maandag 16 juli 2018

TINE ZIET (126): Bouwen


Zondag ging Salto door in onze stad. Ons stadsfestival. Zelf had ik me opgegeven om mee te werken aan de performance van Robbert & Frank en was al om 11u45 op post om een trap in grote legoblokken her op te bouwen. Maar het eerste uur was een groot fiasco. We moesten een paar keer helemaal opnieuw beginnen. Het leek heel erg simpel: een trap van tien treden, maar voor wij, die hem uiteindelijk samen maakten, was de trap gigantisch toen die er uiteindelijk stond. Er was heel wat werk ingekropen. Veel handen in een vlakke zon maken niet altijd licht werk.

Toen de trap er eenmaal stond, bemerkten we hoe makkelijk kinderen en volwassenen de neiging hebben om naar boven te klimmen. Zelfs zonder specifiek doel. Het is wellicht een drang die in ons ingebakken zit om naar boven te willen. Om de grond onder onze voeten te verlaten en boven de bodem uit te stijgen. Zelfs hele kleine kleuters konden zich vaak niet bedwingen.

Uiteindelijk was het de bedoeling dat mensen die de trap naar boven klommen een wens met zich meedroegen en die aan een draad ophingen. In ruil mochten ze een andere wens van een eerdere klimmer meepikken. Vaak wisten mensen niet wat ze met die wensen moesten aanvangen. Sommigen waren ontgoocheld in de wensen van een ander en wilden ze niet meenemen. Een jongetje wenste voor zichzelf een mooie vrouw en zag stampvoetend hoe zijn kleine broer even later zijn enveloppe uit de lucht plukte en wellicht dacht: ‘Ik wil ook een mooie vrouw!’. Sommige volwassenen wisten niet zo goed wat ze aan moesten met een simpele kinderwens of een tekening. Sommige kinderen begrepen de wensen van volwassenen niet zo goed. Maar ‘wensen’ en ‘klimmen’ begreep iedereen. Een vader verklapte me dat al zijn wensen al vervuld waren. Een jongetje klom wel tien keer de trap op naar een wens die even mooi was als die van hem.

Dat samen bouwen. Dat samen vloeken om weer een fout in de trap. Dat samen gaan voor een project. Zelfs van een ander. Het collectieve zweten.  Daar hou ik eigenlijk wel van. We klommen voor het verzamelen van wensen samen op.



(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 13/07/18)

maandag 9 juli 2018

TINE ZIET (125): ZOMER


Terwijl ik dit schrijf, lig ik schaamteloos plat op mijn bed. Mijn slaapkamerraam staat op een kier. Door de kier ruik ik de geur van de buurman die dagelijks sigaren rookt voor mijn raam. Hij staat telkens als hij voorbijschuifelt stil om mijn kat te begroeten.  Kat Frieda mekkert dan en hij trekt zijn wenkbrauwen op en zegt: ‘Psssssst!’ tegen het glas. De lezer zou zich zorgen kunnen maken. Misschien omdat ik op bed lig. Op een doordeweekse dag! Rond het middaguur.  Ga ik op die manier zo lui van mijn twee maanden vakantie genieten? Of dat ik het dagelijkse ritueel tussen mijn buurman en mijn kat afluister en soms ook bespied. Het spijt me niet. Een verrekte spier in mijn kuit vraagt op doktersadvies om platte rust. Anders kan ik dit weekend niet meevieren met Les Figurettes. Dat advies neem ik serieus. Want we vieren feest op vrijdag in Ieper, op zaterdag op Reckebilck met een gloednieuwe show en op zondag ben ik normaal helpende hand bij Salto. Dus echt veel stilliggen doe ik eigenlijk normaal niet. En afluisteren en bespieden, wie doet dat niet?

