dinsdag 19 september 2017

TINE ZIET (82): Wortels

Geschiedenis is nooit mijn beste vak geweest. Ik zag het vaak te veel als dat vak waarvoor ik zoveel data moest onthouden. Al is het zoveel meer. Hoe ouder ik word, hoe liever ik me met het verleden drapeer. Zondag was ik met mijn familie in de vroegere woonplaats van onze moeder. Samen met haar op zoek naar haar wortels. We hebben ze gevonden! Al vond ze de plek van haar geboortehuis in eerste instantie niet meer terug. Niet alleen omdat het ooit onteigend werd en afgebroken. Maar ook omdat oriëntatie na al die veranderingen in een landschap lastig is.

We reden langs het huis waar ik mijn grootouders ooit zag zitten op hun bankje. Onherkenbaar door de hoge schutting en het ontiegelijke aantal zonnepanelen. Daarna reden we naar de plek waar mijn grootmoeder op mijn grootvader verliefd werd. Een volks café waar mijn grootmoeder soms tegen haar zin moest helpen als het er te druk was. Het was een speciale belevenis. Voor mijn neefjes en nichtjes was het gewoon een morsig oud café. Jeugd beseft nog niet dat wortels eigenlijk belangrijk zijn om bepaalde familiedingen te kunnen begrijpen. Ze kijken zo gulzig naar de toekomst en zien alleen maar vooruit. Ik bedacht alleen maar: “Hier vond ik mijn oorsprong.” en voelde zoveel liefde voor die plaats.

Maar het bijzonderste was toch om terug in die vroegere woonplaats van mijn moeder te landen. Te botsen op de vrouw die ooit haar trouwkleed maakte en nog heel goed wist welk kleed ze voor haar had gemaakt. Om daarna in een café van een zoon van een neef van mijn moeder af te sluiten en daar achter de toog gewoon een hedendaagse versie van mijn grootvader te zien.

Graven in het verleden: moet je doen!


(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 15/09/17)

maandag 11 september 2017

TINE ZIET (81): Puzzel

Ik kan me niet herinneren dat ik het leuk vond om als kind te puzzelen. In mijn herinnering zat ik wel dikwijls aan een tafel om stukjes in elkaar te schuiven, maar meestal had ik te weinig geduld om tot het plaatje op het deksel van de doos te komen. Helaas gaat het begin van elk schooljaar gepaard met puzzelen. Voor ouders is het telkens weer een heel werk om elke hobby aan elkaar te lijmen. Ze moeten het maar doen. Kind A van dan tot dan naar plaats X. Even naar oma. Kind B van dan tot dan naar plaats X rijden om kind A op te halen en naar plaats Y te brengen. Ik heb daar bewondering voor. Een kind heeft meestal meer dan één hobby.

Als leerkracht van een hobby bezorgt het ook mij puzzelstress. Voor individuele lestijden moeten wij namelijk zelf onze klassen opvullen aan de hand van de wensen en de agenda’s van de leerlingen. Er is een taart, er zijn de stukjes en dan moet ik bedenken naar wie welk stukje gaat. Natuurlijk wil ik iedereen een stuk kunnen geven, maar ik zit vast met uren, plaatsen en wettelijke voorschriften over uitdelen van die taart.  Het is een onbegonnen taak om aan alle wensen te voldoen. Sommige uren moeten aan andere uren vasthangen. Sommige lessen moeten nu eenmaal na elkaar komen. En elk jaar weer komt er dat deksel op de neus. Botte mails van ouders die maar niet begrijpen dat ook ik moet puzzelen en mijn besef dat ik nog steeds geen puzzelwonder ben.


Uiteindelijk na twee weken zuchten en zweten, komt het uiteindelijk toch wel weer een beetje zoals op het plaatje. En als het niet lijkt op dat plaatje van de doos, maken we er toch altijd iets mooiers van. Maar geduld en wederzijds begrip blijft zo’n zeldzaam goed. 


(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 08/09/17)


maandag 4 september 2017

TINE ZIET (80): Zwemmen

Ik ben geboren onder het verkeerde sterrenbeeld. Als ‘Vissen’ durf ik al jaren het zwembad niet meer in. Als kind kreeg ik het nooit echt aangeleerd en als tiener werd ik te vaak het water ingeduwd en kreeg teveel chloorwater in mijn longen. De laatste keer dat ik het nog eens probeerde stond ik met een ex alleen in het zwembad. Het water navelhoog. Ik huilde en daverde van schrik, hyperventileerde en blokkeerde. Sindsdien durfde ik het niet meer.

