Meestal is het na enkele drukke dagen of in een te lome zon. Blijf ik te lang binnen, kom me dan gerust eens halen. Maar duurt het maar kort, dan hoef je me niet naar buiten te vragen. Dan komt het wel goed. Het gezelschapsdier in mij groter. Ik voel mij vooralsnog als een vis in het water met een samen. 

(verschenen als column in De Weekbode / De Leie op 19/08/16)

dinsdag 16 augustus 2016

TINE ZIET (26): Naamloos

Soms zie je mensen zo vaak passeren, is een gezicht zo vertrouwd, dat het lijkt alsof die mensen een stukje decor van een stad geworden zijn. Ook al werd er nooit echt een woord gezegd, het vertrouwde zegt genoeg. Het is vreemd te beseffen dat ook die gezichten verdwijnen. Dat die decorelementen er zomaar ineens niet meer zijn. Eerst valt dat niet zo op. Je stapt door de straten zoals voorheen. Maar na een tijd begin je te missen. Er ontbreekt iets onderweg. Een wandeling door je stad is niet zoals voorheen. Het kan dagen, weken, maanden duren voor je beseft, wat er op je route niet meer is. Of wie.

Het gaat in dit geval altijd om figuren. Geen gewone figuren. Maar vaste figuranten die je keer op keer weer tegenkomt zonder écht te ontmoeten. Mijn stad kent er heel veel. Voor mij zijn het meestal naamloze personages. Voor een naam woon ik hier soms nog niet lang genoeg. In het beste geval ken ik een lapnaam. Vaak zitten die naamlozen alleen aan een tafeltje of aan de bar en worden ze gemeden. Of ze dolen alleen door de straat. Meestal kromgebogen, een beetje nors, met korte broeken of veel te magere benen. Het kunnen mannen of vrouwen zijn. Soms zie je het verschil niet al te goed. Helden zijn het niet. Ze kunnen goed zwijgen en kijken. Er is een leed te zien of een stil verdriet. Er is vaak ook honger, grote dorst.

Het is op het moment dat je de leegte ziet, dat je schrikt. Dat wat jij zolang als decor zag van vlees en bloed was. Een mens met een verhaal, een achterban, een kloppend hart. Je zou jezelf voor het hoofd kunnen slaan dat je niet een poging deed tot praten. Dat je niet de moeite deed om de mens in het vertrouwde van je stad te leren kennen al was het maar bij naam. Dat je nog niet eens tot ‘Goedendag!’ gekomen bent. Maar dat je je toch kan hechten aan iemand met wie je eigenlijk nooit praat.


Iedere stad, ieder dorp, kent zulke figuranten. Figuren die opeens verdwijnen en met die afwezigheid  een omgeving met verstomming slaat en eensklaps grijzer kleurt. Laten we hen bij naam noemen voordat ze enkel nog in verhalen bestaan. 

(verschenen als column in De Weekbode / De Leie op 12/08/16)

woensdag 10 augustus 2016

Ode aan de bloemen: Last Call

Al de hele zomer stelde Tine Moniek zich beschikbaar om jouw bloemen in de bloemetjes te komen zetten. Uiteindelijk bracht ze al 14 odes. Dapper gaat ze als een Vlijtig Liesje door.

 NIEUW:

 * Heb je geen bloemen maar wel een kunstbloem op je piano? Madeliefjes op je zomerjurk? Ook die bloemen verdienen misschien een ode.
* Woon je te ver? Aarzel niet toch te vragen. Misschien valt het te combineren met een bezoekje aan een verre tante of een suikeroom. Of wie weet lukt het wel via Skype of Facetime of zo.
* Voor wie bang is voor een overdaad aan poëzie: de ode bestaat standaard uit 1 gedicht. De liefde voor de bloem of voor het feestje mag groter zijn dan voor de poëzie...

 Zo werkt het dus:

Stap 1: Neem je agenda. Nodig Tine uit in augustus. Dat kan om op het even welk tijdstip. Tine is flexibel.

Stap 2: Zoek een week daarvoor een bloem. Op je balkon, in je tuin, op je koer, op je vensterbank,... die voor jou een ode verdient, geef die eventueel een naam en maak een foto daarvan. Eventueel vertel je er een persoonlijk verhaal over, maar dat hoeft zeker niet. 

Stap 3: Nodig minstens 1 persoon uit.

