zondag 14 oktober 2018

TINE ZIET (137): Kiezen

Mijn brievenbus zal na dit weekend weer moeten wennen aan de leegte. Afgelopen weken kreeg ze heel veel foto’s van lachende politici ingeslikt. Ik neem het de lachende politici niet kwalijk: elke stem telt. Het vergt deze tijden heel veel moed om naar buiten te komen en kleur te bekennen. Meer nog: om te verklaren dat je je wil engageren om via een partij een gehele bevolking te vertegenwoordigen in een stad of in een provincie. Als ik kon, stemde ik op iedereen die ik ken. Dit niet alleen om hen na zondag gewoon zonder schuldgevoel recht in de ogen te kunnen kijken.  Ik neem echt mijn spreekwoordelijke hoed voor hen af. Het is uitermate dapper om op te komen in een tijd waarin zoveel met zuur en bitter wordt gestrooid. Maar ook ik zal kleur moeten bekennen. Hetzij veilig achter een gordijn. Ik woon hier inmiddels al zo’n tijd dat ik mensen ‘ken’ uit praktisch alle partijen. En met ‘kennen’ bedoel ik dat ik weet wat ze waard zijn. Vooral als mens dan.

Het viel me op dat ik toch veel verkiezingsdrukwerk op naam kreeg. Dat er ook bij mij werd aangebeld (ook al hoor ik de bel niet als ik op zolder zit). Dat mijn hand extra werd geschud en dat ik vriendschapsverzoeken kreeg van onbekenden die gewoon naar een stem visten in plaats van vriendschap.  Ik blijf erbij: ik neem het niemand kwalijk, want elke stem telt. Ik hoop alleen dat ik na het kleuren van mijn bolletjes niemand tegenkom die ik ‘ken’. Ik herinner me mijn allereerste gemeenteraadsverkiezing. Toen ik me naar de uitgang begaf, stonden allerlei van die bekenden klaar om handjes te schudden. Ik heb toen dapper naar hun schoenen gekeken. Na zondag is het omgekeerd. Dan zullen sommige glimlachjes wat benepen worden. Men zal mij misschien niet in de ogen durven kijken na een karig aantal stemmen. Dat is dan ook het leven.

Hopelijk is woensdag 17 oktober, Werelddag van verzet tegen armoede, wél iedereen met een hart voor onze stad op post om armoede in de ogen te kijken. Want of je nu verkozen bent of niet: kansarmoede, daar kiest niemand voor en zou er gewoon niet mogen wezen. 



(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 12/10/18)

dinsdag 9 oktober 2018

TINE ZIET (136): Vrijwilligers

Wie zondag per toeval in de Barakken was, was wellicht blij verrast. Daar bouwde Barak Futur met ‘Love on the bridge’ een schitterend eindfeestje op het Sint-Jozefsplein. Maar voor dat feestje begon, waren er speeches bij de Leiebrug, er was een trouwceremonie en een feestelijke optocht naar de Sint-Jozefskerk. Daar was er ook een tentoonstelling, een theatervoorstelling, accordeonmuziek. Kortom: sfeer à volonté. De zon zag oorspronkelijk dat het goed was, maar na 15u kwam er toch een koude wind opzetten die de frisse drankjes nog frisser maakte. Wat begon met nazomer, eindigde in herfst.

Wat me altijd opvalt aan dergelijke feestjes is dat er eigenlijk alles welbeschouwd weinig nodig is. Er is een bellenman nodig die het volk op tijd herinnert aan het afronden van een consumptie. Er zijn toiletten nodig. Tafels en stoelen. Een toog met simpele drankjes en overdekt zeil. Een springkasteel. Wat achtergrondmuziek. Zotte ideeën die opborrelen. Energie van wie het feestje trekt.  Maar bovenal zijn er natuurlijk vrijwilligers nodig die willen helpen die dag. Trekkers die trekken.

De dag daarvoor zat ik op een ander feest: een huwelijksfeest van vrienden. Daar waren overduidelijk meer voorbereidingen aan geweest. Tijdens het avondfeest stond de bruid met roze schort in de feestzaal. Want zij vond het fijn om voor haar gasten te koken. Gelukkig stond zij er niet alleen voor. Zij had voor dit gegeven gekozen. Het eten smaakte voortreffelijk. Het was best bijzonder om mee te maken.  Maar ook hier werd beroep gedaan op vrijwilligers. Er moest een bar draaiende gehouden worden. Er moest worden opgeruimd. Zelf ben ik daar slecht in. Dat geef ik eerlijk toe. Op feestjes zal je me niet vaak zien helpen. Ik blijf meestal plakken tot ik wel moet verdwijnen voordat ik word opgeveegd.

