maandag 20 november 2017

TINE ZIET (92): Wervelwind

De wind liet afgelopen dagen goed van zich horen. Dat is te merken in mijn straat. Alle bladeren liggen opeens weer allemaal voor mijn gevel bij mekaar gewaaid. Het blijft niet bij bladeren. Zo viste ik daarnet nog een flesje, een nat broodje, zakjes en een lege hamverpakking op om in mijn vuilniszak te proppen. Soms is de wind eens gul: gisteren vond ik nog een negligé op mijn koertje. Helaas pas ik er niet in. Zal ik toch maar bij de buren aanbellen en vragen of zij in het kleinood passen?

Maar er was ook een spreekwoordelijke wind te horen afgelopen weekend. Eén die misschien nog feller woei. Ik kon er in elk geval niet zo goed van slapen. Zelfs autorijden, een broodje eten, theedrinken, ging moeizamer. Hoe een held opeens tot een klein miezerig vies mannetje werd verplet. Ook al deed hij het eigenlijk zelf. De discussies liepen hoog op. Iedereen had opeens een mening en al die visies stoven ook tot voor mijn deur. Wat moet je daar dan mee? Je kan kiezen om ze op te rapen, maar evengoed wacht je tot ze voor een andere deur waaien. Dat is toch wat de meeste mensen met echte rommel doen? Maar als het om dergelijke berichten gaat, openen de meesten de deur en rapen alles wat ze vinden op om daarna weer hun eigen kijk op straat te gooien. Dat is zeker het geval als het om bekende mensen gaat. Of over zoiets delicaat als grensoverschrijdend gedrag. Dan wordt de wind opeens een wervelwind en dan denken we dat alles gezegd mag worden.

Daarnet zag ik nog een vrouw uit de buurt een blikje van voor haar voordeur wegschoppen. Ze schopte het op het midden van de straat. Soms zouden we dat gewoon moeten doen met wat er tot bij ons geblazen wordt. Soms.


(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 17/11/17)

maandag 13 november 2017

TINE ZIET (91): Logeren

Wat is er eigenlijk leuk aan logeren? Dat vraag ik me meer en meer af. Geen enkel bed slaapt beter dan dat van jou. Geen enkele douche voelt zo vertrouwd. Om van de wc nog maar te zwijgen. Maar we gaan zo graag eens op hotel. Ik ook.

De eerste keer met mijn koffertje naar mijn oma. Magisch vond ik dat. Met de vriendjes op kamp: heerlijk samen met de bananendoos! Logeren bij mijn vriendin in Wallonië: yes! Altijd weer buikpijn van het gemis. Een kamer om mijn bed die maar blijft kraken. Geluiden buiten die niet op het geblaat van schaapjes lijken. Wallen waar je uiteindelijk kan over vallen. Hoe jonger je bent, hoe meer wallen je kan verdragen. Dat ervaar ik toch.

Afgelopen weekend logeerde ik in het huis van mijn zus en schoonbroer om op hun kinderen te passen. Het is een jaarlijkse traditie geworden. Ik doe dat eigenlijk wel graag. Terwijl zij wat tijd met twee besteden probeer ik wat tijd te investeren in mijn nichtje en neefjes. Want hoe kunnen zij ooit hun rare tante leren kennen als ze die alleen maar op familiefeestjes zien?

Natuurlijk heb ik twee nachten amper geslapen. Bij elk verdacht geluid zag ik krantenkoppen en hoorde sirenes. De douche die ik dagelijks nodig heb om mijn ochtendchagrijn weg te spoelen, kreeg ik de eerste ochtend niet in werking. Dus ik was blij dat ik me zondagavond rond een uur of 21u op mijn eigen bed kon vlijen. De maan die de nacht daarvoor nog vol was, beet door de kier van mijn gordijnen naar binnen, maar ik sliep! Ik sliep!

Logeren gaat niet om het slapen. Maar om alles wat je wakker doet. En het slapen moet je later maar inhalen. Hoe minder jong ik ben, hoe meer winterslaap ik eigenlijk zou kunnen verdragen.