Stap 4: Als het afgesproken tijdstip er is, fietst of wandelt (of reist)? Tine naar je toe in een bloemenjurk. Ze leest life bij de bloem haar ode voor. Daarna schenk je gasten een drankje naar jouw keuze (kan melk, water, koffie, chocomelk, wijn, thee, bier,... zijn) en klinken jullie op de bloem in kwestie.


Stap 5: Tine vertrekt, blijft hangen of leest nog enkele andere teksten voor. Volkomen jullie keuze! 

Stap 6: De bloem zal vanaf dat moment nooit meer zomaar bloeien...

 Tuinfeestje, een koerkermisje, een balkonfestijntje... Het hoeft niet grootschalig zijn om feestelijk te zijn. Verwen je bloemen met wat lieve en persoonlijke groeten! Klink eens samen op je bloemen! Wees lief voor wie naast je wil bloeien!

maandag 8 augustus 2016

TINE ZIET (25): Bloemen

Geen zomer zonder zon of zonder bbq. Maar wat zou een zomer zijn zonder bloemen? Hoe mooi kleurt een straat, een tuin, een plein als er maar bloemen zijn? Deze zomer heb ik ervoor gekozen om extra oog te hebben voor hen. Zelf ben ik niet in de mogelijkheid om ze weelderig te laten groeien. Daar heb ik te weinig groene vingers voor. Wel ga ik ze in bloemenjurken bij mensen thuis roemen met een zelfgeschreven ode, want ze met taal bedanken voor hun komst, dat kan ik dan weer wél.

Vaak staan we te weinig stil bij bloemen. Ze komen er lang niet altijd spontaan. Dankzij De Wereldtuin is er bijvoorbeeld meer kleur rond het Vander Merschplein. Men zaaide lobelia’s en ‘deelde’ die eenmaal in bloei uit aan de buren van het plein. Wat een fris idee! Niet alleen komt hiermee meer kleur op straat. Meer bijen dus meer honing. Ook is er zoiets als samenhorigheid. Allemaal samen maakt men het plein fleuriger en bijgevolg de stad mooier.

Hoe verschillend al die bloemen allemaal zijn, hoef ik niet te vertellen. Zoveel soorten. Zoveel kleuren. En wat een aanbod aan geuren! Mochten jullie het al vergeten zijn, ga gerust eens in een bloemenwinkel langs en trakteer jezelf op een boeket. We mogen zelf ook eens in de bloemetjes worden gezet.  Want net als bloemen, mogen ook wij bloeien. We knappen er zo heerlijk van op. Net zoals er verschillende soorten bloemen zijn, zijn er ook variaties in mensen. Zoveel soorten. Zoveel kleuren. En wat een aanbod aan geuren!  Samenleven is een boeket maken, samen bloeien. Dat valt niet altijd mee. Wat als je moet samen bloeien met een soort die haat? Een variant die op het leven spuugt of katjes als voetbal gebruikt?

Het maakt ons allen wat verlept als we eraan denken. Of we denken te weinig na en zouden omhaal die bloem uit de vaas halen zonder te bedenken dat een boeket dan wat armtieriger wordt, de vaas wat armer. Sommigen worden al geknakt voordat ze de kans kregen om te bloeien.  Het is zo moeilijk. Het is een hele klus. Daarom alleen al, moeten we bloemen op onze blote knieën danken dat ze zo heerlijk fleurig bij ons willen bloeien. 

(verschenen als column in De Weekbode / De Leie op 05/08/16)

dinsdag 26 juli 2016

Ode aan de bloemen: extraatje

Morgen breng ik een speciale bloemenode, ode nummer 10, waar jullie allemaal deel van kunnen uitmaken!

 Ik ga willekeurig met mijn blauwe koptelefoon en bloemenjurk door de straten van Menen wandelen. Als de muziek stopt, begroet ik de eerste bloem die ik zie.

Hoe meer muziek, hoe verder ik stap. Het tempo van mijn pas hangt van de muziek af.

 Post hieronder voor middernacht één nummer (van max 5 min) dat je wil toevoegen aan mijn bloemenwandelspeellijst.




maandag 18 juli 2016

TINE ZIET (24): Salto

 Toen onze stad vorig jaar voor het eerst met de naam Salto op de proppen kwam, werd ik op slag een beetje misselijk. In mijn schooltijd stond de les lichamelijke opvoeding gelijk aan marteling. Een achterwaartse koprol bezorgde mij al nachtmerries. Een radslag zat niet in mijn lijf en nu zette Menen ons aan tot buitelingen? Gelukkig viel het allemaal wel mee. Moby Dick bleek geen gymleraar maar een potvis te zijn. Dat de eerste editie van Salto een meevaller was voor mij, betekent niet dat het een succes was. Ik denk dat het opzet toen een beetje te ambitieus was en het volkse karakter dat in een stadsfestival hoort, was vergeten.

