dinsdag 29 november 2016

TINE ZIET (42): Storm

Het is elke keer weer schrikken als er een storm komt aanwaaien. Ook al werd die aangekondigd. Opeens blijken grote bomen niet meer zo sterk te zijn. Een dak niet meer voldoende beschermend, een ruit niet onbreekbaar en een muur zo soepel als karton. Met de krachtigste windstoot wordt alles kwetsbaar. Alles waarop we als het windstil is bouwen, wordt opeens één wankel kaartenhuis. Het raast en het kleppert. Het ratelt en het huilt tussen de luiken. Alles wat los staat, is opeens vrij te ontsnappen. Als de wind weer gaan liggen is, rest er opluchting of puinruimen.

Toen het zondag zo hard woei, zat ik gelukkig niet in een bootje maar veilig op de trein. Ik reisde van Utrecht naar Menen. In die treinrit van ruim vier uur met de nodige vertragingen door de wind, wervelden mijn gedachten op het spoor. Niet alleen vroeg de dramaqueen in mij zich af of mijn huis er bij thuiskomst nog wel zou staan ook stoven allerlei losse dakpannen in gedachten. Een draaikolk van onrust in mijn hoofd. De hele rit door. Dat komt voor.

Dan kom je thuis en neemt de schade op de terugweg op: die valt best mee. Onderweg verraden herfstbladeren dat ze wel heel hard in de hoek werden geblazen. Opvallend meer takken liggen aan je voeten.  Het enige wat je thuis ontdekt, is dat wortels van een plant niet zo stevig in de bodem zitten als je wel dacht. Voor de rest valt alles gelukkig mee.  Je zou in een ontspannend schuimbad willen zitten. Ademhalen.  Dat je geluk gehad hebt als je het vergelijkt met foto’s uit de krant of op TV. Helaas: je hebt geen bad en ook geen schuim dus je drijft dan maar op warme thee.


Al bij al is een windhoos bij ons vaak nog een storm in een glaasje onbekommerd water. Alleen die puinhoop in gedachten moet nog worden opgeveegd. Hoewel niemand die kan zien, neem je er geen vrede mee. Wat moet je er mee? Dat je niet in een land leeft waarin tornado’s woeden. Daar ben je heel erg dankbaar voor. Maar in een enkele gedachtenstroom kan het harder waaien dan je zou vermoeden. 

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 25/11/16)

maandag 21 november 2016

TINE ZIET (41): Sinterklaaskoek

Gisteren reed ik naar mijn werk voorbij een bakkerij in mijn stad. Er kwam een man naar buiten met een zakje. Hij deed het zakje open, haalde er een Sinterklaaskoek uit en snoof eraan. Op zijn gezicht verscheen een lach en hij stopte de koek weer in het zakje en liep verzaligd verder. Een heel klein tafereeltje. Een fractie van een seconde in het doodgewone leven. Maar ik heb verder de hele dag gedacht aan dit detail. Ik vroeg me af hoe goed die Sinterklaaskoek had geroken. Of die lekkerder zou zijn dan de koeken die ik normaal kocht. In mijn gedachten zag ik hoe de man ‘s avonds met een kop dampende chocolademelk aan zijn keukentafel zat. Hoe hij boter smeerde op de koek.  In een flits zag ik mezelf terug. Hoe lang is het eigenlijk geleden dat ik nog aan een doodgewone Sinterklaaskoek rook? Dat die geur me blij kon maken? Wellicht al veel te lang.

De koeken vind je tegenwoordig in alle mogelijke varianten het hele jaar door. Ze passen niet meer specifiek bij een periode in het jaar. Net zoals mandarijntjes, picnickjes, marsepein. Er hoeft geen man meer met een lange baard aan te pas te komen. Geen goedlachse Piet met gouden ringen. Als ik dat wil, legt de Sint elke dag iets in mijn schoen.

De magie van 6 december. Zenuwachtig verlangen naar een dag terwijl ik eigenlijk nooit kreeg wat ik in mijn brief geschreven had. Waar het om draaide was dat ik geloofde. Dat er iets was om naar uit te kijken. Dat er eenmaal in het jaar opeens snoep op tafel stond. Dat het een paar weken daarvoor opeens naar mandarijntjes rook. Dat de hemel oranje kleurde ’s avonds en dat mijn moeder zei dat de Sint zijn koeken aan het bakken was en ik al watertandde. Dat ik dan iets nieuws kreeg.


Het kind in mij maakt zich wat zorgen. Misschien teveel. Het is niet omdat ooit iets was, dat zoiets ook moet blijven.  Er mag best evolutie zijn. Het is de heimwee naar wat toen heel simpel leek. Als er na al dat evolueren maar iets blijft waar wij onbevangen kunnen naar verlangen. Al is het maar het eenvoudige geluk van het ruiken aan een koek. 