(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 10/11/17)

maandag 6 november 2017

TINE ZIET (90): Persen

Ik ben een citroen die zich makkelijk uitpersen laat. Vaak iets te makkelijk. Soms zou het beter zijn als ik me niet meteen zou meegeven in allerlei plannen en projecten. Nu denk ik: Ach, waarom niet? Wat moet ik anders met al mijn goede ideeën?

Het gevolg is dat ik me wat uitgeperst begin te voelen. Dat kan ook moeilijk anders. Afgelopen weken schreef ik gepersonaliseerde teksten aan de lopende band. Terwijl een ‘echte schrijver’ zichzelf en de opdracht meer serieus neemt, schudde ik zondag bijvoorbeeld veertien stiltegedichten uit mijn mouw naar aanleiding van veertien gesprekjes. Dat klinkt misschien wat weinig voor wie niet schrijft, maar het is te vergelijken met veertien unieke taarten, veertien pakken op maat. Niet spontaan maar op verzoek. En niet in ideale omstandigheden geschreven: want niet op mijn eigen vaste plek maar op een event en met de hand. Waren het allemaal goede gedichten? Nee. Waarom blijf ik dat dan doen? Waarom rijm ik niet wat vaker op ‘zelfkritiek’?

Simpel: omdat ik er uiteindelijk te veel plezier uit haal om mensen te zien glunderen bij een eenvoudig gedicht van herkenning. Want schrijven wat een ander voelt, dat kan ik goed. De Nobelprijs Literatuur zal ik er nooit mee winnen. Laat staan een geldprijs. Maar dat een onbekende vrouw me omhelst en het gedicht aan al haar vrienden laat zien met de woorden: “Dit bedoel ik vaak, maar zeg het nooit.” Dat doet me meer dan welke prijs dan ook.  

Zolang ik mezelf weer kan opladen en sappig word, zal ik het blijven doen. Tot het uiterste gaan. Woorden uit me persen. Het maakt mij meer een mens dan kunstenaar. Soms is dat misschien de kunst, iets wat mij meer mij maakt.


(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 03/11/17)

donderdag 2 november 2017

Reveil 2017

Ei! Pssst!
Zijt ge daar nog?
Lieve Emerence, Adelaire, Hermenie?
De jaren zijn voorbijgevlogen en we zien junder in de verste verte nie.
Jawel, we zien nog diene ene foto waarop gij, ook al waart ge dood, naar ons zijt blijven kijken.
Ge zijt toch wa verkleurt of ge trekt weg.  Alsof de inkt in uldere zerk is gelopen.
                Ik had hem zo innig lief en mocht hem niet behouden.

Of ge nu deelnemer waart van de eerste Tour de France.
Beenhouwer met de beste leverpâté op uw allereerste reis.
Russische prinses die hier in Menen in de psychiatrie is overleden.
Lieve kleine blauwe zoon met open hart in Amerika.
Piloot die onder een brug wou vliegen, maar dat beter niet had gedaan.
Kersverse moeder uit de Congo, met uw kindje om uw middel, drie uur voordat de para’s u hadden kunnen bevrijden.
Vijf kinderen uit hetzelfde gezin die nog geen jaar geworden zijn.
Jongen die naar de voetbal fietste, maar door een auto werd geschept.
Schilder met voorliefde voor de Leie.
Jonge moeder op de moto.
Echtgenote in een ijzeren bed in huis.
Gij hebt het allen niet gered.
Ge mocht allemaal voor altijd slapen onder een stenen bed.
De een kreeg een praalgraf, een echte grootse engel, een grafkapel.
Een eeuwige pleurante, marmer, blauwsteen, struiken op uw buik, klimop.
Sommigen van u kregen zelfs een plein, een eigen straat buiten deze hekken.

Maar weet ge, het doet zeer om tussen junder stenen bed te lopen.
Het doet mij verdriet, al ken ik junder eigenlijk nie.
Sommigen hebben geluk. Ze krijgen nog bloemen en een poetsbeurt met javel.
Afgelopen dagen werden plastieken bloemen opnieuw gerangschikt.
Grote graven werden weer eens opgeblonken.
Maar zoveel van junder zijn zo gebarsten, verhakkeld, scheefgezakt en dichtgegroeid dat ge vergeten lijkt. Zelfs de liefste herinnering hangt ooit op zijn kop Zijt ge dat dan echt? Vergeten?

