dinsdag 14 januari 2020

TINE ZIET (201): Alcohol


Inmiddels al meer dan tien jaar geleden hoorde ik het nummer ‘Menen’ van Wim Opbrouck en Els Dottermans. Het betreft een bewerking van het nummer ‘Jackson’ van Johnny Cash. Zelf had ik toen nog lang geen plannen om in Menen te komen wonen. Ik werkte er wel al maar stond eigenlijk niet echt stil bij de inhoud van het nummer. In het nummer zingen ze dat Menen een stad van zestienduizend cafés is. En ook dat Menen eigenlijk één groot café is. Overdreven vond ik dat. Sinds ik lid ben van de Facebookgroep ‘De cafés van Menen, Lauwe en Rekkem’ ben ik daar niet meer zo zeker van. Elke dag doemen nieuwe foto’s op van vroegere cafés. Fréderic Dehaudt gaat met die pagina in opdracht van CC De Steiger op zoek naar alle cafés in Menen. Maar hij verzamelt ook informatie aan de toog zelf met een heuse fichebak. En wat blijkt stilaan: Wim en Els hadden gelijk! Menen was ooit wel degelijk één groot café.

Had ik dat geweten… Nee. Ik hou van een fijn café. Het belang van een plek om samen te komen aan een toog is iets van lang geleden en blijft gelukkig bestaan. Als kind woonde ik in een gerenoveerd oud café. Oude inwoners kenden mij van ‘De Notendreve’, het kleine kroegje dat mijn grootmoeder ooit uitbaatte. Ook al stond die toog er inmiddels al jaren niet meer. De geest van de geestrijke drank waart er zelfs tot op vandaag nog rond. Een café spreekt tot de verbeelding: mensen vinden er een luisterend oor, troost, sappige verhalen, gezelschap, rust na een dag vol werk.

Hoewel de drankkaart almaar uitgebreider lijkt te worden, daalt het aantal cafés beetje bij beetje. Het rookverbod, de wetgeving, de stijging van de index, de gevaren en boetes die om de hoek loeren, het besef dat alcohol en autorijden taboe is, zorgen ervoor dat een Vlaming zijn tijd minder en minder aan een toog slijt. Voorlopig zijn er gelukkig nog stamineetjes genoeg voor al onze dorst. Al vraag ik me af, of dat zo zal blijven: jongeren verkiezen almaar een huiskamer en eigen drank. Jammer is dat wel. Wie schrijft dat betoog voor het behoud van barkruk en toog? Anders wordt onze stad misschien te droog.



(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 10/01/20)

zondag 5 januari 2020

TINE ZIET (200): Sneeuwdagen


Al een paar jaar op rij maak ik op 31 december de som van de fijnste herinneringen van het jaar. Ik doe dat dan letterlijk met mijn zakagenda naast mij, overloop dan het hele ding en herbeleef op die manier heel veel. Vaak schrik ik van de drukte van het afgelopen jaar. Dat één klein boekje zoveel afspraken kan bevatten is eigenlijk niet te vatten. Doel hiervan is om zoveel mogelijk positieve dingen op een rijtje te zetten. Hoe ouder ik word, hoe groter dat andere lijstje namelijk zou zijn, mocht ik het maken. Voorlopig begin ik er niet aan de slechte herinneringen op te schrijven. Ik geloof dat het wel therapeutisch zou kunnen werken om die dingen ook te durven benoemen en die dan op symbolische wijze met een of ander ritueel te verbranden. Aangezien mijn ziel almaar zelfbewuster en spiritueler kleurt, zou ik me toch ook eens daaraan moeten wagen. Misschien denken veel lezers dat er in mijn hoofd alleen lichtheid schuilt. Zelfs veel zogenaamde maten associëren mij met positiviteit. Dat is gedeeltelijk waar, maar natuurlijk ook valse schijn: voor mij maakt een jaar ook veel onaangename buitelingen. Maar het loont de moeite om te fixeren op die herinneringen die zo mooi zijn dat je ze zou willen bewaren. Wat niet zo leuk was, blijf je automatisch tegen heug en meug dragen. Jaar na jaar. Steekt altijd wel ergens de kop op.