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 18/11/16)

vrijdag 11 november 2016

TINE ZIET (40): Wapens

Wat we nu precies op 11 november gedenken, het zal veel mensen worst wezen. Zolang er maar een vrije dag aan verbonden is. Dat merk ik toch aan mijn leerlingen. Een woord als ‘Wapenstilstand’ kennen velen niet meer. ‘Geen school!’ kent iedereen. We leven dan ook in een tijd waarin het moeilijk te geloven is dat wapens ook kunnen zwijgen.  Het einde van een oorlog vieren. Soldaten herdenken die sneuvelden terwijl ze vochten voor hun land. We kunnen het ons almaar minder voorstellen. Hier. Altijd is er wel ergens oorlog. De media prikt wel elke dag beelden op ons netvlies die zo verschrikkelijk prikken. Altijd blijkt iemand wel een wapen in de kast te hebben.

Persoonlijk ken ik wapens vooral van op TV. Als kind zag ik wel eens jachtgeweren aan de muur hangen. Maar ik zag minstens even veel gevaar in de tanden van de agressieve labrador die daaronder in zijn mandje lag. “Ik ken iemand met geweren en een stoute hond!” pochte ik tegen mijn vriendinnen als ze weer gezegd hadden dat hun oom politieagent was. Als ik op sommige dagen aan de grens van Menen en Halluin die grote kalashnikovs zie, voel ik me weer klein en denk nog altijd: “Gevaarlijke meneren!”


Meer en meer schuw ik wel een wapen dat iedereen bezit. Het is een mond. Een mening. Hoeveel schade kunnen woorden niet berokkenen? Geschreven of uitgesproken kunnen ze behoorlijk aankomen. Dat we onze mening kunnen verkondigen, is een noodzaak maar vaak heb ik bedenkingen over de manier waarop. Zouden we niet kunnen leren om onze woorden toch weer meer te wikken en te wegen?  Kunnen we ze niet verpakken in een laagje wol of een hoopje watten? Nu zijn ze vaak zo hard. Roekeloos of te geslepen.  Nee, op een dag als 11 november zouden we met z’n allen dicht bij elkaar moeten staan in een gigantische dikke sjaal. Het maakt niet uit van welk land we komen. Of we de échte oorlog hebben meegemaakt. Maar één dag zouden we met z’n allen moeten samenkomen in iets zachts. We zouden elkaar kunnen vastpakken en zwijgen terwijl we ongestoord dromen van een wereld zonder oorlog in daad en woord.

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 10/11/16)

maandag 7 november 2016

TINE ZIET (39) : Griezelig

Omdat ik me al een aantal jaren op rij schuldig voelde voor het feit dat ik geen snoep aan te bieden had aan griezelige kinderen op Halloween, besloot ik om voorbije week een kleine voorraad aan te maken en investeerde in zoete vriendelijkheid. Helaas wachtte ik maandag de hele avond vruchteloos met mijn gevulde blikken doos op het geluid van de deurbel of het gebonk op mijn raam. Blijkbaar sta ik intussen op de lijst van ‘Gierige buurtbewoners!’ want geen enkele enge heks vloog op haar bezemsteel voorbij. Geen enkele vertederende vampier stelde me voor om in mijn nek te bijten. Of hadden werkelijk alle macabere monsters van Menen zich verzameld in de Barakken? In elk geval: ik ben dan zelf maar beginnen vreten. Tegen alle verwachtingen in deed ik dat met lange tanden. Snoep smaakt niet meer zoals voorheen.

Misschien is het maar goed dat er geen beschilderde engerds op mijn stoep stonden, want ik kan er eigenlijk niet zo goed tegen. Ook al weet ik wie er onder het kostuum schuilgaat, mijn eerste reactie is toch altijd: “Brrrr!”Hetzelfde heb ik met clowns, goedheilige mannen en hun knechten. Ik schrik me steeds in eerste instantie een hoedje.

Als de griezels niet allen met de Halloweentocht mee stapten, verdenk ik hen ervan een feestje gebouwd te hebben in het ‘Nieuwe Ziekenhuis’ in de Bruggestraat, want dat zou hun laatste kans geweest moeten zijn. Wordt het naargeestig oord met daarin rondgestrooide documenten en naalden eindelijk gesloopt? Dit vervallen en verlaten gebouw mag voor velen een doorn in het oog zijn, voor de zombies en de spoken van deze maatschappij is het een schoon onderkomen.


