maandag 18 maart 2019

TINE ZIET (159): Party


Wat zouden wij, Menenaren zijn zonder feesten? Terwijl het afgelopen zondag zo hard woei, beleefde heel wat volk een schitterend eerste seniorenmiddag in de cafetaria van CC De Steiger en na komende carnavalstoet zal er weer confetti over de straten waaien.  Het ene feestrestje kleeft hardnekkiger dan het andere. Het zal de lezers niet verrassen als ik beken graag van de partij te zijn op feestjes. Al stuur ik toch meer en meer mijn kat. Soms past mijn feestjurk me gewoon wat minder. Als er plicht mee gemoeid is bijvoorbeeld. Feest is niet iets wat zou moeten. Ook valt de dag na zo’n party mij almaar minder goed. Ik overweeg meer en meer niet te feesten omdat mijn agenda me waarschuwt voor de verplichtingen de volgende dag. Daarnaast is rustig thuis zitten ook zo nu en dan gewoon heel fijn.

Anders is het als je niet naar partijtjes kan omdat er geen centen zijn. Bijgevolg geen cadeautjes kan kopen voor de jarige. Of een hapje voor de gasten. We konden het vorige week lezen hier. Armoede in Menen is nog steeds te groot. Het blijft hangen in mijn hoofd dat een moeder frikandellen moet kopen in plaats van fruit. En ook al klinken die feestelijk, heel af en toe, de reden dat je ze koopt, zou niet mogen zijn dat je er langer kan van eten dan van appels. Bedroevend voor een feeststad. Dat er zoveel verdoken frikandellen zijn.

Maar zondag is er een gratis optocht dus. Met luide muziek. Met dansjes. Met veel kleuren. En met kinderen die snoepjes uitstrooien. Sommige inwoners vinden het een vloek. Anderen een zegen. Zelf weet ik het nog niet zo goed. Wellicht hangt het gewoon van het weer af. Wie weet komen jullie me tegen. Ik zal verkleed zijn als mezelf. Er zullen ook draaimolens zijn en hamburgers. Ambiance op de terrasjes. Daar moeten we dan wel weer voor betalen. Hoe je het bekijkt, een feestneus kost meer geld dan dat erbij te rapen valt. Dat is in feite jammer. Een lach op je gezicht kost niets en oh, wat knapt een mens ervan op.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 15/03/19)



maandag 11 maart 2019

TINE ZIET (158): Blaam


Zaterdag trok ik met enkele leerlingen naar het Flageygebouw in Brussel alwaar ze een workshop in de radiostudio van BRUZZ kregen. Na het harde werk aten we nog een pizza en reisden daarna met de trein terug. Omdat ik in vakantie- maar ook in vermoeidheidsmodus was, vergat ik mijn Railpass in te vullen. Het was pas in Gent dat ik het besefte, toen de conductrice de treincoupé binnenstapte. Ikzelf en één van de leerlingen reageerden eerst nogal laconiek maar ze reageerde streng. Gelukkig kreeg ik geen boete, wat ik misschien wel verdiend had. Ze nam mijn Railpass, omcirkelde dat ik de gegevens voor het instappen moest invullen en zette een groot uitroepteken op de kaart. “Een blaam als verwittiging voor mijn collega’s,” zei ze. “Opdat je het nooit meer zou doen!” Toen ze vertrokken was, lachten leerlingen en ik om die sanctie. Al lachte ik wel wat groenig. Ik voelde me zo’n bedremmeld kind dat voor de hele klas een preek krijgt omdat het een reserveonderbroek vergeten is.