Wat me na het herbeleven van mijn agenda altijd bezighoudt, is het feit dat er zo weinig ‘lege’ dagen zijn in een jaar. Dat is natuurlijk mijn eigen schuld. Ik laat het nog te weinig toe om eens helemaal niets te doen te hebben. Alsof het misdadig is om een hele dag afspraakvrij te zijn. Laat ik ze maar eens inplannen: die dagen dat het volop mag sneeuwen voor mijn raam. Wie weet schrijf ik dan eindelijk eens mijn boek, bak een taart of kom ik aan het uitruimen van mijn kasten toe. Of nog beter: kijk ik door dat raam en zie hoe de wereld ook zonder mijn streberige acties gewoon verder draait.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 03/01/20)




maandag 30 december 2019

TINE ZIET (199): Uitbuikperiode


Als dit stukje verschijnt, zitten velen van jullie wellicht in de zogenaamde ‘uitbuikperiode’: de periode tussen alle feestdissen in. Het is de periode om schaamteloos in pyjama voor de televisie te hangen of om je in alweer een andere lossere outfit te wurmen voor één of andere receptie. We hebben ons via De Warmste Week van onze meest vrijgevige kant laten zien en nu is het tijd voor onszelf, vrienden en familie. Als kind bracht ik die dagen met mijn gezin door. Samen met mijn vader naar het circus kijken op televisie. Of naar een zoveelste herinnering van een jeugdfilm. Gezelschapspelletjes spelen met z’n allen. Restjes opeten. In een zetel moeten zitten die te krap is voor al die kinderbillen. Met buikpijn naar tante en nonkel rijden en misselijk thuiskomen omdat ik niet van de chips en andere rommel kon afblijven. Als je ouder wordt en geen gezin hebt, zijn die dagen misschien minder familiaal. Je ziet wel nog familie, maar minder intens. Toch blijft die ‘uitbuikperiode’ even gevaarlijk. Altijd wel ergens een feestje en natuurlijk is gebleken dat vrienden minstens even gul zijn met drankjes en hapjes als familieleden en dat zetels na al die jaren nog krapper worden. Of zijn het de billen?

Het is ook in die befaamde periode dat we voornemens bedenken. We gaan met z’n allen op de denkbeeldige of letterlijke weegschaal staan en maken de balans op. Er zullen weer gretig fitnessabonnementen en stappentellers aangeschaft worden. Na een teveel aan alcohol zal weer gezworen worden: “Een maand geen druppel meer!” We zullen het jaar 2019 een titel geven, dichtplakken en op zolder zetten en vol spanning een nieuwe doos plooien voor dat bijzondere jaar 2020. Of het effectief bijzonder zal worden, is nog raadselachtig. Maar ik wens het jullie toe. Omdat het leuker is om met verlangen naar iets uit te kijken. Zeker met een uitpuilende buik. En in een lege doos kan nog van alles passen. Maak er wat moois van! Omdat het kan.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 27/12/19)



maandag 23 december 2019

TINE ZIET (198): Feeëriek


Eerst en vooral wil ik van de gelegenheid gebruik maken om me uitgebreid te excuseren aan de inwoners van Wevelgem. Vrijdagavond had ik in een jolige bui op sociale media een foto gepost van de sfeervolle kerstversiering in het centrum, met daarbij de mededeling dat ik telkens aan ‘Het Meisje met de Eierstokjes’ denk als ik door het centrum van de stad rij in Feestperiodetijd. Daarop zijn heel wat reacties gekomen. Toegegeven: vooral van mensen die dit grappig vinden. Wat opvallend was, was dat ik niet de enige bleek met die gedachte. Anderen zagen er ook duidelijk een opmerkelijke vorm in.  Maar de wreedheid is natuurlijk dat iedereen nu anders naar die kerstverlichting zal gaan kijken. Zo ook jullie, beste lezers. Dat was natuurlijk niet de bedoeling. Kerstversiering moet niet geassocieerd worden met wat voor organen ook. Het is ronduit smakeloos om dit te doen en zet een domper op de gezelligheid die aan de Kerstperiode gelinkt wordt.

Ik weet het goed gemaakt… Zelf heb ik voor het eerst ook een assortiment aan kerstlichtjes in huis gehaald. De collectie groeit nog. In combinatie met theelichtjes, zorgt het ervoor dat ik een ongekende rust ervaar in mijn eigen woning. Zo had ik zondag zowaar moeite om uit huis te komen. Ik miste zelfs de fijnste kerstmarkt in mijn stad en zo ook veel vrienden. Niet eens uit luiheid of omdat ik me niet goed voelde, integendeel: omdat ik me te goed voelde in mijn eigen sofa. Ik beken hier open en bloot dat ik die knusheid in mijn veertigjarige bestaan nog nooit eerder in mijn eigen huis ontwaarde. Een verrassend unicum! Punt is: voorbijgangers kunnen die sfeer geheid beschamen daar ik geen rolluiken heb. Doemen in de schaduwen van mijn kaarslicht rare figuren op? Zit ik opeens een beetje als in een etalage in mijn kamerjas te kijk? Verpest het ook gerust voor mij. Al denk ik eigenlijk niet dat het me heel veel kan schelen. Nu ik behaaglijkheid op pantoffels ken, krijgt schaamte mij niet makkelijk meer klein.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 20/12/19)