Toen ik de vraag kreeg om mee op reis te gaan naar een plek met zwembad, bedacht ik dat ik het toch maar weer eens moest proberen. Zo’n kans krijg je namelijk niet veel: een zwembad voor vier personen alleen. Zonder andere pottenkijkers. Dus ik zocht badkledij waarin ik me zou durven vertonen, verklapte mijn doelstelling aan veel te veel vrienden, opdat ik de druk zou voelen me eraan te houden. En kijk: ik verplichtte me gedurende tien dagen in zwemkledij en zocht negen dagen contact met het water. Voetje per voetje. Als er een webcam was geweest, was de persoon die naar me keek, vast in slaap gevallen van verveling.

Een waterrat ben ik niet geworden. Ondanks het feit dat ik soms een vol uur probeerde om van de ene breedte naar de andere te spartelen.  Ik hervond weer wat vertrouwen in mijn lijf in dat water. De laatste dag durfde ik eindelijk zonder bodem onder voeten te zwemmen. Met een klein hartje. Dat nog wel. Wat nu? Waar kan ik dit onderhouden zonder in het openbaar te moeten naar adem happen?

Ik ben jaloers op mijn reisgezelschap dat schaterend in het water sprong. Ik benijd mensen die zwemmen als bevrijdend aanzien. Zwemmen is een kunst. Drijven ijdele hoop. En water niet allemans vriend.

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 01/09/17)


vrijdag 1 september 2017

Lofbuiten: afsluiten

Mijn zomerproject is weer achter de rug. Met 103 lofdichten en nog enkele aanvragen extra, kan ik toch spreken van een mooi resultaat.

Het is fijn om te zien dat sommigen niet van hun #lofbuiten kunnen scheiden: soms zie ik nog gedichten op de ramen staan.

Bedankt Catherine, Björn, Reckebilck, Vorming Plus, Linda, Rie, Kurt, Charline, Karel, Emmanuelle, Saskia, Freze, Marianne, Sylvie, Gino, Katrien, Geertrui, Sonja, Jozef, Kringwinkel West, Wouter, Ward, De Volkskeuken, Martien, Paul, Harold, Stephanie, Koen, Katelijn, Joke, Katia, Christine, Francine, Stephen, Hilde, Kriezies, Els, Tom, Jess, Erwin, Donna, JuffraToertjes, Anne, Linda, Emma, An-Sofie, Tine, Ellen, Alexander, Lies en Marga.

Katrijn, Katelijne, Kurt, Bieke, Raf en Tania staan nog in het rijtje dat nog te verwezenlijken valt.
Tot gauw!


maandag 28 augustus 2017

TINE ZIET (79): Rust

Als men het vroeger over rust had, dacht ik altijd aan een bejaardentehuis. Rust was iets wat me wat zuur leek. Alsof ik in een hoek werd gezet. Later bedacht ik het bij geitenwollen sokken en yogamatjes. Iets wat nog niet bij me paste. Grote onzin natuurlijk. Rust is geen straf en voor alle leeftijden, voor alle levenswijzen. Al besef je dat maar als de nood groter wordt.

Afgelopen zondag bezocht ik Kunstenfestival Watou. Thema dit jaar is ondraaglijke eenzaamheid. Het liefst zou ik dan helemaal alleen zijn als ik het festival bezoek. Dan weegt het alleen-zijn zwaarder en beklijft de kunst meer. Nu ja, natuurlijk is het daar op zondag druk. Om maar niet te zeggen stervensdruk. Goed voor de organisatie en de horeca. Minder goed voor de kunst. Er is minder kans om in een woord of in een beeld te blijven hangen. Nu ja, zoiets heb ik als bezoeker wel wat zelf in de hand. Ik kon ook in de week geweest zijn bijvoorbeeld. En als ik een filmpje twee keer volledig wil zien, moet ik maar dapper blijven zitten en niet denken aan wie op een nog-werkende-hoofdtelefoon staat te wachten.


