woensdag 15 augustus 2018

Hoe ik speciaal naar zee reed om ze te zien ontwaken

Het was half zes toen ik de trap afstrompelde. Er viel nog geen licht binnen in mijn badkamer. Speciaal zo vroeg uit de veren voor de uitdaging van Dany. Zij vroeg me om zo vroeg op te staan om samen te zee te zien ontwaken. Zij met haar cameratoestel bij de hand. Ik met woorden om de ochtendzee te beschrijven. We reden naar De Panne, waar Dany heel wat kindertijd heeft doorgebracht bij de Berthastrandcabines en de Paterskerk.




Koning Leopold I wachtte ons statig op. Achter zijn schenen scheen het strand nog bijna leeg en de zee ziltgrijs. De draaimolen sliep nog onder het zeil. Het zand lonkte om door ons te worden betreden. Er stond nog een zandkasteel van de dag ervoor dat door de voorbije vloed net niet werd aangeraakt. Elegante meeuwen namen een frisse duik in de plassen zee. Joggers maakten de eerste stappen in het zand. Een wakkere vader met zijn zonen sloop met netjes naar het water. Een machine leek het zand te borstelen en een strandjutter bliepte net een metalen schat op voor in zijn rugzak. 





We hadden het ondertussen over het verdwijnen van de duinen en oude mooie huizen aan de dijk.
Dany ging af en toe door de knieën om een foto te nemen. We merkten op dat er weinig schelpen waren. Er was schuim dat de zee onbeschaamd van zich had afgeworpen. Er waren gestreepte strandcabines. Geen verdwaalpalen. We hadden het erover wat een zee met ons doet. Dat ze neemt en geeft. Dat ze mij vaak ook met een gevoel van tristesse achterlaat. Dat een zee kan helen. Het einde van het strand van De Panne kondigde zich aan in een driekoppig standbeeld.



Bij het terugwandelen ontwaakte ook het dijkleven. Terrasjes werden klaargezet. Gocarts werden ontgrendeld. Soepkarren schelden de dijkbewoners in slaapkledij naar buiten. Er werd met wakkere tred en step naar de bakker gestapt. En ook wij kregen honger. Na het bezoeken van de Koninklijke Oblatenkapel, vonden we een plek waar we konden ontbijten. En terwijl het strand zich met de eerste zonnezoekers vulde, reden wij opgeladen en gevuld met zeegevoel terug naar huis. Bedankt, Dany! 






 

BUURTTUREN: Kollebloemstraat in Waregem


Hier kleurt ons gras
nog groen onder de
bogen van de platanen.

Het verkeer vertraagt
tot bijna stilstand
door de drempel.

Plassen vullen
zich gretig met
zomerse regen.

Terwijl een man
zijn lege flessen
aan een bak doneert,

droomt de buurtpoes
zich de zin tot spinnen.

rookt D’Oude Molen-
ganger zijn sigaret.

toont de stam
stukjes blote vlekken.

en de buurt haar
blauwe plekken. 


maandag 13 augustus 2018

TINE ZIET (128): Reizen


De meest gehoorde vraag die ik afgelopen weken gehoord heb, is: “En ben jij al op reis geweest?” Het is op zich geen rare vraag. Veel mensen gaan op reis in de zomervakantie. Zeker als ze net als ik twee maanden verlof hebben. Wat me een beetje stoort, is dat men er eigenlijk van uit gaat dat je op reis gaat. Alsof reizen automatisch bij je verlof hoort. En als je het niet doet, heb je vast een financieel of een ander probleem.

Als kind ben ik nooit met mijn ouders op reis geweest. Eén keer gingen we naar Nieuwpoort voor enkele dagen. Soms gingen we een weekendje naar zee. We maakten daguitstapjes met de fiets, ik mocht op kamp, maar speelde vooral veel in de grote berg zand van mijn vader en knipte grassprietjes korter met een schaar en maakte heksensoep. Ik herinner het me vaak als zorgeloze dagen. Tenzij we klusjes moeten opknappen. Ook al vielen die eigenlijk ook wel mee. Het feit dat we niet met het vliegtuig of met de auto naar een vakantieoord trokken, voelde zeker niet als een gemis.

Dit is de eerste zomer sinds lange tijd waarin ik niet echt op reis ga. Akkoord: ik boekte een nachtje in Den Haag en in Wimereux. Maar voor velen klinkt dit toch niet hetzelfde als een reis. Toch was ik nooit eerder zo vaak weg. Van dichter Peter Holvoet-Hanssen leerde ik: ‘Echte reizen maak je in je hoofd.’ En deze zomer floept die zin opvallend vaak tussen mijn oren. Velen gaan op reis om hun hoofd leeg te maken of het net op te laden. Maar dat is ook wat deze vakantie met mij doet. Tussen mijn oren is het net als de zee: eb en vloed. Soms stroomt het vol met fantasie of prikkels en op andere dagen loopt het leeg. Beiden doen mij goed. Als er maar die wisselwerking is.  Enkel het ene of het andere zou me onrustig maken. Een landschap of een andere omgeving kan helpen bij die eb of bij die vloed.  Soms helpt het lezen van een boek of een toevallige ontmoeting onderweg. Wat altijd helpt is een adembenemend vergezicht: iets om vol verwondering naar uit te kijken.  Maar dat vind ik vaak ook met mijn ogen dicht.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 10/08/18)


donderdag 9 augustus 2018

Hoe ik mezelf liet terugflitsen naar de Belle époque.