Nu in de Barakken verdween ik opvallend eerder. Ik was er niet meer bij toen Barak Futur tot Barak Futur Passé werd aangekleed. Ik lag wellicht al in mijn bed te ronken toen die laatste vrijwilligers naar huis vertrokken. Bedankt daarvoor. Zonder jullie was er minder feest geweest.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 05/10/18)


zondag 7 oktober 2018

Hoe ik een woonzorgcentrum mocht ervaren:

Tijdens afgelopen zomer ging ik op verschillende plaatsen Buurtturen. Katrien daagde me uit om dat eens in WZC Andante te gaan doen. Zelf heeft ze mooie herinneringen aan fijne gesprekken in de cafetaria. Ze bedacht dat het mensen wel eens deugd zou doen als ik eens met ze ging praten. Natuurlijk ging ik die uitdaging aan.

Ik kreeg al snel telefoon van enthousiaste Nicole. Zij is er samen met collega Kate referente verpleegkundige dementie. We plakten onmiddellijk de Werelddag Dementie aan het gegeven en prikten drie data vast waarop ik zou langskomen. Op die manier kon ik alle afdelingen bezoeken.

Voor mijn eerste bezoekje had ik een kort verkennend gesprek met Nicole. Ze wou me toch enkele dingen duidelijk maken over dementie. Ze gaf me enkele tips en daarna werd ik aan tafel gezet in de eerste leefgroep. In WZC Andante hebben alle woongroepen de naam van een componist. Zo klinkt er toch symbolisch al wat muziek in het gebouw. Het is een prachtig gebouw. Elke leefgroep heeft een eigen terras. Er is ontzettend veel licht en de woonkamers zijn mooi ingericht.

De eerste namiddag had de ergotherapeute een schriftje meegebracht. Daarin stonden allemaal zegswijzen en gezegden. Ze las het eerste deel luidop voor en de bewoners die aan de tafel zaten, konden die meestal probleemloos aanvullen. Er zaten ook enkele typische West-Vlaamse uitdrukkingen bij. Iets wat voor mij persoonlijk heel bijzonder was, dat er een mevrouw aan tafel zat die mijn ouders en grootouders heel erg goed gekend heeft. Toen ik de naam liet vallen van waar ik vandaan kwam en hoe dat huis op de plek stond van een bekend café, bleek dat ze eigenlijk als kind naast mijn grootouders had gewoond.  Dat was wel heel erg speciaal. Want ik ben helemaal niet afkomstig van Menen. Terwijl ze eerder had gezwegen en niet zo veel had deelgenomen aan de conversatie was ze opeens heel erg babbelachtig. Toen ik later in de gang nog op haar botste noemde ze me bij de naam van mijn moeder.

Ook bezocht ik met Nicole enkele bewoners op hun kamer. Het waren bewoners die niet veel naar de woonkamer kwamen. Ze waren heel erg blij met een bezoekje en vertelden heel geanimeerd. Het was ook fijn de kamers eens te zien. Foto's en schilderijen in een kamer vertellen heel veel over een bewoner en het leven dat ze achterlieten.

De tweede namiddag bezocht ik twee leefgroepen. Met de eerste leefgroep werd er gesproken over oude beroepen en gebruiken uit de tijd van toen. De tweede leefgroep was net klaar met een spelletje bingo. Ze hadden net hun prijzen ontvangen en babbelden nog wat na met koffie.

Bij een derde bezoekje bezocht ik heel kort nog een leefgroep. Die zat nog aan het ontbijt. Ik vergezelde daarna de wandelclub en ging tenslotte nog even naar de laatste leefgroep.

Naar aanleiding van deze bezoekjes schreef ik vijftig korte tekstjes. Soms waren het losse zinnen. Soms waren het geïnterpreteerde citaten. Die ging ik op Werelddag Dementie op de ramen van het woonzorgcentrum schrijven. Terwijl ik aan het schrijven was, kwamen enkele bewoners gluren. Sommigen herkenden zichzelf in de schrijfsels. Soms herkende het bezoek gevoelens. Ook het personeel las nieuwsgierig mee, terwijl het alles in gereedheid bracht voor de activiteiten in de namiddag.