Afgelopen zaterdag, in de blakende zon, werd de tweede editie van Salto op ons losgelaten. Thema nu was de muziek. En die bracht ons samen! En hoe! Het stadsfestival werd geopend met een concert met de beiaard en het banjo-orkest! Een geslaagd experiment, dat zeker niet voor de hand lag omdat er een klein tijdsverschil zat op de klanken. Daarna slingerde een stoet met de Koninklijke Volksharmonie Sint-Jozef voorop naar de andere Salto-locaties. Het hoeft niet gezegd dat de toon gezet was. Een stadsfestival is voor iedereen. Wil je gewoon in de zon genieten met een muziekje op de achtergrond? Dan kan dat. Wil je zoveel mogelijk concerten oppikken? Er is een gevarieerde keuze. Ook de kinderen worden gretig met lekkers verwend.


Na het concert van Guido Belcanto met het Sinja-koor en enkele vrijwillige Menenaren in zijn nek, werd het feest op de markt afgesloten door DJ Zaki. Ikzelf liet deze Gentse dj aan mij voorbijgaan en zakte af naar De Figuranten en vierde het einde van Salto met Menens karakter. Dit is een plek in mijn stad, in mijn straat, die me lief is. Een soort open huis met fijne artistieke en sociale projecten waar iedereen welkom is. Er is daar sinds kort een soort van bok neergezet waar niemand echt over kan. Een hindernis die ons wat schrik aanjaagt. Kan deze werking in al haar verscheiden aspecten zoals wij ze kennen, blijven bestaan? Ik hoop het van harte. Een salto is mooi. Een salto mortale niet.

(verschenen als column in De Weekbode / De Leie op 15/07/16)

maandag 11 juli 2016

TINE ZIET (23): Rooster

Nu de zomervakantie eindelijk is ingezet, worden er weer kwistig BBQ-kruiden in de atmosfeer gestrooid. Geef nu toe: BBQ maakt toch de zomer. Veel heb je er niet voor nodig: een BBQ, houtskool, vuur en tang en vervolgens een paar stukken vlees, wat brood en een sausje en je hebt als ex-neanderthaler al genoeg om zwijmelend achterover te vallen. Geef het maar toe: soms hebben we in al onze beschaving gewoon een oermens in ons lijf zitten die erop kickt een fikkie te stoken ter ere van onze gevangen prooi. Ook al jagen we al tijden niet massaal meer op vlees. Vis kan ook aardig grillen. Vegetarische burgers ook. Gegrilde courgettes, aardappeltjes met look. Voor iedereen past wel wat lekkers op het rooster. Loopt het water al in de mond? Ontkurk alvast een flesje cava of wat wijn. Schuif gerust bij! Zomer maakt gastvrij.

We snakken zo naar zalig nietsdoen. We liggen zo graag in onze lome hangmat. We hebben zo’n nood aan ontspannen want de boog kan niet altijd gespannen zijn. Maar wat ik gisteren zag, tartte werkelijk mijn verbeelding. Door één of andere kortsluiting in mijn gedachten reed ik voor het eerst sinds jaren verkeerd. Ik reed van mijn moeder via de E17 naar Menen, zoals ik altijd doe, maar opeens stond ik in de file naar Moeskroen. Anderhalve kilometer aanschuiven en puffen. Meer is het niet. Geduld is een schone deugd. Niet? Ik schoof keurig aan terwijl ik de mooie lucht bekeek. Naast me zoefden auto’s en zelfs vrachtwagens mij op de pechstrook voorbij. Levensgevaarlijk! “Ah, we hebben haast en lappen de verkeersregels aan onze laars.” Of “De brochettes moeten nog gemarineerd! Als ik de file voorbijrace loopt de BBQ straks toch nog gesmeerd!”