Dat ik nu de buurman hoor, doet deugd.  Het betekent dat de straat rustig is. Gisteren leek het wel of de grond een paar centimeter gezakt is toen de laatste verlossende doelpunten werden gemaakt in het WK. De Rode Duivels haalden het op het nippertje. Van waar ik woon, hoorde ik dierlijke kreten. Ik hoefde niet eens te luistervinken. Ik hoefde niet op een televisie te spieken wie de grote winnaar was. Er reden kuddes toeterende auto’s voorbij. De dagen daarvoor trilde Grensrock nog beats door mijn dubbele beglazing. Maar ook voorbijwandelende jongeren duwden hun muziekgenre mijn oren in. Toch zul je me niet horen klagen. Het zegt ons dat het nu echt wel zomer is. Dat het helaas ook een superdroge zomer is, is te merken in al mijn bloembakken waarin alle reanimatie te laat kwam. Dat zal mijn buurman ook niet ontgaan zijn.  Of kan sigarenrook nu ook al bloemen doden? Dan ga ik misschien toch zeuren, want mijn bloemen, die zag ik eigenlijk best wel graag.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 06/07/18)




vrijdag 6 juli 2018

Buurtturen: Wandelweg 11 in Kortrijk

Op maandag 2 september ging ik Buurtturen in Kortrijk. Dit tijdens de lunchpauze bij de zomerweek van Vormingplus MZW.  Op woensdag ging ik met mijn nichtje Klaartje langs om het gedicht op het raam te schrijven. Nicht Klaartje dicteerde en zei achteraf: 'Het is wel scheef, tante, maar het valt heel goed mee.' Ze werkte af met een bloempje.




Tussen deze muren kom men
tot zichzelf bij ritselend licht en
dansende beelden op de stenen.
Een rustplek in deze stad waar
men ongedwongen stil kan staan.

Terwijl de tafels zich vullen, waaiert
het laken op en brengt zo mensen dichter.
Men laadt zich op aan koffie, sla en elkaar.
Soep word hier tot op de bodem opgegeten.

Eén keer slechts overstemt een stem
de rust in een toeter uit een hand.

Er wordt tot actie opgeroepen.
Eén rugzak blijft eenzaam in 
de leegte staan, wordt opgelucht
weer opgehaald.

Daarna wordt weer geschaafd en gezocht
naar wat men hier wil vinden.
Dàt beeld. Een lichtere ziel. Onthaasten.

Deze plek laat de trein der drukte achter zich.
Brengt vakantie in gemoed.
Ademt op. Doet goed. 




Nodig me gerust uit om eens op jouw stoep of in je buurt te komen kletsen en tureluren.




zondag 1 juli 2018

TINE ZIET (124): Stevige bomen


Het einde van het schooljaar is voor mij traditioneel een emotionele periode. Niet dat ik nadrukkelijk met een zakdoek mijn ooghoeken moet deppen en mijn neus moet snuiten, maar het is afscheidtijd. Mensen die dit moeilijk begrijpen, kunnen het zo zien: een schooljaar lang rond gevoelens werken, creëert een band. Als je een leerling dan nog eens meer dan een jaar begeleidt, wordt die band nog intenser. Een volledige studieperiode in mijn vak behelst tien jaar. Dat is trouwens meestal meer dan hun halve leven. Daarnaast raakt het me als iemand zegt: ‘Ik kom niet meer terug. Er is geen tijd meer.’ Of ‘Ik verhuis.’ Of ‘Het valt niet meer te combineren.’

Soms zie ik collega’s overladen worden met cadeaus. Zelf ben ik geen leerkracht die dat uitlokt. Een zelfgemaakte kaart, een leuke kop met koffie, een doos chocolaatjes en een sleutelhanger. Meer was de buit dit schooljaar niet. Daar gaat het eigenlijk helemaal niet om. Meer plezier heb ik aan bijvoorbeeld dit: zaterdag reden een oud-collega en mijn directeur naar de première van een kortfilm. We reden helemaal naar Mechelen voor film van twaalf minuten. Een oud-leerling liet zijn eindwerk zien. Vijf jaar geleden studeerde hij in onze academie af. Ik leerde hem kennen als elfjarige. En nu zoveel jaren later, stond hij daar. In een sfeervol zaaltje sprak hij het publiek toe en toonde zijn film.  Het was prachtig! Zelf heb ik geen enkele verdienste aan die film. Behalve dan mijn kleine financiële duwtje in de rug via crowdfunding. Maar ik gloeide van trots en ik liet stiekem een traan. Als er ook maar een ietsjepietsje uit mijn lessen via die oud-leerling in de film is gekropen, zegt dat meer dan om het even welk cadeau. Ooit een eigenzinnig kind, nu volledig klaar die volwassen artistieke wereld in te duiken.