Het was een fijne ervaring waar ik oorspronkelijk een beetje bang voor was. Wat natuurlijk onzin was. Belangrijker dan dat label 'dementie' is het labeltje 'mens'. Zoals ik het personeel ervaren heb en de sfeer tussen de bewoners, lijkt het me zelfs bijna een leuk vooruitzicht om daar zelf te belanden ooit. Al duurt dat hopelijk nog een tijdje. Misschien stel ik mezelf wel kandidaat om in schoolvakanties mee te gaan wandelen in de wandelclub. Dat lijkt me een fijn vooruitzicht.

Hieronder de zinnetjes die te lezen zijn in de gang van Andante.

Graag wil ik Katrien bedanken voor de uitdaging. Nicole, Kate en het hele personeelsteam voor de fijne enthousiaste ontvangst en de bewoners voor hun fijne wijsheid, blinkende ogen en schone verhalen!



*
“Ik ben er nog,
maar mijn gedachten spelen
af en toe verstoppertje.”

*
Hoe hier vaak op een hoofd wordt getikt,
als men iets niet goed meer weet.

*
Wandelen met de wandelclub
is soms terugwandelen in de tijd.

*
Dit is een groot huis
waarin vergeten wordt
geaaid met warme handen.

*
“Liever woonde ik hier niet,
maar dit voelt wel al als thuis.”

*
Hoe liefde hier soms stiekem wordt gevonden
in handen onder tafel en gegiechel.

*
 “In ons hoofd ruist of sneeuwt het soms.
Eerst een beetje en langzaamaan wat meer.
Dat maakt ons verward.
Maar ons hart wordt net als
ieder ander graag verwarmd.”

*
Hoe in een hoekje van de living
altijd wel een stille getuige zit
die zonder woorden deelneemt
aan het  gesprek.

*
“Ooit zwom ik veel en snel.
Nu schiet er zo weinig van mij over
dat als ik nog zou zwemmen
zwom ik uit mijn vel.”

*
“Ooit had ik een hit die noemde
“Geef mij een pint.”
Nu zing ik zonder orkest de
mensen in mijn omgeving welgezind.”

*
Hier kennen wij nog onze zegswijzen en gezegden.
We vullen ze in spreekkoor aan.
Maar vraag je ons hoe oud we zijn
twijfelen we zwijgend.

*
“Ooit had ik een café.
Iedereen kwam graag bij me over de vloer.
Maar sinds ik hier woon, blijft men van mij weg.”

*
“Ooit verkocht ik kleren in een shoppingcentrum.
Ik hielp veel dames aan een kleed.
Nu helpt men mij.”

*
“Ooit had ik een man die soms bleef plakken op café.
Ik was toen ongerust en kwaad.
Nu zit ik soms aan de Leffe, maar mijn man
keert nooit meer weer.”

*
Hoe ogen opeens gaan blinken
omdat iemand over een vroeger praat
Dat bij je past. Ineens.

*
Hoe een dochter een moeder wordt
of soms ook een vrouw.

*
 “Ooit droegen wij met fierheid een pelerine.
Nu kent men dat niet meer.
Maar het is niet omdat men het niet kent,
dat wij geen warme schouders missen.”
*
‘Horen, zien en zwijgen.’
Dat deden wij ons hele leven al teveel.

*
“Ooit paste ik in een schoendoos.
Nu lijk ik al veel groter, maar elke dag
krimp ik meer ineen tot boon.
Op een dag ben ik niet meer te zien
en gaat het leven door.”

*
“Ooit vond ik mijn man met een droge haring.
Wie had dat ooit gedacht?
We trouwden op de kermis en hadden veel bekijks.
Toen kregen we een zoon die we veel te vroeg verloren.
Nu ik alleen en eenzaam ben, voel ik nog steeds verdriet.
Want die zoon bleef jong, ik niet.”

*
Hoe paarden hier soms nog hinniken
met de namen Blesse en Baai.
Hier zet men in gedachten nog kruiskens
voor het slapengaan.

*
“Ooit zagen wij ’t keunevintje
met keunevellen over zin hidong.
Sille Pappe was zin naam.
Zin beroep bleef niet bestaan.”

*
“Ooit was er een koster die veel meiskens zingen deed.
Vanboven en vanonder.
Zelf zong ik nooit. Nog niet.
Hij had eens moeten durven!”

*
“Ooit zat Madame Feys op een
pônnen stoel in de messe.
Ze leefde rijk van al die
Mensen die uldern dust gingen lessn.”