Wellicht vindt U dat ik overdrijf. Anderhalve kilometer de wet overtreden: dat is slecht kattenpis. Maar ik leg al deze overtreders graag eens op het rooster. Als U thuis ontstressen moet met de voetjes onder alweer een terrastafel. Weet dat U dat ook in de korte file had kunnen doen, terwijl U net als ik naar de wolken keek, de schone velden om U heen. Ontspannen kan ook rookvrij en zonder eten.

(verschenen als column in De Weekbode / De Leie op 08/07/16)


donderdag 7 juli 2016

Ode aan de bloemen: waarom ik het iedereen kan aanraden om een spontaan bloemenfeest te organiseren

Inmiddels heb ik al drie bloemenfeestjes achter de rug. Drie keer trok ik mijn ongelooflijke felle bloemenjurk aan om met een bang hartje naar een voordeur te gaan. Ten eerste vergt het voor mezelf al moed om me in die jurk in het openbaar te vertonen. Ten tweede vraagt het ook lef om bij mensen binnen te vallen. Maar al drie keer was zo'n interventie niet alleen voor mij een succes.



De eerste keer kwam ik op een verjaardagsfeest terecht. Ik was de surprise. Ik voelde me een beetje ongemakkelijk daarbij. Ik dacht een strikje op mijn lijf. De verlegenheid stak een beetje de kop op. Ik lokte ze mee in een tuin die niet van mij was, bracht er één ode, we klonken en uiteindelijk kon het feest daarna weer verder gaan in de koffie en de taart. Het was een intermezzo voor de gasten. Even naar buiten, in een zwak zomerzonnetje, maar hé! de zon was er ineens! Lag dat aan mijn jurk? Een ode als tussendoortje: fijn!




De tweede keer kwam ik met een delegatie van De Wereldtuin op het Vander Merschplein terecht. De Wereldtuin is een fijn initiatief in mijn stad. Menenaren kunnen er een tuintje lenen. Men had er lobelia's gezaaid om in vensterbanken rond het Vander Merschplein te zetten. Maandag werden de bloembakken verdeeld. Ik mocht de lobelia's welkom heten rond het plein. Een bewoner was net bezig om ze water te geven, dus gingen we naar zijn vensterbank. Het was een fijn en gezellig gebeuren. Met het glaasje kwamen ook veel verhalen los. Zomaar op de stoep. Bij twee bakken lobelia's. Ongedwongen en spontaan. Zo makkelijk komt een gesprek met mensen die elkaar niet zo goed kennen los. Een ode als een sociaal gebeuren: top!


De derde keer ging ik langs bij een vriendin en haar man. Die kende ik al goed. Alsook hun tuin. Maar ze hadden hun buurvrouw van in de tachtig uitgenodigd. Dat gaf het gebeuren toch een speciale dimensie. Middenin een omgeving waarin ik me al vertrouwd voel, was er ineens een kennismaken met. Een eerste ontmoeting. Zo'n ode brengt dus ook nog eens mensen bij mekaar met wie je anders nooit dacht dat het zou klikken. Met de buurvrouw van mijn vrienden in mijn hart fietste ik naar huis. 


Eerlijk: ik had het zelf niet zo verwacht. Dat één simpel gedicht zoveel teweeg kan brengen. Eén simpel bloemenfeest tegen verzuring. Een simpele dronk op wat kleurigs in dit leven. Gratis en voor niks bloeien niet alleen je bloemen, maar ook de gasten op. Breng eens mensen samen onder het mom van bloemen of verras ze op je eigen feest met wat extra fleur. Nu gaan jullie me vast allemaal boeken? Toch? Het zijn solden: ik kan  gerust nog een paar bloemenjurken kopen. 

(foto's zijn allemaal van Debora Knol tijdens de Ode aan de Bloemen op het Vander Merschplein.)

maandag 4 juli 2016

TINE ZIET (22): Kuit

Hoewel sommigen mij als een taaie tante zien, ben ik een zielepoot. Een zwakkeling. Maandagochtend scheurde ik bij het al te enthousiast vliegtuigje spelen tijdens de promodagen van SAMW Menen mijn kuitspier. Hoewel me dat al eerder overkwam, voelt deze scheur deze keer toch als een ware dolk in mijn lijf.