Zelf heb ik meer schrik voor mensen dan voor gebouwen. Tenzij het het leegstaande huis van de buren betreft. Terwijl ik in mijn troostblik grabbelde, hoorde ik na 21u tegen de muren schrapen. Ik heb de doos dan maar dichtgedaan en opzijgeschoven en ik heb mijn koptelefoon opgezet. Schrik zit niet in een vermomming, in lange donkere gangen of in gigantische webben van bloeddorstige spinnen, nee, ware angst zit gewoon vanbinnen. 

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 04/11/16)

woensdag 2 november 2016

Gij waart ons zo genegen

Word wakker, lieve doden.
Word wakker, allemaal.
We weten wel:
ge ligt al zo lang te slapen onder uw stenen bed.
Velen van U hebben al hun eigen dood verslapen.
Maar wilt u toch alstublieft ontwaken?

Helden groot en klein,
Vandaag hebben wij ervoor gekozen om
heel even bij u te zijn om U te groeten.
Bonjour! Helaba! Oe ist? Ca va?

Sommigen van ons hadden bloemen mee,
meestal is het hier veel kaler.

Wij herkennen in u namen van een straat, een plein.
Zo belangrijk waart gij levend dat ge eens ge niet meer zijt, een weg vormt.
Ge brengt ons tot in eeuwigheid van hier naar daar naar hier.
Op uw naam leren kinderen fietsen, tieners rijden,
spreken af bij U om voor het eerst op u op stap te gaan.
Maar hier komt gij tot rust. Hier moogt ge slapen.
Hier moogt ge zonder schroom uw botten laten kraken.
Maar niet iedereen was burgemeester in dit soms te kort bestaan.
Kapitein of brigadier of luitenant, niet iedereen vocht voor een land,
doch sneuvelen deed gij stukske voor stukske allemaal.

Zovelen liggen hier zonder neergepend verhaal.
Octavie, Arlette, Henri,
Amedee, Lotje, André
Emiel, Zozima en Espérance.
Uw namen klinken even zeer als groot verlies.
Ook op u werd gebouwd, ook gij verdiende een beeld,
een vlagske voor zelfopoffering.
Een monument van klein geluk.
Een prijsje voor de mooiste lach.
Een oorkonde voor wat u zo wonderwel kon maken.
Ook op uw bestaan kan men nog bewegen, blijven staan.

Enkelen van U vallen niet eens meer te lezen.
Naamloos lijkt gij weggeveegd.
Zijt gij werkelijk vergeten?
Maar gij waart ons zo genegen.

We mogen en kunnen niet vergeten dat den 27sten maart 1918
Plotsklaps 16 kinderen in Nieuwenhove stopten met spelen.
Jammerlijk door den oorlog omgekomen in een veld.
Omdat kinderen geen kwaad zien in een obus opgegraven
als een schat om zich na schooltijd niet te hoeven vervelen.

We mogen en kunnen niet vergeten dat er vaders hun leven gaven
terwijl ze als verzet tegen schenen schopten van wie de macht.
Dat ze daarom werden opgepakt en uit een gezin werden weggerukt.
Dat hier in ons eigen land een tijd was waarin werd gefusilleerd
of door een vijand tot zelfopknoping werd genoopt.

We mogen en willen niet vergeten dat er wel heel veel lege plaatsen aan een tafel zijn,
dat kinderen soms gewoon voor eeuwig met hun knuffelbeer moeten slapen
dat wie godsvruchtig gelooft, ook gewoon een regel op een grafzerk wordt
dat wie vurig wordt bemind  opeens in een hart kan doven
dat wie alleen sterft, toch sneller wordt gewist.

Hoe groener het hier wordt,
hoe grijzer ons geheugen.
Weet: ook al vervaagt uw foto:
gezichten komen altijd weer.

Sinds uw ogen zijn geloken,
is ons hart gebroken.
Uw plaats is ledig rond de haard,
maar uw beeld blijft in ons hart bewaard.

In deze zee vol licht,
Zien wij het als onze plicht om
langs uw stenen bed te gaan
en nu nog eens in te stoppen
voordat het vergeten U heeft opgeslokt.

Ergens staat het hier te lezen:
Ge beseft pas in de avond hoe schoon de dagen zijn geweest.

Slaapt nu maar schoon.
Ge zijt waarschijnlijk moe.
Maar wij missen u en aaien nu uw ogen toe.

(tekst geschreven en voorgelezen in opdracht van CC De Schakel, Waregem
 voor Reveil 2016 voor het kerkhof Den Olm)


maandag 31 oktober 2016

TINE ZIET (38): Herinnering

Wie deze dagen langs een kerkhof passeert, hoort ongetwijfeld een schurend geluid. Zerken worden opgepoetst en met kleurige bloemen aangekleed. Onkruid wordt verwijderd. Sommige familieleden doen dit samen en dat schept een band.  Maar er wordt ook massaal gezucht en gevloekt: “Moeten wij weer naar dat kerkhof toe?” En “Als ik het niet doe? Wie van de familie zal het dan wél doen?” Heeft Allerheiligen in deze tijden nog wel zin?