*
“Ooit danste ik met mijn vrouw
de jive op een concours.
Dat was toevallig.
We wonnen niet, maar verliezen
bestond niet als wij samen dansten.”

*
 “Ooit werd ik tegen de gilet geplakt
bij een uitdagende tango.
Ik plakte zo goed dat we
dan maar trouwden.
De lijm bleef lang bewaard.
Tot de dood ons scheidde.”

*
“Ooit gingen wij naar school op klompen.
Dat was toen heel normaal.
Later pas kwamen er schoenen.”

*
“Ooit was er geen televisie.
Pietje Praline was de eerste die er een had.
We gingen met z’n allen kijken.
Dat was een waar gebeuren!
Sinds die dagen kijken we vaker naar
een bewegende bak
dan naar elkaar.”

*
“Ooit had je zeteltjes in de cinema
waarop je wel aan elkaar moest zitten
voordat de film nog maar begonnen was.”

*
 “Ooit werd Kortrijk gebombardeerd.
Dat konden wij hier dan zien.
Grote vuurbollen schoten voor onze ogen.
Via gaten in de kelders waren alle buren
met elkaar verbonden.
Die verbondenheid werd dichtgemetst.”

*
Hoe ‘de stille waterroos’
nog bloeit als zij
hem zacht en trots
uit haar lippen tovert.

*
Hoe men kloppen op de tafel
negeert om met een glimlach
door de dag te komen.

*
Hoe de vrouw in de hoek begint te vloeken
en blikken rond een tafel elkaar versterken
tot een complot zo stevig als een kathedraal.”

*
Hoe Jefke de hond de bewoners
laat kwispelen als ze zelf een staart
zouden hebben gehad.

*
 “Ooit moest ik uit mijn woning
vluchten zonder kleren.
Ik kwam hierheen en ben er nog.
Hiervoor keek ik enkel nog naar televisie.
Hier draag ik kleren van een ander,
maar ben hier ooit alleen.”

*
Hoe men hier soms duikles krijgt,
bij het nemen van een bad.

*
Hoesten is hier soms gewoon
wat aandacht vragen.

*
“Hoe de wereld zo snel verandert
en wij moeten maar mee.”

*
Scholen met nonnen waren zoveel strenger.
Kwam dat door de Heer?

*
 “Ooit speelde ik op een hofstee.
Nu speel ik bingo achter ramen.
Hoe graag ik ook buiten kwam,
ik blijf liever op mijn kamer.”

*
Een soutien wordt hier overbodig.
Wat ooit zwol van trots
wordt nu losjes zonder gêne
in de gaine verstopt.

*
Hoe men blij kan zijn met soep.
Dat zie je niet zo vaak meer.

*
Hoe die ogen stralen
omdat een arm wordt aangeraakt.

*
Hoe looprekjes als stoel worden gebruikt.
En een babbeltje als adem.

*
Hoe fierheid in een kapsel past.

*
 Hoe mannen soms weer jongens worden
en meisjes soms weer dames.
In een vingerknip
en weer terug.

*
Hoe een winterjas op de gang
verdwaalt op zomerdagen.

*
Hoe wielrennen een kamer vult
omdat het beweegt.

*
Hoe aan een tafel wordt gezwegen
omdat de woorden bijna op zijn.

*
Hoe lastig het soms is
de zon te zien
als je zoveel mist.

*
Dat het personeel op handen draagt
is vaak ook wederzijds.
Hier draagt men elkaar met zorg
tot een laatste adem.

 Tine Moniek
21 september 2018






maandag 1 oktober 2018

TINE ZIET (135): Orgaandonor

Zondagochtend was ik één van de 146 inwoners van onze stad die zich ging aanmelden als orgaandonor. Niet met de bedoeling om er dit stukje over te schrijven. Ook niet ter wille van één of ander televisieprogramma. Ik weet niet of ze wat waard zijn, die organen van mij. Maar als ik er iemand mee kan redden, waarom niet? Ook al kon het al veel eerder, gewoon op het stadhuis: het kwam er aldoor maar niet van om me te laten registreren. Nu ik eens thuis en wakker was op zondagochtend, nam ik van de gelegenheid gebruik om me richting rij te begeven. De wachtrij was nog kort. Achter me zag ik meer en meer volk arriveren. De jongedame achter de balie en de stadssecretaris hadden het er maar druk mee. Een koppel dat achter me stond aan te schuiven was almaar in de weer met een of andere app op hun smartphones. Voor hen ging de rij niet snel genoeg. Ze zuchtten af en toe als ze niet op hun schermpjes keken. Maar je zal maar een jongen zijn die op een ruilhart moet wachten of een meisje dat gered kan worden met een nier. Zou de tijd niet veel langzamer verstrijken?