Dàt is ons hoogste privilege als leerkracht (niet onze jaarlijkse vakantie): zien dat alles terechtkomt en meer. Dat leerlingen uitgroeien tot stevige schone gewortelde bomen. Dat ze de wereld mooier maken. Dat ze zachte harten als het mijne kunnen raken. Dat neem ik na 30 juni met mij mee. Keer op keer.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 29/06/18)


maandag 25 juni 2018

TINE ZIET (123): Slot


Gisteren hadden mijn buren zichzelf buitengesloten. Ze wonen al een paar maanden naast me en nog nooit zeiden we iets tegen elkaar. Niet dat ik het nog niet probeerde. Ik gaf hen tulpen om hen welkom te heten met daarbij een kaart, maar doordat ze de deur maar niet voor me wilden openen, kwam er geen persoonlijk contact. Ik legde het boeketje voor de deur en weet het aan andere culturen.

Maar nu moest het dus. De buurman sprak me in zijn wanhoop aan in een taal die hem niet zo vertrouwd was en vroeg om een schroevendraaier. Die haalde ik natuurlijk. Uiteindelijk gaf ik hem ook een haarspeld omdat ik een truuk had gezien op televisie. Ik gaf hem mijn gsm om daarmee te bellen naar de eigenaar van de woning. Ik zocht een slotenmaker op en belde hem op. Ik sprak voorbijlopende buren aan met de vraag naar een ladder. Ik liet de buurman en een vriend die was opgetrommeld binnen in mijn woning om via het platform een toegang te forceren door een raam dat uiteindelijk toch niet gesloten was. Terwijl de buurvrouw met haar vier jonge kinderen wanhopig aan de voordeur stond te wachten, probeerde ik haar thee, koffie en water aan te bieden. Ik kwam ook met een schaaltje druiven. Het wachten bleef maar duren en de kinderen werden ongedurig.  De vrouw weigerde alles wat ik haar aanbood. Ze bleef maar vragen of het nu al gelukt was. De man wou in zijn wanhoop zijn voordeur beschadigen. Het raam stukmaken. Ik zei hem dat dit meer zou kosten dan het betalen van een slotenmaker. Toen het uiteindelijk gelukt was via het badkamerraampje, klopte hij bij me aan om te zeggen dat het opgelost was. Daarna sloot ik mijn eigen deur en at wat druiven.

Ik geloof dat hun ongeluk ons wel even bij elkaar bracht maar dat we hierna niet opeens wel veel gaan praten. Soms zou ik dat wel willen. Als kind was ik een fervente kijker van ‘Buren’ en droomde er als bewoner van een alleenstaande woning van om ook net zoals in de soap bij elkaar te kunnen aankloppen als je daar zin in had. Vrienden die in een wijk woonden, deden dat ook. Ze lieten zelfs de achterdeur voor elkaar open. Sinds ik hier woon, stel ik me wel meer open. Maar sinds ik buren heb, ben ik eenmaal thuis gesloten.



(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 22/06/18)