Hoewel ik me er bewust van ben dat iedereen recht heeft op zijn eigen manier van herinneren, vind ik het ritueel van grafzerken opzoeken enorm rustgevend. Ik wandel graag op een kerkhof. Zelfs op reis. Ook als er geen bloemenzee is. Ook al ligt er niemand begraven die ik ken. Ik hoef geen vaste dag in het jaar te hebben om aan mijn doden te denken, hun afwezigheid valt me meer op als ik niet op een kerkhof ben, maar dat er één dag in het jaar is, waarop iedereen plots iemand gedenkt, maakt gemis lichter om te dragen.

Wat ik al jaren op het kerkhof van mijn dorp van afkomst doe? Ik ga alleen. Dat geeft me de tijd te doen wat ik graag doe. Ik ga eerst naar het graf van mijn grootouders toe. De eerste doden in mijn herinnering. Ik zie hen nog steeds in mijn gedachten, maar ze worden almaar doorschijnender, als ik eerlijk ben. In mijn gedachten zeg ik hen dag en haal fijne herinneringen op. En vanaf dat punt wandel ik de zerken af. Bij elke bekende doe ik hetzelfde. Even denken aan. Tot ik het hele kerkhof ben doorgelopen. Zo’n wandeling duurt lang en is intens, want elk jaar komen er bekenden bij. Hoe een dorp almaar leger lijkt te worden, als je er niet meer woont. Deze manier van naar de doden zwaaien, is natuurlijk lastiger als je meer dan twee kerkhoven bezoekt.

In de toekomst zullen begraafplaatsen misschien verdwijnen. Wie weet worden we ooit als doden bomen en maken we eenmaal begraven een bos vol herinnering. Ik hoop in elk geval dat er een plek zal blijven waar gemis gebundeld wordt, waar je verdriet niet alleen hoeft dragen en waar fijne herinneringen als bloemen aan je voeten opdoemen. Een rustig oord vol lief begroeten.



(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 28/10/16)

maandag 24 oktober 2016

TINE ZIET (37): Ramp

Deze week zag ik een verontrustende foto verschijnen. Op die foto lagen mensen op de grond en daarnaast stonden hulpverleners te praten.  De schrik sloeg me om het hart. Vooral het feit dat de hulpverleners er ‘zomaar’ bijstonden, baarde me zorgen. Groot was dan ook mijn opluchting toen bleek dat het om een preventieve rampoefening ging. Dit was gelukkig niet echt. Hulpverleners steken de handen uit de mouwen, vechten voor een leven. Er wordt uit dergelijke oefeningen geleerd. Maandag had ik bijvoorbeeld een brandoefening met de leerlingen. Meestal loopt zo’n oefening op een chaotische brulpartij uit.  Verrassend hoe rustig deze klas het gebouw verliet en een kwartier later alweer uitgelaten aan het repeteren was. Dergelijke oefeningen lijken banaal, maar zijn uiterst nuttig.  Als er ooit een ramp over ons komt, kunnen we alleen maar hopen dat er ook op dat specifieke geval werd gestudeerd.

Veel rampen echter zijn niet te voorzien. De inwoners van Mosoel bijvoorbeeld. Hoe kunnen zij zich wapenen tegen wat er nu op dit moment aan het gebeuren is in hun straten? Ook de natuur veroorzaakt grote catastrofes die onmogelijk in te perken zijn: orkanen, tsunami’s, aardbevingen. Als het ons zou overkomen, komt alle hulp wellicht te laat. Het lijkt allemaal een zo-ver-van-ons-bed-show.  Maar deze week ging er in de media veel aandacht naar een ramp die almaar steeds meer mensen dicht bij ons lijkt te treffen. Een donderslag, waarop niet te oefenen valt: kanker. Het is een groot persoonlijk drama: een gevecht tussen de medische wereld en een lijf.  En het enige wat buitenstaanders aan deze tragedie kunnen doen is er simpelweg voor wie vecht te zijn.  Akkoord: we kunnen haar doneren, lintjes kopen, geld overmaken, maar bovenal het gesprek durven aangaan, het ondersteunen van wie deze tragedie moet dragen is van belang.  Kennen we niet allemaal dappere strijders?

Noodlot is niet iets wat enkel op TV of in de krant komt. Het woont vaak ook in je straat. Heb er oog voor. In elk van ons schuilt- hoe klein een banaal ook - een hulpverlener in woord en daad.

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 21/10/16)