Het is ongelooflijk hoe jong ik me als kersverse veertiger nog kan voelen. Op de vingers getikt worden. Op een fout gewezen worden. Ook al is het terecht: ik zou als het ware zo in mijn moeder terug willen kruipen. Het is betrapt worden met je hand in de snoeppot. Het is gesnapt worden bij het spieken. Het is de deurbel die rinkelt als je nog in pyjama zit. Het is geflitst worden tijdens te snel rijden. Het is wat het is. Ook al besefte ik op het moment niet eens dat ik iets fout deed, ik doe de dingen absoluut niet graag verkeerd. Ik ben zo’n kneuterig vrouwtje dat de regels gewoon op wil volgen, niet alleen om de dingen goed te doen: schuldgevoel voor mij weegt gewoon te veel. Zelfs kleine futiliteiten vallen mij soms ontzettend zwaar.

Gisteren zag ik een moeder haar zoon een pak rammel geven zomaar op straat. Die pak rammel had hij blijkbaar dubbel en dik verdiend omdat hij commentaar had gegeven op haar vraag. Ik heb me er niet mee bemoeid, maar ik bedacht dat er zoveel verschillende gradaties in blamen bestaan. Wie op z’n plek wordt gezet, schaamt zich soms tot onbestaand.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 08/03/19)


zondag 10 maart 2019

Hoe ik mijn eerste verbouwing overleefde:

Een appel die op de grond gevallen is. Zo kreeg ik mijn badkamer toen ik inmiddels zeven jaar geleden mijn huis kocht in Menen. Vochtinjecties konden niet verhinderen dat de natte vlekken groter werden. En er werd almaar niets gedaan. Er begonnen zich schimmels te ontwikkelen. Het licht werkte niet meer: ik kende mijn badkamer al jaren op de tast. De deur sloot zich niet meer. De kamer werd een rotte appel. Ik herinner me dat de praatgrage dochter van een vriendin op een zomerdag in mijn badkamer stond voor een emmer water. Ze keek me met grote ogen aan en zei: "Wat is dit voor een plek?" Uiteindelijk begon ik me enorm te schamen. Schaamte is in mijn geval ook iets dat groter wordt. Er moest iets gebeuren. Maar hoe begin je daaraan? Verbouwen is een veel te groot grote-mensen-ding om alleen te dragen. Toch op mijn schouders. Die zijn lichtzinnige projecten gewoon. Geen serieuze renovaties!


Toen ik in de Leiedraad, het maandelijkse magazine van mijn stad, las dat alleenstaanden in sommige gevallen voortaan recht konden hebben op een renovatiecoach, bedacht ik dat dat misschien mijn schop onder de kont kon zijn.  Ik nam contact op en kreeg een coach te pakken die uiteindelijk vertrok. Ik kreeg een nieuwe die veel te druk was en wellicht veel dringendere projecten had. Enfin: ik kreeg na maanden een planning van de uit-te-voeren werken en de daarbij horende kosten en contacteerde Fré omdat dakwerken een grote hap in de planning bleek. Hij bekeek de planning en wou me helpen. Meer nog: we besloten dat hij in feite mijn coach zou worden. Plan was een gloednieuwe badkamer maken in de kamer boven die ik amper gebruikte en een toilet in de keuken te installeren, zodat bij een volgende verbouwingsfase mijn oude badkamer helemaal uitgebroken kon worden en ik op die manier een grotere koer kreeg.

Hij plande de werken in bij begin december en ik begon beetje bij beetje mijn huis daarop te voorzien. Maar wist ik veel waaraan ik me precies zou moeten verwachten...  De hele volgestouwde kelder moest leeg, meubels verplaatst,... Als het over grote-mensen-dingen gaat ben ik echt wel een naïef besje. In een week is alles wel klaar, bedacht ik zelfs.

Begin december kreeg ik op zondagavond telefoon van Fré: op maandagochtend zouden de werken beginnen. Stof. Vroeg opstaan. Geen rust meer in huis. Aangezien ik werk op uren waarop werkmannen naar huis vertrekken, kon ik het alleen maar ontvluchten. Alleen mijn slaapkamer was nog van mij, al was die nu ingepalmd door mijn kat Frieda die daar haar toevlucht zocht. Ik moest haar daar zelfs opsluiten, zodat ze niet door openstaande ramen en deuren vertrok. Ik liep rond als een verfrommelde opgedroogde dweil: chagrijnig en moe. Ik zeurde en zeurde. En hoe!