Vooreerst zijn er die fijne Figurette-pasjes die ik nu vermijden moet, want vrolijk springen kan mijn geblesseerde spier er nu even niet bij hebben. Ik weet dat ik extra pijn zal voelen als ik zaterdag tijdens onze tweede verjaardag op Reckebilck voor het eerst vanaf de zijlijn naar die fenomenale dames kijken moet. Daarnaast zet de blessure een noodgedwongen stop achter mijn dagelijkse conditietraining snelwandelen op de loopband en zet al mijn bewegingsplannen in de zomer on hold, want dit euvel kan pas herstellen na weken recupereren, manken.  Tijd om weer wat meer te lezen

Toch is het bijzonder slecht voor mijn moraal maar ik hou me an ’t gès en beloof er niet te veel over te zeuren. Er zijn zoveel dingen die stukken erger zijn. Zomaar op klaarlichte dag in elkaar geslagen worden bijvoorbeeld. Zonder duidelijke redenen ineens op straat staan. Op een luchthaven in Istanbul op het verkeerde moment op je vlucht staan wachten. Verliezen wat je het dierbaarst is. Horen dat je ziekte maar blijft woekeren ondanks alle hoop en medicijnen. Of dat een mens in onze stad blijkbaar zoveel honger lijden kan, dat hij eendjes uit een vijvertuin moet stelen, zijn portefeuille daarbij verliest en dan nog eens wordt betrapt met het karkas op zijn bord. Schrijnend.

We moeten in deze spannende tijden steeds kraniger zijn.  We moeten doorbijten. Beresterk zijn. Wat het ook is dat ons tekent, of we nu winnen of verliezen, we moeten dat altijd doen met de kuit vooruit. En als dat niet in ons eentje lukt, zouden we een blauwe vlag aan ons raam moeten kunnen hangen met daarop de woorden: ‘Help mij!’.  Zonder schroom en zonder schaamte.  Want sterker ben je altijd met een samen.

 (verschenen als column in De Weekbode / De Leie op 01/07/16)

dinsdag 28 juni 2016

TINE ZIET (21): Menin Road

Wie deze zomer nietsvermoedend langs het stadhuis van Menen komt, kan wel eens grote ogen trekken. In het binnentuintje speelt zich een waar bloedbad af. Dit van woensdag tot en met zondag. Het is werkelijk indrukwekkend. Middenin al het licht en wit spuiten rode fonteinen. Je staat ineens oog in oog met verminkte soldaten. Je kan niet anders dan opeens met afschuw de waanzin van oorlog aanstaren.

Dat is één van de mooie dingen aan plotse kunst op je weg. Het zet je aan tot denken. Waar je anders zomaar voorbijloopt, word je gedwongen om te blijven staan. Je hoeft het niet eens persé mooi te vinden.  Kunst is lang niet altijd een decoratieve vaas. In dit geval is het werk van Böhler & Orendt in elk geval in zijn opzet geslaagd. Middenin in één van de meest prestigieuze gebouwen van onze stad word je met de neus op de feiten gedrukt: hier stroomde ooit bloed. En geen klein beetje. Andere locaties in onze stad zijn het stadsmuseum, de St-Fransiscuskerk en SAMW-Menen.

Het totaalparcours, hoofdzakelijk langs de Meenseweg slingert zich een weg van Ieper, Geluveld, Geluwe naar Menen en toont 40 nationale en internationale kunstwerken. Kleine oorlogsmomumenten. Eerlijk? Ik vind niet alles even geslaagd als het werk in het stadhuis. Maar les goûts et les couleurs…  Iedereen wordt nu eenmaal door andere dingen geraakt. Je kan onmogelijk alle gebakjes uit de etalage van de bakkerij met evenveel smaak opsmikkelen.


Laat jullie op sleeptouw nemen voor een fietstochtje. Voor een uitstapje langs een weg vol kleine verrassingen. Zo zag ik zomaar de glazen kist van Sneeuwwitje in de kerk van Geluveld en een beschimmeld cachot in Geluwe. Die behoren niet eens tot de officiële tentoonstelling die Johan Tahon cureerde maar alles wat in het traject verscholen ligt, krijgt ineens een verrassend uitzicht. Een voetbal in het gras kan opeens een deeltje van een kunstwerk zijn. Net zoals de modderplassen in het hooiveld en de klaprozen aan de kant van de weg.  Dat is het mooiste: kunst zet dingen in een ander licht. En wat is er schoner dan het zomerlicht?

