zondag 29 april 2018

TINE ZIET (115): Bellen


Vrijdagochtend om 6u weerklonk mijn deurbel. Geschrokken lag ik in mijn bed. Wie zou mij op dit ontiegelijk uur durven wakker bellen? Er viel niets op heterdaad te betrappen en mijn auto stond gewoon op de normale plaats geparkeerd.  In plaats van heel snel op te staan en de deur te openen, bleef ik maar malen. Er was helemaal geen reden om mij zo bruusk te wekken, dus er was ook geen reden om halsoverkop en niet volledig wakker in slaapkleed de trap af te stuntelen. Als de beller nog een keer zou drukken, dan was dat misschien wel een reden om op te staan. Een tweede keer bleef uit, dus snoezelde ik weer lichtjes in. Een groot uur later drukte ik op mijn eigen bel en hoorde niets. Wellicht weerklonk ergens in mijn straat een ander belgeluid. Zo gaat dat met kleine huizen en draadloze bellen. Zo deed ik ooit de deur open en zag de beller drie huizen verder van het mijne staan. De huizen in mijn straat zijn niet riant. Ze leunen en steunen tegen elkaar aan. Je kan je buur hier horen snurken. Je kan als het ware een kastdeur horen slaan. De bellen slaan er dus soms tilt en toch, woon ik hier graag.

Natuurlijk leunen en steunen alleen de huizen op elkaar. Bewoners doen dat eigenlijk niet. Daarvoor wonen sommigen hier te kort. We zwaaien of knikken wel even. Of zelfs dat niet. We gaan in ons huis en sluiten ons af. Maar eens binnen gaan alle remmen eigenlijk los. We horen elkaar afwassen. Op ons koertje voeren we open en bloot de diepste gesprekken. De geuren van de dampkap dwalen via een open raam een ander huis naar binnen. Mijn buren zingen soms slaapliedjes tegen mijn slaapkamermuur. En als ik op de WC zit, hoor ik de andere buren douchen. Wellicht horen zij ook gewoon soms wat ik op de pot daar zit te doen. We weten elkaars huisnummer. Of er kinderen zijn en of dieren. Maar namen kunnen we enkel raden of leren kennen door een verdwaalde brief of een pakketbezorger die je vraagt om een pakje aan hen te bezorgen. Dan zie je voor het eerst een naam. En tegen dat je de naam van buiten kent, kan er alweer een verhuiswagen voor hun deur staan. En opeens wordt het weer akelig stil. Tot iemand ergens op een belknop drukt. Het liefst oneindig vroeg. En jij je weer door dik en dun omgeven voelt.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 27/04/18)

maandag 23 april 2018

Dingen die ik nog niet deed:


Vrijdag stond ik met primula in de krant voor mijn verjaardagsproject. Wie kan me helpen mijn 331 nieuwe ervaringen te verwezenlijken? Momenteel staat de teller op 31. Dus nog 300 uitdagingen te gaan...


Wat ik bijvoorbeeld al deed? Mezelf in kleine dingen uitdagen.
Zo at ik afgelopen maanden al heel wat dingen die ik eigenlijk nooit durfde te bestellen. Dat lijkt heel onbenullig.Maar als je iets 39 jaar lang niet eet, dan is je smaakpapillenpakket al goed aangepast aan wat je wel eet. Ik liep zonder angst tussen rondvliegende vogels en apen in Artis. Eindelijk zelf de bandendruk van mijn wagen controleren en afstemmen. Op uitnodigingen ingaan die me afschrikken. Mijn eigen gootsteen ontstopt. Mezelf uitdagen even mee te helpen in Wereldtuin in plaats van te niksen in de zon.

Soms overvielen de dingen me onverwacht. Zo kwam ik op de nationale TV als Figurette. Ik sprak er dialect en werd ondertiteld. Zo kon ik een onbekende blinde naar zijn bestemming leiden door hem spontaan mijn hulp aan te bieden. Helaas daagde mijn lijf ook uit tot allerlei vreemde en bizarre ervaringen. Maar daar zal ik nog geen verdere mededelingen over doen. Sommige uitdagingen hou ik ook liever voor mezelf. Omdat ze te persoonlijk zijn. Te bloot. Te veel mij.

Ik werd uitgedaagd om elke dag een kaartje naar een onbekende te schrijven die een oproep had geplaatst in de krant. Ik ging naar de voetbal. Verder onder andere in de steigers: een bezoek aan de abdij van West-Vleteren, een cursus bij het Rode Kruis, de stoeltjeslift op de Rode Berg, iemand met dementie begeleiden tijdens een repetitie van een contactkoor, handwerk, een echte serieuze inzending doen naar een uitgeverij, 2,5 m struikbonen zaaien, kweken en plukken, klimmen, Trammelant en yoga.

Wat ik nog heel graag zou doen: eens zingen op een podium met een echt orkest erbij, poseren voor een schilder, een typisch feest meemaken van een andere cultuur, eens meedraaien op een werkvloer van een ander, mijn buren leren kennen, eens een hele dag voor mijn huis gaan zitten met een lege stoel naast mij en zien wie er naast komt zitten.