Opeens moest ik een vloer kiezen. Badkamertegels. Ik ging op aanraden van een vriendin in de toonzaal in een bad gaan liggen om te zien of het wel om mijn lijf zou passen. Het ging opeens wel snel en veel kans op piekeren was er niet. Ik had nog nooit een vloer moeten kiezen. Opeens moest ik rekening gaan houden met wat bij elkaar zou moeten passen als ik het bij elkaar zou kunnen zien. Tegen de kerstvakantie had ik mijn bad.  Er waren nog wat werken te doen, maar wat was ik al blij met dat bad! Saskia kwam raamfolie plakken, zodat ik schaamteloos in bad kon. Spulletjes werden gekocht om de kamer meer te vullen. Alles moest ineens met een vloer en tegels passen. Ik had drie dagen nodig om mijn bibliotheek af te stoffen. Ik besefte ineens dat ik ook zou moeten schilderen als de werken helemaal klaar waren.





Er werd soms op zaterdag wat bijgewerkt: ventilatiesysteem, badkamermeubel geïnstalleerd, elektriciteit aangesloten. Ik zag het beetje bij beetje vooruitgaan: maar we waren er nog steeds niet. Vier dagen voor ik veertig zou worden, begonnen de werken opnieuw. Ik zat met een heleboel deadlines op het werk en maakte van de vroege uren gebruik om heel veel voor school te werken op mijn zolder. Kasper-Jan heeft me amper gezien. Ik zette een thermos koffie voor hem, maar dronk zelf de meeste tassen leeg. Op de dag van mijn verjaardag startte hij wat later en iets voor de middag legde hij mijn reservesleutel op tafel. Op een stopcontact na, helemaal afgewerkt. Oef!

In de krokusvakantie konden de schilderwerken beginnen. Ook hier dacht ik met twee dagen klaar te zijn: ik heb een klein huis, bijgevolg ook een kleine badkamer. Maar ook hier sloeg ik de bal natuurlijk mis. Verf moet drogen in lagen. Dat scheen ik even vergeten te zijn. En wat zuigt een muur! Gelukkig kreeg ik hulp van Maïté anders had ik misschien zelfs geen moed gehad eraan te beginnen.

Na vier dagen calorieën verbranden werd ik meer en meer schilderij. Wat ik had gekozen paste perfect bij elkaar. Is het af? Nee! Er moet nog worden afgewerkt. Beneden zal ik nog enkele uurtjes werk hebben. Ook de schuifdeur van de badkamer is nog niet af. En intussen neem ik ook het gangetje boven mee. Ik zal er mijn tijd voor nemen: afwerken met precisie vraagt concentratie.
De wasmachine moet nog naar boven. Maar wat is mooi! Het mooiste plekje in mijn huis! Ik ging er al op intergalactisch avontuur met een verjaardagsbruisbal. Ik kreeg een badkamerorchidee! Van de Figurettes kreeg ik relaxerende tao-badmomenten cadeau! Mijn badkamer is absoluut mijn favoriete plek! Smaakt dit verbouwingsavontuur naar meer?

Voordat ik alles hier gaan wil verbouwen, neem ik nu mijn zondag. Er volgt nog een factuur.
Fase twee en drie en vier. Voor later!

Bedankt voor wie me steunde en voor me zorgde in deze meest ingrijpende hectische uitdaging! Wat een ongekende rust!

















maandag 4 maart 2019

PONTEM: wandeltentoonstelling



Via Cultuurcentrum De Steiger en Karel Waignein kreeg ik de expositie 'Pontem' cadeau. Teksten die ik in 2017 voor Barak Futur naast portretten van Karel schreef, werden vanaf 23 februari drie weekends tentoongesteld op vijf locaties in De Barakken.

