maandag 19 februari 2018

TINE ZIET (105): Lente?


Ook al viel er laatst een wit mager lakentje over onze stad: lente hangt al ongedwongen in de lucht. De hemel kleurt opvallend blauwer. Vogels fluiten luider. Dagen zijn minder donker omdat er meer en langer licht naar binnenvalt. Dat is te merken aan een gezicht, een lijf, een hart. We lopen weer meer gericht met de blik naar boven in plaats van naar de grond. Of is dat slechts schijn? De pessimist in mij, zorgt er gelukkig nog altijd voor dat ik een hondendrol aan mijn zool kan vermijden. Wat liggen er trouwens weer een hele hoop te stinken op het trottoir! Een wandelingetje langs de Benediktinessenstraat is bijvoorbeeld een waar hindernissenparcours! Maar goed, ik wou het over lente hebben. De ontluikende narcissen en krokussen. De eerste echte tulpen in een vaas. Alles lijkt opnieuw te beginnen. Er kan weer van alles naar hartenlust ontstaan. Daarom komt het misschien extra hard aan als iemand dan opeens ophoudt met bestaan.

Als de dagen langer worden, heb ik opeens meer zin om vreemde pasjes te maken op straat. Soms loop ik dan onbekommerd te neuriën. Ik voel me zelf een tulpenbol. Maar dan lees ik weer de nieuwsberichten over diefstal en brandende auto’s.  Een etalage die zomaar wordt ingeslagen. Dan zie ik mezelf weerspiegeld in de etalages van de leegstaande winkelpanden op mijn weg en schud mistroostig mijn hoofd. In een tijd van bloeien, bloeit er momenteel zo weinig in mijn stad.  Schijn bedriegt natuurlijk. Het is nog lang geen lente. Het duurt minstens nog een maand. Maar zou echt alles tegen dan zijn opgeklaard?

De laatste dagen zie ik dikwijls een vrouwtje wandelen door de straten. Ze lacht vrolijk, groet vriendelijk en steekt steevast een duim omhoog. Eigenlijk is dat mooi. Ze lijkt een beetje op de lente, maar dat is natuurlijk ook bedrog.  Er overwintert vast een of andere ziekte in haar die ik met mijn kinderlijke naïviteit niet ken.

Als de zon schijnt, zie ik de dingen nu eenmaal mooier. Dan zie ik wie vertrok, zachtjes drijven in de witte wolken. Dan zie ik mooie dingen broeien achter de luiken van mijn stad. Dan filter ik de schoonste beelden op z’n scherpst.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 16/02/18)

maandag 12 februari 2018

TINE ZIET (104): Stipt


Er wordt veel ingegeven met de paplepel. Een blik in de ogen of een voorkeur voor laat te gaan slapen. Aanleg tot overgewicht en aritmische bewegingen in het bekken. Wat in onze familie jammer genoeg ook zeker in het doorgeefluikje zat, was een altijd en eeuwig te laat komen. Bussen missen, een lege speelplaats overlopen, … Het klinkt mij allemaal heel erg vertrouwd. Gelukkig is dat iets waar je kan aan werken. Het vergt veel, maar het kan lukken om stiptheid toch aan te leren op de duur. Als er deadlines worden gesteld, haal ik die meestal wel. Niet een week op voorhand, maar gewoon stipt.

Toch gebeurt het natuurlijk wel nog eens dat dat ik-kom-te-laat-gen toch de kop opsteekt. Zo moest ik me onlangs inschrijven voor een personeelsfeest waarbij ik vier dagen daarvoor ingeschreven moest zijn. Te laat is te laat, ook al was hier meer sprake van vergeten. Gisteren belandde ik na een betogingsactie van het DKO in Torhout hongerig in een restaurant. De keuken was al een dik kwartier dicht. Gelukkig zag de bazin mijn kwijlende pruillip en bood me een bord dampende spaghetti aan, dat me ongelooflijk smaakte. Ik ben haar daar dankbaar voor. Mezelf kennende had ik me anders volgestouwd met koekjes. Na meer dan twee uur treinen en stappen in de ijzige kou was ik wel toe aan een maaltijd. Ook hier was ik niet echt te laat: ik had geen trein vroeger kunnen halen.