Nee toch. Soldaten. Van welk land ge ook afkomstig zijt.
 Gij natuurlijk niet.
Gestreden hebt ge en geleden.
Daarvoor krijgt ge jaarlijks een hommage.
Het is u gegund. Dat meen ik zeer.

Politiek gevangenen: gefusilleerd of vergast.
Soms geslagen, nooit verslagen.
Ze zijn verworden tot kleine hoopjes as.
Zij stierven opdat België leve.
Ook dat mogen we nooit vergeten.

En, kijk eens goed, zoveel kleine engelkes.
Zo kort waart ge op de wereld dat er soms zelfs geen foto van u is, waarop ge leeft.
Het is schrijnend, dat ge samen met uw ouders dood zijt weggeblazen.
Dat enkel de wind aan uw graf komt spelen.

Polydore, Rigobert, Zusters van de Goddelijke Voorzienigheid.
                Rust in vrede in uw sombere woonst.
Dit eindstation.
Gij had toch ook een broer, een zus? Een neef, een nicht.
Een buur. Een geheime geliefde.
Wordt er niet meer over u verteld?
Zijt gij uit alle dromen weggevaagd?
Waard gij niet ook een held?

 ‘Eeuwig vergund’ maar wat is u gegund?

Als uw zerk een keer wordt opgetild en weggetrokken,
Waar zijt ge dan? Wat blijft er van U over?

Wat er over blijft is dit:
Ge zit in de ogen van wie na u komen.
Ge zit in de stemmen, in een lichaamstrek,
Een uitdrukking, een slepen met een voet in een plastic zak.
Ge zijt in allen in die hier is en in het fladderen van deze woorden.
In foto-albums, in snapchats die niet verdwijnen.

Gij zijt in vuur.
Gij zijt in as.
Gij zijt in wat er komt

En in wat er was.

foto: Photogallery by H.

maandag 30 oktober 2017

TINE ZIET (89): Gluren bij Kunstenaars

Afgelopen weekend kon je buren bij kunstenaars. Het is ongelooflijk hoeveel uitnodigingen ik kreeg. Veel kennissen zijn blijkbaar kunstenaar. Eigenlijk had ik het hele weekend kunnen rondrijden om alle tentoonstellingen te gaan bekijken. Ik beperkte me uiteindelijk tot de binnenstad want ik wou enkel mijn benenwagen uit de kast halen. De rest had rust verdiend.

Het voelde toch een beetje als binnengluren. En wellicht daarom heeft het concept veel succes. Je hebt niet alleen zicht op wat de kunstenaars maken, maar men geeft je in veel gevallen ook inkijk in een huis dat je anders alleen maar van buitenaf kan zien. Ook krijg je praktisch op elke plek een drankje aangeboden. Gelukkig sloeg ik elke uitnodiging daartoe wijselijk af. Een chocoladejenever, een picon, een koffietje,… Ik zou meer ‘getureluurd’ hebben dan ‘gebuurd’.

Wat me opvalt is dat stuk voor stuk elke kunstenaar met passie vertelt over wat hij of zij maakt. En daar gaat het eigenlijk echt om natuurlijk. Dat je oorbellen bedenkt en dan ze met een of ander vergrootglas en heel veel geduld uitwerkt tot juwelen. Dat je aan een draaitafel opeens het idee hebt om een bepaalde schaal te maken. Dat je van een oude zetel een gloednieuwe stoffeert. Dat je een vervallen gebouw binnenstapt en daar heerlijke beelden uit kan puren.  Maar het mooiste was de bezieling van man die in de afdeling beeldhouwkunst van de academie trots toonde hoe hij voor het eerst brons gegoten had. Zijn vrouw stond er blinkend bij, alsof ook zij door zijn handen ooit in een mal was gegoten.