Nog één weekend de kans om deze interactieve dichtbundel te lezen! De locaties zijn open van 14u tot 18u. 

Spreek me gerust aan voor meer info!

TINE ZIET (157): Gezichten


We kennen het ongetwijfeld allemaal: we lopen in bijvoorbeeld een warenhuis en opeens lijkt iemand je te herkennen. Hij of zij steekt de hand op en zegt joviaal: “Dag!” en daarbij de vermelding van je naam.  Dus het begroeten is geen toeval. Jij weet in de verste verte niet meer waar je dat gezicht moet thuisbrengen en dus zeg je maar een naamloze “Dag!” terug. Het hele verdere uur vis je in je gedachten naar herinneringen van dat hoofd. Heel soms durf ik het zeggen. Dat ik de naam vergeten ben. Met excuses. Meestal reageert men dan heel erg ontgoocheld. Dus ik doe het niet altijd. Vaker speel ik vals en zwaai enthousiast terug met een gespeelde blik van herkenning. We krijgen al genoeg ontgoochelingen te verwerken, bedenk ik dan. Altijd komt de naam na wat gepieker bovendrijven, want ik heb een zwak voor gezichten.

Zondag bezocht ik de tentoonstelling ‘Buiten Beeld’ van Dirk Steppe in het Stadsmuseum. Zoveel ogen keken mij indringend aan, alsof ze mijn naam daarbij fluisterden. Schilderen is sowieso een kunstvorm waar ik veel bewondering voor heb, maar ogen schilderen is toch nog een stiel apart, vind ik persoonlijk. Laag per laag trekken ze de aandacht naar zich toe. Blikken waar ik in het normale leven aan voorbij zou lopen, omdat ik daklozen en asielzoekers eigenlijk nooit in de ogen durf kijken, beklijven en manen me aan terug te staren en de mens bij die blik te zien.  Bij die mens hoort overduidelijk een ziel. Je zou willen zeggen: “Dag Georges! Hoe gaat het?” Eenmaal thuis besef je dat je de naam alweer vergeten bent. Zonde is het. Ik zal teruggaan en ze opnieuw in de ogen kijken tot ze bekenden voor me zijn.

Anders is het bij de tentoonstelling ‘Pontem’ van Karel Waignein. Daarin staren bekende gezichten, zelfs die uit supermarkten, me aan. Ik moet soms denkbeeldig de schmink afkrabben om ze te herkennen. Eenmaal oog in oog, word ik ook door de blik aangezogen. We zouden het meer moeten doen: gewoon stilstaan en onze ogen laten spreken in plaats van onze woorden.  Gezichten zeggen zoveel meer.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 01/03/19)

maandag 25 februari 2019

TINE ZIET (156): Missen


Dat februari extra weegt voor mij heeft eigenlijk niets te maken met mijn verjaardag. Al maak ik mezelf dat wijs. Ook Valentijn zit er met zijn pijltjes en flutboog voor niets tussen. Het is de maand waarin mijn vader stierf. Mijn vader was geen god. Levend plaatste ik hem zelfs te weinig op een voetstuk. Elk jaar weer herbeleef ik soms bewust, maar vaak ook onbewust, die laatste weken. Logisch. Dat proces was voor mij de meest intense periode in mijn leven.  Ik weet heel goed dat ik lang niet de enige ben met een gestorven vader. Iedereen mist wel iemand: een zus, een partner, een kind, …  Wie je ook moet missen, als het iemand is waarvan je hield, bestaat er geen vergelijking in de leegte die men achterliet. Het verdriet slijt misschien wel op de duur, maar het missen blijft.