Verkleden is iets wat ik altijd al graag gedaan heb. Toen Katelijne me uitdaagde om in Belle Epoque-stijl naar Trammelant in De Haan te gaan, aarzelde ik dus niet. Ik had al de Roaring Twenties gehad als dresscode voor een fijn huwelijksfeest en de jaren '50 - '60 voor een feestje, maar de Belle Epoque had ik nog niet gehad.

Eerst ging ik naar een verkleedwinkel die ook kleren laat maken. Maar die was helaas op verlof tot na Trammelant. Die verkleedwinkel heeft naast de standaard outfits, ook unieke exemplaren die op maat gemaakt werden voor toneelvoorstellingen. Toen ging ik maar naar de verkleedwinkel in Kortrijk. Omdat ze daar toch ook een mooie collectie hebben. De vrouw in de winkel was heel erg behulpzaam. Ik kreeg een fijne jurk in de handen gestopt, die er toch wel heel erg warm uit zag in hittegolftijd. Maar de jurk stond me wel goed. Daarna stopte ze me een pompeuze hoed in de handen. En ik zag het plaatje wel. Ik bestelde. Een jurk huren is niet zo duur. De hoed kocht ik.

Gelukkig hoefde ik de jurk niet aan om naar De Haan te rijden. Ik kon me gewoon nog omkleden bij Katelijne thuis. Zijzelf had een veilige outfit gekozen. Ze had een gekochte rok gekocht met kledingstukken en attributen die ze in de kast had liggen. Ikzelf trok dus de jurk en de hoed aan. Jammer van de enkelbrace aan mijn rechtervoet. Daarmee paste ik alleen in een Birkenstockslipper. Om in de stijl te blijven had die toch een zilveren accent. Een handtas had ik niet, maar ik nam een tote bag mee uit het Ropsmuseum met een citaat van Félicien Rops erop. Rops, die toch een beetje de tijdsgeest uitademende van de Belle époque.  Klein detail. Ik had de tijd toch wat geactualiseerd.

 Het was natuurlijk spannend toen we de auto uitstapten en door een mensenzee naar het centrum stapten. Af en toe kregen we een lachende blik in onze richting. Er was weinig verbazing, want veel mensen waren in die stijl gekleed om deel te nemen aan de stoet. Als publiek vielen we meer op. Maar vooral bij onze wandeling die niet langs het parcours liep, oogden we veel bekijks. We wandelden langs prachtige huizen in een stijlvolle wijk. Mijn grootste uitdaging was mijn hoed en jurk op hun plaats houden, want de zeewind blies nogal dartel. Uiteindelijk was ik zelfs blij met mijn lange mouwen in combinatie met mijn geleende waaier.

Dames die in de stoet liepen hadden vaak een veel sjiekere jurk aan. Op maat gemaakt. Ze zagen er toch meestal veel duurder uit. Maar Katelijne en ik hadden best kunnen meestappen. We gingen niet uit de toon gevallen zijn. We werden een paar maal monkelend gefotografeerd. Een keer zelfs schaamteloos met de blik op de boezem.

Het was een fijne uitdaging. Bedankt, Katelijne! Trammelant is heerlijk om eens mee te maken. Zeker in stijl. Maar toegegeven:  in Menen had ik meer moeite gehad om zo rond te lopen. Zelfs in De Barakken.




maandag 6 augustus 2018

TINE ZIET (127): Buurtturen


Sommige lezers hebben me ongetwijfeld al zien zitten. Ik zit opvallend veel buiten deze zomer. Dat komt door mijn project ‘Buurtturen’ waarin ik mezelf en anderen wil aanzetten om eens de buurt beter te leren kennen door gewoon nog eens voor de deur te gaan zitten. Je weet wel, iets wat men vroeger meer deed om je niet te vervelen. Hoewel het eigenlijk absurd is om een event te maken voor iets wat eigen doodnormaal is, zijn de resultaten tot nu toe best opmerkelijk.

Ik heb nog nooit zoveel verwonderde blikken gezien als afgelopen weken. Het wordt bijzonder raar gevonden als er stoelen worden buitengezet.  Zeker als er ook een tafel en parasols bij komen kijken. Als er iets te drinken wordt aangeboden, worden mensen nog nieuwsgieriger en durven aan te schuiven. Sommigen halen dan zelf ook een fles uit de koelkast voor ze de straat oversteken.
Om het project te openen zat ik een hele zondagnamiddag voor mijn eigen deur. Daarna ging ik al naar Kortrijk bij VormingPlus. Ook op het Vander Mersch- en het St-Jozefsplein, in de Voorzorg-, Ambachten-, de J&M Sabbe-, en Ieperstraat werd al nieuwsgierig opgekeken. In Wevelgem zat ik al op het Wallaysplein. Ik zat zelfs al op Tiegemberg.