maandag 18 juni 2018

TINE ZIET (122): Beet


Elk jaar nemen ze me in de maling. Elke zomer voel ik me een of andere hoofdprijs: dekselse insecten nemen mij dan ook behoorlijk beet. Alhoewel dat het tot nu toe eigenlijk wel meeviel. Zondag paste ik opeens in geen enkele schoen meer. Een reusachtige geïnfecteerde bult op mijn wreef zorgde er bijgevolg voor dat ik noodgedwongen thuisbleef. Meer nog: het snode rode heuveltje kluisterde me eigenlijk ook aan bed. Al is dat natuurlijk overdreven. Blootvoets in huis kan zonder enig probleem. Maar omdat dit zo hard gejeukt had ’s nachts, had ik amper geslapen en was ik hondsmoe. Een dagje platte rust: het doet een mens vaak goed. Met de ramen open hoorde ik mooie flarden zomer. Dankzij die spin of mug deed ik nog eens aan bingewatchen en sliep gaten in deze lentevolle dag. Ik zou Moeder Natuur dus eigenlijk op mijn blote knieën moeten bedanken.  Zonder haar was ik deze week wellicht ingevlogen met een lege batterij.  Dat ik die later die avond toch op mijn pantoffels naar de frituur gleed: wie kan dat wat schelen? Wordt dat in mijn stad nog opgemerkt, eigenlijk?

Nu, om me troosten voel ik me vaak een dromerig personage in mijn eigen fantasieroman. Natuurlijk had ik niets liever gehad dat één of andere prins me was komen schaken naar zijn luchtkasteel . Zolang ik mijn muiltjes maar in de kast mocht laten, zou ik me voorbeeldig gedragen. Een lome zondag doorbrengend in zijn prinselijke hangmat terwijl hij vruchten in mijn mond propte of koelte toewuifde, was precies iets dat op dat lijf van mij geschreven was. Zucht, die prinsen willen na die jaren maar niet bijten. En als ze al durven bijten, bijten ze vaak op het verkeerde moment. Op een moment waarop ik op hen gebeten ben.  In feite zijn insecten geniepige prinsen, zo moet ik het maar eens zien. Ze houden me soms in mijn toren gevangen en als ze me bijten, is het toch hun manier van zoemend gaarne zien. Trouwens, wie droomt er deze dagen nog van prinsen? Zijn dat nog echte hartelijke helden? Ik moet mijn fantasiebeeld dringend eens van een update voorzien. Dat er dan een tijd van lang en gelukkig is. Misschien.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 15/06/18)

woensdag 13 juni 2018

Zomerproject: Buurtturen



Vorige zomer zette Tine Moniek eigen lof in de kijker. Het jaar daarvoor de bloemen. Deze zomer komt ze weer op bezoek met een loftrompet. En dit keer: retteketet met een hommage aan je buurt!

Dit idee vloeit voort uit de specifieke vraag uit de Parkstraat vorig jaar om voor hun straatfeest twee gedichten te schrijven, de raamgedichten voor Reckebilck, de fijne buurtervaring in de Serafijnstraat en het algemeen succes van Dag van de Buren, gevelbankjes... Er is in deze tijden hoge nood aan een steviger buurtgevoel.

Zoals de trouwe fans weten, is het 39-jarige levensjaar van Tine, het jaar van de uitdagingen. Ze klaagt vaak dat ze haar buren niet kent. Op zondag 24 juni daagt ze zichzelf uit om minstens twee stoelen buiten te zetten. Eén voor haar en één voor wie naast haar wil komen zitten. Het lijkt heel simpel, maar simpel is het niet. Kom haar gerust gezelschap houden, breng een stoel en eventueel je eigen drankje mee. Kom haar straatgedicht voor Lilium lezen en leer samen met haar haar buurt nog beter kennen.

Deze zomer daagt ze jullie uit hetzelfde te doen! Nodig Tine uit om samen voor je huis te zitten, met minstens 1 extra stoel erbij. Tuur naar je buurt en geraak aan de babbel. Na dit event, schrijft Tine een gedicht, waarin ze zich inspireert op wat er te zien en te beleven was. Ze wil dat (net als vorig jaar) op je raam komen schrijven, maar kan eventueel ook voor een papieren versie zorgen, die je als affiche op je raam kan kleven, indien je liever iets blijvends wil.

 Let wel: het gedicht krijg je deze keer dus later.

 Dit project loopt weer een hele ruime zomer (van eind juni t.e.m. september). Niet alleen in Menen. Het moet alleen te regelen zijn qua vervoer. Wees er als de kippen bij om samen met Tine naar je buurt te turen. En andere uitdagingen kunnen er gerust nog bij