Vraag gerust! Ik bijt niet. Alhoewel: misschien zou ik dat ook eens moeten doen, want in een mens deed ik het nog niet eerder.









TINE ZIET (114): Beelden


Wie dit jaar naar Provinciaal Domein De Palingbeek in Ieper gaat, komt er oog in oog te staan met de indrukwekkende installatie ComingWorldRememberMe. 600 000 beeldjes herdenken er 600 000 levens die sneuvelden tijdens de eerste wereldoorlog. Het is een prachtig beeld in het landschap. Wat het extra bijzonder maakt, is dat heel wat mensen de handen in elkaar sloegen. Niet alleen om de beeldjes te maken. Ook om ze te plaatsen. Zo weet ik dat mijn moeder samen met haar Samanavrienden een beeldje maakte en dat leerlingen hielpen om al die beeldjes een plek te geven op het domein. Ik kan dergelijke samenwerkingen wel smaken. Een eerbetoon wordt mooier als het collectief wordt gedragen. Maar het zou natuurlijk zonde zijn, mocht je enkel naar het domein rijden om het kunstwerk te spotten. De Palingbeek is een fantastische omgeving om uit te waaien en je omver te laten blazen door Moeder Natuur.  Zo zag er ik een jongentje dartel door het bos lopen. Hij aarzelde heel even en sprong even later met groot gemak over de beek. Andere kinderen zag ik in bomen klimmen en twee jongetjes kwamen met hun oma controleren of hun zelfgemaakte boot kon varen. Een dochter navigeerde haar vader door een drassig grasveld. Een opa voetbalde vrolijk met zijn kleinkinderen mee. Die beelden uit het heden had ik toch ook niet willen missen. Ze verstillen de drukte en laden me op.

Er vallen me gewoon meer dingen op als ik me op twee benen beweeg. Daarom ben ik zo blij met het fijne wandelweer. Het enige wat me nog altijd niet goed wil lukken, is wandelen in gezelschap. Mijn stappen zijn meestal kleiner en trager dan die van mijn metgezellen. Ik sta voor andere beelden stil. Voor korte afstanden is dat niet zo erg. Ik pas me wel aan. Of de ander. Maar als het over langere wandelingen gaat, durven mijn voeten wel eens te protesteren. Op maandag 23 april wordt er een kroegentocht georganiseerd langs een honderdtal verdwenen cafés in Rekkem.  Het verleden dat werd ingehaald door heden. Hoewel het onderwerp me zeker boeit, ga ik niet mee. In gedachten poets ik mijn wandelschoenen wel op en stap vrolijk mee.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 20/04/18)

maandag 16 april 2018

TINE ZIET (113): Leeuw


Afgelopen week was ik enkele dagen in Amsterdam. Een bezoekje aan Artis hoorde erbij. De olijke tramchauffeur kondigde de halte aan met een oorverdovend gebrul. Voor ons in de wachtrij stond een schattig meisje in een leeuwenpakje. Samen met haar oma kwam ze naar de leeuwen kijken. In de dierentuin stond ik opeens oog in oog met een enthousiaste zeeleeuw die opeens voor mij tegen het glas leek te hangen en me zo vertederend bekeek, dat ik zo de glazen bak was ingedoken, ware het niet dat het wat te koud was voor een duik in de diepte. Daarenboven was ik er toch ook stilletjes van overtuigd dat ook dit niet die soulmate was, die me al mijn hele leven maar niet voor de voeten durft te lopen. Later stond ik ook voor de echte leeuwen die loom leken te soezen. Het volk stond in grote drommen te loeren naar de dieren. Af en toe liet de leeuw zijn gebrul horen over de zoo. Het leek alsof er donder in de lucht hing. Wat een machtig dier, bedacht ik met kippenvel. Niet voor niets de koning van het dierenrijk.

Gisteren zat ik bij mijn moeder. Mijn moeder had de TV en de radio op Parijs-Roubaix staan. Zelf ben ik niet zo’n grote fan van de koers. Toch niet in die mate dat ik de wedstrijd van het begin tot het einde wil volgen. Toen we aan de soep zaten, hoorden we op de radio dat een wielrenner bewegingsloos op de grond lag en aan de toon van de commentator bleek al snel dat de toestand ernstig was. Maar de koers slingerde zijn weg verder over de kasseien. De commentatoren peddelden weer tussen de flauwe woordspelingen en de mateloze hyperbolen. Wij verhuisden om de beelden bij de woorden te zien. Terwijl een helikopter de jonge renner naar het ziekenhuis vloog en men daar uit alle macht probeerde te reanimeren, schudden de lijven van de andere deelnemers in slow motion als drilpudding voor mijn ogen. En zelfs toen het beest Sagan zich over de eindstreep smeet, dacht ik met schrik: Hoe zit het met die andere leeuw? Veel later las ik het: een jonge welp aan het begin van zijn rennersleven, haalde zijn eindmeet veel te snel. En zijn gebrul klonk misschien wat minder luid, maar raakt ons even fel.