Meestal lukt het me dus. Elke morgen check ik deadlines die ik die dag moet halen. Vandaag zijn dat: dit stukje schrijven, de laatste nieuwjaarswensen schrijven en betalingen verrichten. En het zal me lukken. Behalve dan die nieuwjaarswensen. Ik gok dat het krokusbrieven zullen worden.
Het doet me telkens deugd om een deadline te doorstrepen en te bedenken dat ik het haalde. Ik geef me daar de laatste weken veel schouderklopjes voor. En toch weet ik het zeker: mijn evaluatiefiches zullen pas op tijd klaar zijn, ochtendvergaderingen zal ik nét op het nippertje halen maar voor vakantie ben ik altijd ruim op tijd. In gedachten ga ik al niet meer naar school en hoor mijn directeur zeggen: “Veel te vroeg, Tine, maar dat is goed!”


(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 09/02/18)


maandag 5 februari 2018

TINE ZIET (103); Podium

Afgelopen week was het gedichtenweek. Deze keer lanceerde ik niet een of ander project en schreeuwde de poëzie eens een keertje niet van de daken. Ik doe dat eigenlijk al vaak genoeg. Ik schreef een raamgedicht op mijn eigen raam, schreef op aanvraag maar in alle stilte 11 gedichten voor Residentie Marie Astrid, liet mijn leerlingen gedichten schrijven en gaf een workshop in Roeselare. Nochtans zorgde het thema van dit jaar voor extra feest: theater!

Zonder de befaamde theaterplanken was ik namelijk nooit geworden wie ik nu ben. Ik bloeide er op open en durfde ineens dingen te doen die ik zonder spotlight niet zou doen. Dat is het mooie aan mijn job. Ik kan leerlingen hetzelfde laten ervaren. Zaterdag traden dertig leerlingen van me op in GC ’t Forum. De voorbereidingen en de generale repetitie zijn altijd een beetje doodgaan voor mij. Ik durf dan wel eens te roepen en te panikeren. Maar eenmaal de leerlingen op het podium staan, laat ik ze los. Dit keer was zowaar de allereerste keer in mijn hele juffenbestaan dat ik de voorstelling vanuit de zaal (en niet vanuit de coulissen) en in een ontspannen modus kon gadeslaan. Het deed me deugd de stille bloempjes te zien opengaan. Het deed me plezier om het plezier te zien en hun onvoorwaardelijk enthousiasme. Ook keek ik af en toe eens stiekem naar het publiek dat ook zat te glunderen.  De gezichten van de leerlingen en de ouders waren als het ware stuk voor stuk gedichten die ik graag las. ‘s Avonds ging ik met een vriendin in Wachtebeke luisteren naar gezongen poëzie. Gedichten van Jotie T’Hooft en Arthur Rimbaud waren op muziek gezet door Derek en Renaud. Alweer gedichten op de planken dus.

Zondag zat ik onverwacht in ‘Oorlog en vrede’, het massaspektakel van de Rotary Club in CC De Steiger. Wat ik zag was een mooie samenwerking op de planken. Wat ik hoorde was een bad vol klanken. Decorbouwers, muzikanten, zangers, koor, acteurs en figuranten trokken overduidelijk aan één zeel. En dat kan niet anders dan een poëtisch hart verwarmen. 

Hoogdagen dus voor wie poëzie, net als ik, niet alleen op papier wil lezen maar gewoon wil horen en zien.




(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 02/02/18)

maandag 29 januari 2018

TINE ZIET (102): Tien minuten te vroeg

Vanochtend moest ik in Wervik zijn voor een afspraak in GC ’t Forum. Ik was een tiental minuten te vroeg en besloot die tijd in te vullen met een korte wandeling aan de Leieboorden. Nog niet zo heel lang geleden was ik beslist tien minuten te vroeg op de meeting verschenen want tijd moet vooruitgaan en laat je toch niet door verstilling verspillen?  Toch besloot ik vandaag van die extra tijd gebruik te maken om gewoon naar het water van de Leie te kijken. Ik noemde het in mijn hoofd ‘oplaadtijd’. Het werkte. Even verdween de chaos van de dag met de weerspiegelde bomen in het water.

Er lag een boot aangemeerd. Misschien ligt die er altijd. Dat weet ik niet. Opeens zag ik mezelf al op die boot wonen terwijl ik eigenlijk als de dood ben voor diepte onder mijn voeten. Ik heb nog steeds geen vertrouwen in water en geloof nog altijd niet dat het me gelukkig kan laten wiegen. Mijn gedachten gaan na die jaren in de eerste plaats uit naar spartelen en naar adem happen. Al heb ik me afgelopen zomer meer en meer weer leren drijven. Waarom leek die boot me opeens een heerlijk onderkomen? Was er wat bijzonders aan die boot? Nee. Het was een doodgewone boot. Ik kan me trouwens voorstellen dat ik zeeziek zou worden van het afdalen van de trapjes naar het woongedeelte alleen al. Waarom dan toch stelde ik mezelf voor op dat schip?