Het is bijzonder leuk om te doen. Je hoort er verhalen die je anders niet hoort. Je ziet er dingen waar je anders niet op let. Maar meer nog: je brengt de buurt toch wat dichter bij elkaar. Zo verrasten mijn eigen buren me met een volle schotel warm eten. Sindsdien lachen en zwaaien we meer.
Het mooiste verhaal tot nu toe was dat van Somalische vrouw. Ze had me tegen het kerkportaal zien zitten toen er wat druppels uit de lucht vielen en ze begon een conversatie met mij. We babbelden lang. Over haar verleden, over wat haar naar Menen had gebracht. Over haar kinderen. Over wat ze hier al had geleerd. Ze bedankte me, ging de was ophalen en bracht me op een dienblaadje Somalische thee. Zo simpel. Zo gewoon. Maar was ik niet op het Sint-Jozefsplein gaan zitten, had ik de hele dag naar Netflix gekeken en bedacht de wereld in een decor van één of andere serie. Maar door toch de stap te zetten, kreeg ik iets reëels. Iets unieks. Iedereen zou het (ook zonder mij) eens moeten doen.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 03/08/18)

zondag 5 augustus 2018

BUURTTUREN: Moorselestraat in Menen


Hier dreunt nog het verlangen
naar de kasseien en de weides
die voor de wijken moesten wijken.

Het verkeer moet gelukkig
wel vertragen maar raast.
Er wordt minder gefeest, gegraasd.

De Witte Koe loeit nog
als een eenzame trein
vol volksvermaak.

De straat ademt jonger
en luist zijn tomaten
in de avondkalmte.

De kat ligt in het gras
en telt de mussen van de buurt.
Er zijn er nog veel te vangen! 


donderdag 2 augustus 2018

Hoe ik de eerste keer in mijn leven een hele bonenplantage kweekte

Vorig jaar stond Jozef voor me aan de deur met een zakje boontjes. Ik haalde er toen mijn neus voor op en zei: "Ik lust geen boontjes." "En je moeder?" vroeg hij. "Die wel," antwoordde ik. Dus kreeg ik een zakje voor mijn moeder mee. Eigenlijk loog ik een beetje. Eigenlijk eet ik wel graag boontjes. Ik maak ze alleen niet zo graag klaar. Als kind herinner ik me dat we bij mijn oma boontjes topten. In een lange rij naast elkaar. Soms meer top dan boontje met mijn geweld. Dat toppen is nog fijn. Maar dat koken... tja.

Toen hij hoorde van mijn jaar vol uitdagingen verzond Jozef me een bericht dat hij me graag de liefde voor bonen en tuinieren wou doorgeven en dat door me te laten bonen kweken. Van kleine boon tot oogst. Ik ging de uitdaging aan. Zou ik ooit een boontje hebben voor tuinieren? Ik die geen enkele plant of bloembak kan houden?

Eind mei propte ik met mijn vinger boontjes in de aarde. In potjes in de serre en in de volle aarde.
Een week later waren er al plantjes te zien. En op 7 juni al mochten de serreboontjes ook in de volle aarde. Bonen groeien snel. Jozef had zijn overal aangetrokken en stond me aan de kant aanwijzingen te geven en foto's te maken. "Lach eens," zei hij. Hij verkneukelde zich wel een beetje in mijn stuntelen en zag mijn vingers beetje voor beetje groener worden. Hij toonde me daarnaast ook enthousiast zijn tomaten en komkommers en hoopte wellicht stilletjes dat ik ook zijn passie voor die groenten zou overnemen. Ik hoorde alles over meloenen en pompoenen. Over theezakjes bij bonenplantjes. Over dat groenten kweken afhankelijk is van de natuur. "Je hebt het in je, dat zag ik meteen," zei hij. Midden juni werd al duidelijk dat de planten goed aanpakten.

Eind juni bleek toch dat we de natuur een handje moesten helpen. Ik moest halve flessen in de aarde graven om de bonenworteltjes op die manier beter water uit de aarde te laten zuigen. Ik herinner me vooral dat het lastig was om de plantjes niet te vertrappelen en dat zo'n fles best diep in de aarde moet worden gegraven. Midden juli zag ik de eerste boontjes bengelen. Ik vreesde opeens dat de bonen me de oren zouden uitkomen.

Vorige week werden ze geplukt. Het waren er best een hoop ondanks de droogte. Ik neem ze straks mee naar mijn moeder. We zullen ze samen toppen als vanouds. En ik zal ze helpen koken. Ze zullen natuurlijk smaken!

Missie geslaagd. Bedankt, Jozef!

Het waren goed bestede uren. Zoveel werk vraagt groenten kweken niet. Wel geduld en aandacht en iemand die aan de kant staat en  af en toe vraagt te lachen. En stiekem heeft Jozef natuurlijk gelijk: ik hou van wroeten in de aarde. In mijn hoofd kweek ik al een nieuwe droom.