(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 13/04/18)

zondag 8 april 2018

TINE ZIET (112): Strik


Donderdag verzamelde zich heel wat volk in Cultuurcentrum De Steiger voor het Okan-project ‘Grenzen’. Vanop de tweede rij zag ik een grote groep enthousiaste jongeren een poëtische voorstelling naar voor brengen. Het waren stuk voor stuk mooie en trotse nieuwkomers. Fier op de voorstelling, op hun afkomst en op de grenzen die ze hadden overgestoken. Die fierheid zie ik graag gepersonaliseerd in de jongen met de blinkende strik, die ons niet alleen stralend welkom heette in onze taal, maar ook nog eens verantwoordelijk was voor de voortreffelijke bediening van het lichtpaneel. Dat ik zelf na jaren oefenen vloekend achter een lichtpaneel ga staan en dat ik het wellicht niet zo makkelijk zou durven om mensen welkom te heten in een andere taal dan mijn moedertaal, heeft daar natuurlijk wel wat mee te maken. Het ging hem toch vooral over de blik en de houding: pure aanstekelijke trots op wat hij had verwezenlijkt.

Zondag zag ik dan weer mijn neefjes en nichtjes. Als geïnteresseerde tante vroeg ik natuurlijk naar hun paasrapport. De resultaten mochten er zijn, maar er werd toch slinks naar hun vader en moeder gekeken. Alsof ze toch voorzichtig moesten zijn voor addertjes onder het gras. De punten waren goed, maar er was meestal wel een ‘maar’ en voor die ‘maar’ moesten ze zich klaarblijkelijk hartgrondig schamen.  Die schaamte personaliseer ik graag in de blik van mijn broer die met zijn wenkbrauwen fronste met daarbij een schouderophalen dat me ook niet vreemd is. Misschien is het wel een familietik, die blik. Maar ik herken die in zoveel mensen om mij heen. Het was goed, maar het kon ook beter. Wel, die blik, zag ik donderdag bij het groeten op het podium op geen enkel gezicht.

We kunnen er met z’n allen van leren. Ik zeg het vaak en het zeg het nog steeds: waar is onze eigen lof gebleven? Waarom zijn wij niet een beetje meer fier op wat we doen, op onze afkomst en onze overwonnen hindernissen? We zouden van die jongeren met zijn allen best nog heel veel kunnen opsteken. Wanneer bevrijden wij ons uit die schaamtehoek? Waarom gunnen wij onszelf niet meer een blinkende strik?

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 06/04/18)

maandag 2 april 2018

TINE ZIET (111): Verhalen


Wat is dat toch met onze hang naar vertellingen? Waarom wordt onze honger naar verhalen nooit gestild? Waarom houden we zo van schone vertelsels in onze oren gestrooid? Afgelopen weekend was een topdag voor mijn drang naar parabels in mijn hoofd.

Zaterdag kon ik waargebeurde verhalen beluisteren in El Greco. Daar vertelden twee tachtigers over hun vroegere job aan de douane. Ze waren geen douaniers geweest, maar wisten heerlijk te vertellen over de tijd waarin De Barakken nog een grenspost was. We hingen gretig aan hun lippen. Ze vertelden ons sappige waarheden, maar eentje maakte ons  tot groot jolijt ook bijna iets wijs.

Daarna kon ik instappen in een verhalenwandeling. Daarin vertelde men verhalen die men had verzonnen, of ergens had gelezen. Dat werd ons niet verteld. Wij lieten ons op sleeptouw nemen. We slorpten de woorden op en namen ze aan voor waar. Dat is de kunst van echte verhalenvertellers natuurlijk. Of de verhalen waar zijn of niet, doet er eigenlijk niet toe. Als ze ons maar raken of verwonderd maken.

Zondagochtend hoorde ik in de boekhandel schrijfster en journaliste Margot Vanderstraeten vertellen over haar tijd waarin ze in dienst kwam bij een Orthodox-Joodse familie. We luisterden met zijn allen gefascineerd want ze wist alles heel goed te verwoorden. Wat niet verwonderlijk is voor een schrijfster.

Mijn weekend werd afgesloten met mijn eerste voetbalwedstrijd ooit. Ik mocht mee in de lounge en mocht er mee aan de supporterstafel schuiven alwaar ik kon genieten van lekker eten, maar vooral ook van persoonlijke verhalen. Zo hoorde ik na de match van een wildvreemde vrouw dat ze de dag daarop binnen moest voor een nieuw spiraaltje. Enkele mannen keken gegeneerd wat in hun pint.

Wat we horen, is niet altijd wat we willen horen, maar we horen zo graag hoe de vork in de steel zit. Of verklaren ons heel erg open en bloot. Zo ook met dit stukje. Ik vertel maar wat maar veel ook niet.
Laat ik afsluiten met het verhaal van een klein meisje dat op een dag zoveel spikkels had dat ze Spikkeltje werd genoemd. Toen de spikkeltjes op een dag verdwenen, is ze altijd Spikkeltje gebleven.


(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 30/03/18)