Wellicht omdat het me een ideale plek leek om alles wat te ontvluchten. 
De dagen rijgen zich tegenwoordig aaneen in een vliegende vaart. Het jaar is nog maar begonnen en het laat me nu al naar adem happen. Ik zal daarin toch niet de enige zijn? Ik heb natuurlijk gewoon mijn eigen redenen, net als ieder ander. We willen toch met z’n allen meer een plek om tot rust te komen? Een plek waar geen wolven zijn of andere nieuwsfeiten ons de stuipen op het lijf jagen. Of een oord waar de storm niet huis kan houden. Een eiland waar geen tijd bestaat om ons op te laten jagen. Een tijdelijk onderkomen om uit te blazen van al die vliegende vaart.

Gelukkig heeft de natuur en haar schitterende landschappen, als je je erdoor laat verrassen, af en toe zo’n heerlijke plek voor ons bewaard.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 26/01/18)



Gedichtenweek


Op vraag van Residentie Marie Astrid in Menen schreef ik voor de Gedichtenweek 2018 11 gedichten. Geïnspireerd op foto's van de bewoners. Ook kreeg ik enkele kernwoorden die bij de persoon op de foto pasten. 

Uiteindelijk werden het 11 gedichten over ouder worden.  Die gedichten werden in de gang opgehangen tot een gedichtenwandeling. Hier enkele sfeerbeelden als bewijs.




donderdag 25 januari 2018

Gedichtendagraamdicht 2018


Wie een gedicht wil leren lezen,
begint het best met een gezicht.

Hoe kijkt het? Hoe lijkt het?
Blinkt het zichzelf te kijk?
Of lijkt het in plooien te verdwijnen?
Bedenk een reden en wandel verder.

Na het gezicht komt het uitzicht.
Stap erin en los erin op!

Ontroert het? Kietelt het?
Voelt het als een jas die past?
Verzin een weg naar huis terug.
Dat lukt altijd, wees niet bevreesd!

Et voilà!
Van een landschap naar een ruiker letters
is nu een hele kleine fijne stap!


Tine Moniek
Gedichtendag 2018

maandag 22 januari 2018

TINE ZIET (101): Gevogelte

Op zaterdagochtend werk ik in Menen. Sinds enkele weken heb ik de gewoonte om te voet te gaan werken die dag. Daarvoor deed ik dat op de fiets. Het ritueel van dat wandelen maakt me wakkerder. Ik geniet van dit vroegemorgenmoment. Ook al ben ik helemaal geen vroege vogel. De stad wordt op zaterdagmorgen door een mooie rust bedekt. Meestal is het 8u15 als ik bij het Vander Merschplein ben. De stilte bevangt me steeds. Tot op het moment dat er een zwerm kauwen door het zwerk klieft. Ze klieven natuurlijk niet echt, ze vliegen. Maar het geluid dat ze maken, doet me denken aan pikhouwelen in de lucht. Zeker met mijn lijf dat nog liever in eendendons zou liggen.  Daarnaast hoor ik ook kraaien en andere vogels. Af en toe het rolluik van een wakkere bewoner. Mijn voetstappen en het geklepper van mijn tas. Veel meer hoor ik op die schrale winterochtenden niet.

Zaterdag viel het me op dat hoe meer ik mijn werk naderde, de geur van een ander soort gevogelte mij vergezelde: de geur van gebraden kippetjes op de markt. Het was me eigenlijk nog niet eerder opgevallen. Nu zat de wind goed of mijn reukorgaan had misschien een topdag. In mijn gedachten zag ik evenveel kippenkonten als ik al vogels had gezien, draaiend aan het spit. Zelf koop ik nooit spitkip. Al doet de geur natuurlijk watertanden. Ook op een doordeweekse ochtendwandeling naar het werk en kan ik me niet voorstellen dat ik het op dit tijdstip zou kunnen naar binnenspelen.

Terwijl ik in die marktlucht de academie naderde, bedacht ik dat ik nooit eerder had stilgestaan bij het aantal veren in een ochtend. Men heeft het altijd over goud maar op zaterdag vliegen als het ware toch heel veel pluimen in mijn mond. Het eerste lesuur kwam trouwens geen kip opdagen. Dat maakte van mij een chagrijnige en nukkige barbarie. Gelukkig kwamen daarna de andere leerlingen de klas wel binnengefladderd. De een al wat kwetterender dan de ander. Wat ervoor zorgt dat zo’n vroege werkdag altijd weer voorbijvliegt.


(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 19/01/18)