Er is een tijd geweest, dat geef ik toe, waarin ik dacht: men moet mij helemaal compleet laten, als ik dan terugkom in een ander leven, heb ik tenminste nog alles op een rijtje. Die tijd is voor mij voorlopig voorbij. Niet dat ik stiekem niet meer op een ander leven hoop na mijn dood. Karma evolueert dan toch gewoon mee?

Eigenlijk is iedereen in België bij wet al kandidaat-donor. Als je niet geregistreerd bent of niet uitdrukkelijk hebt laten noteren dat je weigert organen te donoren, moeten je nabestaanden beslissen, mocht de vraag zich voordoen. Ik kan me voorstellen dat zij dan wel andere zaken aan hun hoofd zullen hebben. En zullen ze wel weten wat ik het liefste wou? Dat ik een groot hart heb, is geweten. Ook dat ik het wil delen. Maar dat ik het wil wegschenken als het in mijn lijf niet meer tikt?

 Wie weet word ik ooit weer zo aan mijn ingewanden gehecht dat ik ze mee wil nemen als ik uit ga varen. Dan moet ik zorgen dat ik dan op tijd naar de juiste dienst ben geweest voor men mijn lijf gaat leeghalen. 

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 28/09/18)

maandag 24 september 2018

TINE ZIET (134): Vergeten


Weinig beangstigt me zoveel als ‘het grote vergeten’. Ook al duurt het bij mij wellicht nog even. Althans dat mag ik hopen. Tegenwoordig komt het ook al bij veel meer jongere mensen voor. Ik heb het niet over het vergeten van een afspraak of het niet meer weten waar mijn fietssleutel is. Ik heb het over dementie, wat vanzelfsprekend veel meer is dan ‘vergeten’.

Afgelopen weken was ik een paar keer te gast in WZC Andante. Dit omdat ik uitgedaagd werd om dit te doen. Maar ook in kader van ‘Werelddag Dementie’. Dan ga ik op de ramen het woonzorgcentrum schrijven over mijn ervaringen. Die dag ‘viert’ men in Andante op vrijdag 21 september. Ja, je leest het goed: de dag wordt gevierd. 

Toen ik in het vijfde middelbaar zat, ging ik met enkele vriendinnen op bezinning bij dementerenden. Oorspronkelijk was ik toen kwaad omdat wij als enigen niet naar de ‘gewone’ oudjes mochten. Wist ik veel. Er hangt een enge nasmaak aan het woord ‘dement’. Uiteindelijk bleek alles toen wel mee te vallen. Al was het natuurlijk wel heftig. Vooral het beeld van de man scheldend vastgeketend in zijn rolstoel zal me altijd bijblijven. Maar evengoed de lachende ogen van man die trots aan onze armen door de gang wandelde.

Nu zoveel jaren later denk ik dat het doorgestoken kaart was. Dat wij niet toevallig op die plek werden geplaatst. Onze godsdienstleerkracht had ons wellicht hoogstpersoonlijk uitgekozen. Niet iedereen kan met deze mensen overweg. Eigenlijk hadden we een soort van hoofdprijs. Al waren we te jong om dat toen te beseffen. Het is een voorrecht om met demente ouderen te mogen werken. Er wordt gegiecheld, er wordt gezongen en het kruipt onder je vel. En ja, dat is intens.

Ik denk dat we vooral niet mogen vergeten dat demente mensen veel meer zijn dan ‘vergeten’.  Ze zijn een vader, een moeder, een man, een vrouw, een jongen of een meisje.  In hun hoofd ruist of sneeuwt het soms. Eerst een beetje en langzaamaan wat meer.  Dat maakt hen verward. Dan is het belangrijk dat ze zich thuis weten op een plek waarin dat vergeten wordt geaaid door mensen met warme handen en dat er ook nog wordt gefeest.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 21/09/18)

maandag 17 september 2018

TINE ZIET (133): Teletijdmachine


Mensen die me regelmatig lezen, weten dat ik soms wat kwistig ben met nostalgische saus. Wellicht is me dat ingegeven met de paplepel. Altijd is er in mijn hoofd wel een luikje dat naar vroeger opendraait. Niet dat ik wat er in het verleden was, op een voetstuk wil plaatsen, maar ik dweep misschien een beetje te veel met Mister Nostalgie. Ik begrijp het niet altijd: niet alles wat vroeger was, was beter of gezelliger. Mijn kindertijd beleefde ik echt niet voortdurend op een roze wolk. Waarom flits ik mezelf dan toch zo vaak terug naar dat sepiamoment?