De grootste rust vond ik op een binnenkoer van een nieuw boekencafé. Opeens leek ik ver weg van alle bezoekers. Ook al was het daar ook best druk. Maar ik vond de rust in een boek, een glas wijn en een serieuze schelle kaas. Tussen al het gepalaver door, steeg ik alleen boven de binnenkoer uit en was er even niet meer. Lijfelijk zat ik er wel, maar in mijn hoofd lag ik in wolkenweitje. Rust was voor mij na al die jaren eindelijk een paradijsje. Zou ik dat op een gegeven moment ook ooit denken over een bejaardentehuis? Ik mag er (nog) niet aan denken. Voorlopig berust ik in rust. 

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 25/08/17)

TINE ZIET (78): Haar

Het is voor mij altijd een magische plek geweest: het kapsalon. De geur van lak, ronkende droogkappen, het geknip met de schaar en het ratelend gesnater. Als kind ging ik naar mijn tante. De trap met tapijt erop naar boven en dan leek ik altijd in een soort schatkamer terecht te komen. Niet alleen hoorde ik er geheimen uit het leven, ook hield ik van de blik van de vrouwen die mijn tante knipte. Ze leken opeens in een soort rust verzonken. Ik hoopte altijd dat ik dat moment ook kon ervaren. Zelf werd ik niet rustig van mijn blik in de spiegel. Ik had altijd moeite om niet: “Stop! Stop! Je knipt te veel! Ik wil mijn haar terug!” te roepen.  Als een kapper bezig is, leg je wel heel je gezicht in die handen en daarmee ook je persoonlijkheid. Het is een mooie job. Maar wat een verantwoordelijkheid!

Vandaag zat ik bij de kapper. Dat is geen wereldnieuws. Voor mij zaten allemaal mannen die een ontmoeting hadden met de tondeuse. Op de vloer regende het kleine plukjes haar. Terwijl ik koffie dronk, keek ik stiekem naar de gezichten van de klanten in de kapperszaak. Eentje deed zijn ogen dicht bij de afwerking van het kapsel. Hij schrok niet toen hij zijn ogen opende, bewonderend hervond hij zichzelf. Een andere man leek het gênant te vinden dat hij genoot van de hoofdmassage die hij ontving. 

Toen ik zelf aan de beurt was, deed ik mijn best mezelf te blijven aankijken. De rust te vinden die ik als kind al wou. Maar ook al knipt mijn kapper mij altijd goed, ik zag het weer in mijn ogen: terwijl mijn oude haar de vloer aanveegde met wie ik in die maanden geworden was, onderging ik de welbekende metamorfose: van Tine Moniek via Tine Paniek naar Tine Chique!

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 18/08/17)

zondag 27 augustus 2017

TINE ZIET (77): Huisdier

Als kind had ik het geluk om heel veel huisdieren te hebben. We hadden een hond, een kat die voor de deur werd afgezet, alsof het een cadeautje betrof, vissen, duiven en een cavia. Ik herinner me zelfs een nachtegaal, al weet ik niet meer of dat klopt en dat enkel in mijn fantasie een nachtegaal betrof. Veel dier. Nooit allemaal tegelijk. Ook waren er om ons huis heen altijd koeien en herten. Daar moesten we gelukkig niet zelf voor zorgen.

Als kind besef je niet altijd de zorg die met een huisdier samenhangt. Het voeren. Het hok opruimen. Een kind ervaart een dier onbekommerd. Je aait het, praat er tegen, leert het kunstjes en weet niet meer dan dat. Ik geloof dat ik 7 was toen ik mijn cavia Bavo vond met twee bloedende gaatjes in zijn nek. Een dier dat niet van ons was, had onze cavia gedood. Eerder stierf hond Snoepie door het eten van gif. Een goudvis sprong zichzelf een kopje kleiner door op de meest onverwachte ogenblikken uit zijn bokaal te springen. Een keer waren we te laat om opnieuw leven te krijgen in al zijn vinnen.

Nu heb ik enkel een kat. En hoe lastig ervaar ik dat soms. Ook al vraagt een kat echt niet zo veel. Ik hoef ze niet uit te laten. Haar haar vraagt geen kapper. Haar stamboom ook al niet. Ze toont zich tevreden met een raam of twee, het koertje af en toe, de aaitjes, het eten, het kommetje water, de sleutel in het slot, een schone kattenbak, een doodeenvoudig elastiekje,… Maar ze kijkt zo schuldig als ik langer dan een halve dag wegblijf. Hoe moet dat op vakantie? Kan ik dat haar wel aandoen? Wie zal voor haar zorgen? Blijf ik dan niet beter thuis?  Zoveel zorgen in mijn hoofd, dat ik bijna zelf een huisdier word.


(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 11/08/17)