Kunstenaars scheppen met hun passie de wereld zoveel schoner. 

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 27/10/17)

maandag 23 oktober 2017

TINE ZIET (88): Verrijken

Verrijken. Het is iets waar ik naar streef in dit leven. Nieuwe dingen leren kennen. Het helpt me niet te verstenen.

Vrijdag ging ik naar de opening van de tentoonstelling ‘Lost ideas’ in ’t Schippershof. De naam Lee Ranaldo deed eerst geen belletje rinkelen, daar schaam ik me niet voor. Het is pas toen de link met Sonic Youth werd gelegd, dat ik vond dat ik niet aan mij voorbij kon laten gaan. Sonic Youth is een groep die ik leerde kennen door een liefje. Liefde verrijkt vaak met nieuwe muziekstijlen die blijven hangen, ook als die liefdes al lang uit het zicht verdwenen zijn. Je hoort een specifiek nummer en je bent weer van kop tot teen verliefd op die ene die ooit de liefste was.

Op de opening waren veel mensen die net als ik de naam Ranaldo niet kenden. Maar het feit dat ze er waren, wil wel zeggen dat ze zichzelf willen verrijken. Tenzij ze zich natuurlijk om een of andere reden moeten laten zien. Hij bespeelde er een elektrische gitaar op een manier die zelfs voor mij merkwaardig was. Terwijl ze hing. Met trommelstokken, met strijkstok, met zijn vingers natuurlijk, maar ook gewoon door er mee te zwaaien. Zelf vond ik het fascinerend. Het geluid klonk luid, dat wel, maar verrassend mooi.

Later dat weekend zag ik hem dan weer zeer fragiel spelen en zingen in CC De Steiger. Voor dat optreden waren ook andere optredens van muziekgroepen die mij totaal onbekend waren. Ze klonken stuk voor stuk de moeite waard om ze eenmaal thuis op te zoeken en aan mijn speellijst ‘te ontdekken’ toe te voegen.

Dat dit kan in mijn stad doet mij ontzettend deugd. Zolang ik me hier kan verrijken zal ik niet uit Menen wijken.


(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 20/10/17)

maandag 16 oktober 2017

TINE ZIET (87): Rugzak

In opdracht van Vormingplus MZW ging ik afgelopen weken aan de slag in Roeselare en Menen om in kader van de Werelddag van Verzet tegen Armoede met mensen uit verschillende doelgroepen poëzie te schrijven. Het is een periode die wel degelijk in mijn koude kleren gaat zitten en wellicht ook nooit meer uit die kleren kan gewassen worden.

Armoede is zoveel meer dan een lege portemonnee. Het is een blok aan je been. Een etiket. Een richtingsaanwijzer die je aanwijst: “Jij telt niet mee!” Het is schrijnend te horen dat één op de acht mensen uit onze stad een doktersbezoek uitstellen omdat ze het geld nodig hebben om brood op de plank te krijgen. Dat dat dan ook nog gewoon droog brood is. Zonder beleg. Dat voor zovelen de hoofdbekommernis niet geluk is, maar “overleef ik deze week?” De rugzak die op deze mensen weegt, is ontzettend zwaar.

Het verwondert me keer op keer dat er mensen in mijn dichte omgeving zeggen dat wie in armoede leeft, het vaak zelf gezocht heeft. Dat men maar verstandiger met geld moet omgaan. Wat als je als vogel voor de kat geboren wordt? Van tehuis naar tehuis? Wat als je genen je geen O-benen meegeven, maar een zware mentale last? Wat als je door brute pech alles hebt moeten opgeven?

We kunnen het ons proberen voor te stellen hoeveel zo’n rugzak weegt. Er zijn inleefweken. Maar wat is één lastige week in één vol mensenleven? We kunnen ook die rugzak helpen dragen. Op 17 oktober ben ik niet blind voor de woorden die zullen wapperen in onze stad. Op 17 oktober eet ik samen met wie een rugzak draagt in Menen soep. Hopelijk talrijk.


Je goed in je vel voelen, is iets wat niet zou mogen afhangen van de inhoud van je portemonnee.