 (verschenen als column in De Weekbode / De Leie op 24/06/16)

zondag 26 juni 2016

Ode aan de Bloemen: zomerproject

Binnenkort is het weer twee maanden zomertijd! Omdat er wat meer oog mag zijn voor de bloemen, kwam Tine dit jaar op het idee om bloemtjes te zaaien. Elke bloem zal een naam krijgen en een tekst. Zo zullen haar bloemen in elk geval dit jaar opvallender en kleuriger bloeien (en misschien zorgt ze er dan ook wat beter voor...).

Maar ze komt deze zomer ook bij jouw bloemen op bezoek met een hoogstpersoonlijke ode!

Zo werkt het:

Stap 1: Neem je agenda. Nodig Tine uit in juli of augustus. Dat kan om op het even welk tijdstip.

Stap 2: Zoek een week daarvoor een bloem. Op je balkon, in je tuin, op je koer, op je vensterbank,... die voor jou een ode verdient, geef die eventueel een naam en maak een foto daarvan.

Stap 3: Nodig minstens 1 persoon uit.

Stap 4: Als het afgesproken tijdstip er is, fietst of wandelt (of reist)?Tine naar je toe in een bloemenjurk. Ze leest life bij de bloem haar ode voor. Daarna schenk je gasten een drankje naar jouw keuze (kan melk, water, koffie, chocomelk, wijn, thee, bier,... zijn) en klinken jullie op de bloem in kwestie.

Stap 5: Tine vertrekt, blijft hangen of leest nog enkele andere teksten voor. Volkomen jullie keuze!

Stap 6: De bloem zal vanaf dat moment nooit meer zomaar bloeien...


Tuinfeestje, een koerkermisje, een balkonfestijntje... Het hoeft niet grootschalig zijn om feestelijk te zijn. Verwen je bloemen met wat lieve en persoonlijke groeten! Klink eens samen op je bloemen! Wees lief voor wie naast je wil bloeien!


Dit project is geldig in de maanden juli en augustus. Het kost je niets als Tine te voet of met de fiets kan komen. Wil je een ode verder weg, vraagt ze wel graag de kosten van haar transport terug (tenzij ze daar toch al moest zijn).

Meer info: mail gerust.

dinsdag 21 juni 2016

TINE ZIET (20): Tyber

Tegenwoordig is het een trend om in leegstaande gebouwen in te breken om er foto’s te nemen. Het klinkt behoorlijk avontuurlijk en een tikkeltje gevaarlijk. Echte urban exploring gebeurt met mooi fotomateriaal en een serieuze beoefenaar van het vak moet preventief jaarlijks een spuit tegen de klem laten zetten, want inbreken in leegstaande gebouwen is niet zonder risico.

Een paar maanden geleden werd mij gevraagd om een voorstelling te schrijven voor het Liberty-Festival dat dit weekend plaatsvindt op de oude site van Tyber. Het festival moet een eresaluut zijn aan een echt stukje historie van Menen. Een afscheidsfeest van een bouwwerk vol verhalen.  Zelf ben ik geen held. Ik durf niet eens zonder gezelschap met een sleutel het pand te betreden. Eenmaal binnen met het besef dat er nog anderen in de fabriek aanwezig zijn, durf ik wel op onderzoek te gaan.
Het is werkelijk indrukwekkend om er in rond te lopen. Voor iemand zoals ik, zonder persoonlijke band met het pand, is het een soort van curiositeitenkabinet. Ik snuister bijzonder graag in dingen uit het verleden. Ik verzin er graag verhalen bij. Emotioneler moet het zijn om er als ex-werknemer terug te gaan en eens te kijken hoe het vergaan is met je oude werkplek.

Ik heb mijn oren op Tyber gelegd en heb het proberen te bevatten. Dat was niet zo moeilijk. Op het prikbord hangen nog altijd de brieven die het collectieve ontslag aankondigden.  De machines zijn al lange tijd verdwenen, maar ergens weergalmen hun echo’s nog. De aanblik van een stoffig kantoor met dossiermappen. Een stapel stalen op een hoopje. Het meest frappante voor mij was het kruisbeeld naast de stilstaande klok. Tijd die jaren is blijven stilstaan.


Na het festival en de reünie voor oud-werknemers, komt onherroepelijk de man met de hamer. Die sloopt het gebouw. Wie het gebouw nog even wil fotograferen of wil eren moet snel zijn, want het slopen van een stapel stenen gaat sneller dan je denkt. En voor je het weet, gaapt er opeens een akelige leegte in de Ieperstraat.   Gelukkig blijven verhalen als geesten naar ons wuiven.