Zondag zat ik in de kerk en herdacht met veel anderen een vriendin die veel te vroeg vertrok. Daarna vierden we met mijn gezin het feit dat mijn vader tachtig zou zijn geworden als hij niet acht jaar geleden zijn laatste adem uitblies. Wie je mist, wordt niet vergeten. We zaten er niet meer met de zakdoek bij maar ik doe mijn best om over hem te blijven spreken zodat de kleinkinderen niet vergeten. Vers gemis zorgt natuurlijk voor groot verdriet. Maandagochtendvroeg liet een leerlinge per sms weten dat ze die avond niet naar de les zou komen, omdat ze te overmand was door verdriet wegens het plotse verlies van een vriend. Missen is van alle tijden. Zaak is om het een plaats te geven en het niet onder tafel te vegen. Je hoeft het niet zoals ik met dit schrijven of met foto’s op sociale media onder iemands aandacht te wrijven. Maar het mag. Verwerken doe je op jouw manier. Vaak helpt het door gemis te delen.

Dat gemis niet altijd loodzwaar hoeft te zijn: dat wil ik ook nog kwijt. Nu de lente wat begint te kriebelen, wandelde ik zondag alleen langs de oever van de Leie en gleed even terug naar mijn kindertijd. Een kind zou ik niet meer willen zijn, begrijp me niet verkeerd, maar toen niemand keek, huppelde ik mezelf giechelend even weer aan mijn vaders zij.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 22/02/19)

maandag 18 februari 2019

TINE ZIET (155): Kat


Onlangs kocht ik een paar nieuwe dekbedovertrekken omdat ik opeens bedacht dat wakker worden in een andere kleur me wellicht wel eens goed zou doen. Mijn lieveling is ongetwijfeld het gele. Het scheelt inderdaad enorm. Vooralsnog lijkt het me energie te geven. Al is dat wellicht klinkklare onzin. De stof voelt nu nog heel erg aangenaam. Mijn kat Frieda is ook fan. Maar ik laat haar zelden bij me in bed. Vandaag mag ze. En dat komt zo.

Toen ik deze ochtend wakker werd, lag ze niet op haar vertrouwde plekjes. Bij het roepen kwam ze niet opdagen. De schrik sloeg me ineens om het hart. In mijn hoofd zag ik mij haar ergens met een zaklamp vinden om haar daar op te moeten ruimen, vegen zelfs. Want een kat die niet komt, belooft nooit veel goeds. Opeens bedacht ik dat ik gisterenavond heel even de achterdeur had opengelaten voor een donatie aan mijn vuilniszak. Mijn kat is het niet gewoon om buiten te komen, sinds haar avonturen meer dan zes jaar geleden. Toen liet ze zich herhaaldelijk binnensluiten in een buurhuis dat men renoveerde. Ook mocht ik ze toen eens ophalen in het asiel. Sindsdien heeft ze een heilige schrik voor buitenlucht.  Ze haalt af en toe een frisse neus, maar verder gaat ze niet. Ze begint trouwens op een dramatische manier te miauwen buiten en lijkt dan een echte sirene.

Om het verhaal in deze stukje te laten passen: ik heb haar dus per ongeluk buitengesloten. Ze zat deze ochtend op het dak van de buren en liet haar sirene volop horen toen ik haar riep. Gelukkig voor mij hoefde er geen ladder of ander klimwerk aan te pas te komen, ze kon zelf naar me toespringen. Maar nu lees ik dat er deze nacht een grote elektriciteitspanne was in Menen. Ik lees over alarmen die loeiden, over klokradio’s die niet wekten of mensen die om half zeven wakker schrokken van alle apparaten die opeens weer werkten. Ik vrees dus een beetje dat mijn kat daar voor iets tussen zat. Ja, het is maar een kat. Maar in nood maken die de raarste sprongen. Excuses voor de overlast alvast. Ik hoop dat jullie samen met kat Frieda goed bekomen.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 15/02/19)

TINE ZIET (159): Party

Wat zouden wij, Menenaren zijn zonder feesten? Terwijl het afgelopen zondag zo hard woei, beleefde heel wat volk een schitterend eerste se...