Heb ik heimwee naar het onbevangene? Naar de eenvoud? Naar een leven zonder virtuele lijnen en beslissingen die ik niet zelf moest nemen? Mis ik de tijdsgeest of is het dan toch dat kind-zijn? Ik kan het niet zo goed bepalen. Ik geloof wel dat ik nu liever volwassen ben. Het lijkt me toch niet prettiger, een kind te zijn in deze maatschappij. Over de toekomst maak ik me nog te veel zorgen. Daar zou ik dus ook nog niet willen zijn, moest dat ooit met dat flitsen levensecht gaan lukken. Beter neem ik het moment zoals het komt en als het jeukt, kijk ik wel even schaamteloos achter mijn rug.  

Gisteren reisden wij met mijn familie terug in de tijd. Samen met de neefjes en nichtjes bezochten wij plekken die wij als kind met onze ouders bezochten. Dat waren eenvoudige plekken: Tiegemberg en de Brielmeersen in Deinze. Dat bezochten wij als kind gewoon met de fiets. Dan aten we een picknick, hielden ons daar wat bezig en reden weer naar huis terug. Mijn moeder maakte daarna meestal nog frietjes. Nu waren we allen met de auto. We wandelden, dronken een aperitiefje en haalden onze picknick uit de Picknickkast. Dat hadden we gewoon op voorhand besteld. In de Brielmeersen speelden we minigolf, dat hadden we als familie nog nooit gedaan.  We praatten en dronken wat in de zon en gingen daarna naar een bistro in de buurt.  Het was dus allemaal wat nostalgisch maar alles kende een hedendaagse update. Het was een fijne dag schommelend tussen heden en verleden.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 14/09/18)





maandag 10 september 2018

TINE ZIET (132): Jobruil


Vorige week kon ik eens proeven van een andere job. Ik reed drie dagen (en twee nachten) mee met een truckchauffeur. Dit omdat ik werd uitgedaagd dat eens te doen. Tot ik veertig ben, ben ik inzetbaar voor allerlei uitnodigingen. Ook daarna zal ik wellicht reiken naar alle kansen die me aangeboden worden. Door enkele dagen in die cabine te zitten, ben ik natuurlijk geen specialist geworden. Maar ik kan met alle zekerheid zeggen dat ik meer begrip gekregen heb voor de job. Ik versta bijvoorbeeld opeens waarom vrachtwagens op de weg moeten staan om te lossen. Waarom truckchauffeurs geen rokjes aan doen. Of waarom ze op de afrit van een benzinestation gaan staan om de slapen. Door even heel kort mee te lopen met een andere job, krijg je een ander inzicht. In mijn geval ga ik in de toekomst ongetwijfeld minder foeteren en geduldiger zijn als ik een truck een manoeuvre zie doen. Eens een andere werkvloer dan de vertrouwde bewandelen, maakt je eigenlijk wel een ander mens.

Natuurlijk heeft niet iedereen de tijd om dit te doen. Als leerkracht heb ik veel vakantie. Afgelopen zomervakantie mocht ik het weer dikwijls horen. Alsof vakantie de brandstof van mijn job is. Nee, mijn energie haal ik uit de blije gezichten straks. Het trotse glimmen van de ouders. Het huppelen van pret. De blik in de ogen als een jongere iets luidop leest en zegt: “Wat is dat mooi!” Of het muurbloempje dat opeens gaat bloeien als een zonnebloem.  Ik zou niet graag definitief van job willen ruilen.

Nee, in een ideale wereld zou er een onderlinge overeenkomst tussen werkgevers moeten bestaan die zegt: “Sta gerust eens drie dagen naast een slager en breng die slager dan maar ook eens drie dagen mee naar hier.” Dat kan natuurlijk niet. De ervaring die je op een andere werkvloer opdoet, maakt je wel rijker als werknemer. Je ervaring met iemand delen ook. Ik verkondig hierbij niets nieuws. Het zou een ideaal TV-format zijn. Wellicht bestaat het al. Ook zonder BV’s. Maar het liefst nog zonder veel camera’s: mens en mens ondereen. Want eerlijk is eerlijk: eens proeven van een andere job, zet je soms ook gewoon in je onderbroek.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 07/09/18)