 (verschenen als column in De Weekbode / De Leie op 17/06/16)

maandag 13 juni 2016

TINE ZIET (17): Buurt


Wat ben ik jaloers op Lidewij uit ‘Iedereen Beroemd’ die in de rubriek ‘Mijn straat’ haar hele straat in Schaarbeek leert kennen en in kaart brengt. Prachtig om te zien was het buurtfeest dat werd georganiseerd na één jaar ‘Mijn straat’. Het was heerlijk: alle buren schoven bij elkaar aan. Hoe ontzettend warm! Haar buren waren haar vrienden geworden. Maar niet alleen van haar, ze waren ook vertrouwd geraakt met elkaar.

Ik ken mijn buren niet.  Dat vind ik jammer. Dan zou ik hen misschien wat meer begrijpen. Ik zou me minder irriteren. Ik zou uit tradities die niet de mijne zijn, kunnen leren. Het lijkt me fantastisch om zomaar een blikopener te gaan vragen of een stukje cake dat over is naar een eenzame buur te dragen. Een jaar geleden bouwde ik wat op met mijn Roemeense buren. Als ze iets niet begrepen, belden ze bij me aan. Als ze iets over Menen wilden weten, spraken ze me aan. Dat vond ik een fijne tijd. Het was alsof de rechterkant van mijn huis wat warmer werd. Op een dag waren ze zomaar verdwenen en woonde er een ander gezin in hun huis.  Het is iets typisch voor mijn straat: buren komen en buren gaan. Gelukkig zijn er ook vaste waarden, die ik helaas ook niet ken.


Doe ik mijn best om iets met hen op te bouwen? Beslist veel te weinig! Mijn praten beperkt zich meestal tot een knikje of een ‘Bonjour!’. Ik maak voor mijn buren samen met mijn katten wellicht teveel lawaai. Ik demp het volume  van mijn laptop als ik in mijn bed naar Netflix kijk. Ik probeer niet te hard mee te  kwelen met mijn radio.  Maar mijn lattenbodem piept, mijn trap kraakt, sommige kastdeuren maken muziek en als ik op mijn loopband sta, trilt de vloer.  Vrijdag 27 mei, vandaag, is het ‘Dag van de Buren’ en ik neem me voor om eens wat meer mijn best te doen.  Als het aan onze minister Joke Schauvliege ligt, moeten we dringend kleiner gaan wonen. Nog dichter bij elkaar! Als ik dan toch op schoot moet van de buren, weet ik toch het liefst hun naam.

 (verschenen als column in De Weekbode / De Leie op 27/05/16)

TINE ZIET (19): Held

Terwijl de voetballen ons om de oren vliegen, kappers zich verkneukelen in het nieuwe kapsel van Fellaini, de weddenschappen aan de toog worden verzilverd, teennagels volgens de nationale driekleur worden gelakt en het bankstel weer naar buiten wordt versleept om met de gehele straat een winnend doelpunt te zien maken met toeters en bellen, haal ik mijn schouders op en zucht. Het spijt me. In dit stukje onthul ik geen strategieën. Ik verklap U niet welke duivel ik boven mijn bed heb hangen. Ik zal heel eerlijk zijn: voetbal doet me bitter weinig. Het doet me eigenlijk bijna geen bal. Dat spijt me.

Natuurlijk zou ik niets liever willen dan dat België kampioen wordt. En ik begrijp maar al te goed, dat als het zover komt, ik dan niet deel ga nemen aan de kampioenenviering. Wie niet supportert tot het einde, verdient ook geen gratis drank. Nee, mocht er een kampioenenviering komen, is dat iets voor wie vlaggen aan het raam heeft hangen, de auto heeft versierd of minstens één wedstrijd met een vrolijke muts met belletjes rondliep.

Begrijp me niet verkeerd: ik hou van de geur van gras, van mannenzweet, van bier en feest. Het is ontzettend fijn om samen achter één ploeg te staan. Het is opzwepend om tussen een bende supporters te zijn. Het is fantastisch om een doelpunt te zien scoren met je eigen ogen ook al ken je al die spelregels eigenlijk niet. Het is bijzonder om nog eens één land te zijn in plaats van te zijn verdeeld.  Maar zo zonder vader met een rood aangelopen gezicht, is daar toch zo weinig aan. Inmiddels is het al de vijfde Vaderdag dat ik hem mis.  Hij kon zo heerlijk opgaan in een moment. Met blinkende ogen. Als een duif na een vlucht thuiskwam, vloog hij als het ware op. Als er een doelpunt werd gescoord, knapte hij soms bijna van puur contentement. Als een wielrenner de finish over spurtte en nét niet won, kon hij zo spontaan en schattig vloeken in zijn zetel. Sport kijken, was als kind en puber, vooral naar mijn vader kijken, want hij was de échte held.


Op dagen van het EK let ik minder op het veld, dan op alle vaders op de bank.

 (verschenen als column in De Weekbode / De Leie op 10/06/16)

VALS!

Wat is het verband tussen een bontjas en een frak van gras?
Waarom maakt iets schoons je aan het wenen?
Over de teloorgang van meer dan een fabriek.
Over de teloorgang van een leven.

In ‘Vals’ botsen we op Metje Detje, een voormalig werkneemster van Tyber met een hart voor haar werk tot het kraakt. Een verhaal dat verpakt, omarmt en warempel een beetje walst.
‘Ne velln frak gelijk den Titanic,’ zoals ze zelf sappig zoet zou zeggen met de nodige dramatiek.

‘Vals’ is een monoloog van circa 13 minuten.
Geschreven en gespeeld door Tine Moniek.
Het is een ode aan wat was.
Gebaseerd op haar snuisterpraktijken op de site van Tyber

Op zaterdag 18 juni 2016 is 'Vals'  tussen 19u30 en 21u drie keer te horen op het LIBERTY-FESTIVAL.




******

LIBERTY- FESTIVAL/ Het verhaal van een teloorgegane fabriek, verteld door fotografen, dansers, plastische kunstenaars, schrijvers, muzikanten, cineasten, postkaartenverzamelaars, graffiteurs, fabrieksgidsen, een econoom, een historicus en een interviewer, dankzij meer dan 50 VRIJWILLIGE! makers en enthousiastelingen.

Organisatie: De Figuranten & C.S.A. - Centrum voor Stedelijke Acupunctuur ( = een nieuwe burgerbeweging die zich bekommert om Menen zijn identiteit en dynamiek)

maandag 6 juni 2016

TINE ZIET (18): Water

‘Juf, dit is geen stromen meer, dit is storten,’ zei een leerling deze week toen hij angstig door het klasraam naar buiten keek. De regen plensde in grote bakken op de speelplaats neer. Het gutste. De hemelsluizen stonden wagenwijd open. Het zijn apocalyptische beelden die mij angstvallig voor een zondvloed doen vrezen. In mijn verbeelding stond het water me al aan de lippen. Mijn meubels dreven en ik moest het dak op om mijn sokken niet nat te maken. ‘Rustig maar, je hoeft niet bang te zijn,’ zei ik en ik legde mijn hand even op zijn hoofd. Alsof ik hem daarmee een afdak verschafte. Wist hij veel dat ik in gedachten een lijstje maakte van wat ik absoluut droog wou houden. Toen hij later de klas verliet, was het voor even droog. Maar nog geen kwartier later, zocht ik in mijn fantasie alweer een reddingsboei, om niet in een nieuwe vlaag te verzuipen. Een pluviometer kan de rampscenario’s in mijn hoofd niet meten.

Vorig jaar mocht ik het meemaken: hoe mijn benedenverdieping door een aanhoudende bui onder water liep. Niet dat het tot aan mijn knieën kwam, maar het was indrukwekkend genoeg om heel hard te huilen, te vloeken en mijn angst voor regen te voeden. In dit geval had het vermeden kunnen worden als ik op tijd en stond het afvoerputje buiten had ontstopt, maar hoe machteloos zijn wij niet ten opzichte van iets wat zomaar naar beneden komt? Over zoiets simpels als regen hebben wij geen enkele controle. Wij kunnen de stoten van de wind niet beperken. Natuur heeft geen afstandsbediening of een app om op afstand te controleren. Helaas!

Nu ja, wat we niet hebben kunnen we ook niet verliezen. Wie zou dan ook dat toezicht krijgen op het weerbeheer? Wat als de buren water voor hun vijver willen, maar jij niet? En wat als die beheerder dan opeens gaat staken? Waar gaat het dan naartoe? Zo stroomt, stort mijn imaginaire badkuip, de wereld, weer kwistig vol. Ik zoek wanhopig naar een ark. Wie neemt mij mee?


 (verschenen als column in De Weekbode / De Leie op 03/06/16)