dinsdag 17 december 2019

TINE ZIET (197): Krak


Elk jaar kiezen de lezers van de Krant van West-Vlaanderen hun KRAKS. Het gaat om mensen die hun gemeente extra doen schitteren. Ze doen dat vaak door middel van een groot hart. Het is een mooi initiatief, want elke gemeente heeft dergelijke mensen nodig. Zonder gezichten die een stad of een dorp belangeloos doen blinken, is het vaak een doffe bedoening.

Ik herinner me dat ik voor het eerst het woord ‘krak’ hoorde in de context van een compliment. Ik fronste toen mijn wenkbrauwen en kon in de verste verte niet geloven dat het wel degelijk om een loftuiting ging. Een ‘krak’ in het ijs is gevaarlijk en een ‘krak’ op een stoel is al helemaal pijnlijk. Ik begreep niet dat men niet ‘krok’ zei, want een ‘croque’ was indertijd iets voor op feestjes en klonk dus stukken complimenteuzer. Een kinderbrein maakt naïeve sprongen.

Nu is het een woord geworden dat ik te weinig gebruik. Het is zo moeilijk om te zeggen dat iemand eruit springt. Nog lastiger is het te benoemen waarin iemand uitblinkt. Zo gebeurt het wel eens dat ik moet jureren in andere academies. Tegenwoordig worden daar nog heel weinig punten gegeven. Men is ‘geslaagd’ of ‘niet geslaagd’. Een uitgebreide feedback is dan natuurlijk wel belangrijk. Maar één academie maakte er tot nu toe een erezaak van om elke leerling die afstudeert een zin toe te kennen, die dan wordt voorgelezen bij de proclamatie. Daarin moet de jury precies verwoorden waarin die ene leerling uitblonk. “Michiel blonk uit in durf!” “Cindy blonk uit in elegantie achter het klavier.” Bij sommige leerlingen is het heel moeilijk iets te vinden als je die slechts een twaalftal minuten aan het werk zag. Maar de achterliggende bedoeling is natuurlijk om alle afgestudeerden mee te geven dat ze allemaal in iets krak zijn na zoveel jaren. Op zich is dat natuurlijk wel een fijn idee. Het legt meer de nadruk op de goede kwaliteiten dan op werkpunten.

Misschien is het een oefening die we zelf vaker mogen maken: waarin blinken jouw familieleden en vrienden uit? En misschien nog belangrijker: “In welke tak ben je zelf een krak?”

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 13/12/19)

maandag 9 december 2019

TINE ZIET (196): Kerstgevoel

Hoewel het paard van Sinterklaas nog maar vers uit Belgenland verdwenen is, waaien de wapperende kerstmannetjes alweer olijk aan de ramen. De straten zien er weer knusser en gezelliger uit met de mooie kerstlichtjes en er wordt al gretig glühwein gedronken. Zelf verkondig ik al jaren dat ik wel van die sfeer hou, maar dat ik hem liever niet in huis haal. Toch betrapte ik me erop dat ik enkele dagen geleden aarzelde voor potten kerstbomen. Ik verkoos uiteindelijk om letterkoekjes en marsepein te kopen en me nog even denkbeeldig aan de baard van de Sint vast te klampen. Vreemd genoeg kan ik me niet van de indruk ontdoen dat de dennenlucht in mijn neus blijft hangen.

Vorig weekend hebben wij de spullen van onze moeder grotendeels verhuisd. Zelf woont ze nog een weekje in ons oude huis. Ook al was het verhuizen naar dat appartement haar eigen keuze en kon ze al maanden wennen aan het idee: het voelde als een uithuiszetting. Kasten werden leeggehaald en meubilair werd nogal ruw uit en in elkaar gezet. Toen mijn zus aan haar vroeg of ze haar kerstboom niet wou uitzetten daar, vertelde ze dat ze die niet meer had, maar aan de Kringwinkel had geschonken. In haar ogen zag ik weinig reden tot Kerst. Toch slaagde ik erin om een stuk verloren gewaande kerstversiering mee te grissen en uit te zetten op haar kastje in de nieuwe hal: een houten kerstboom met echte kerstballen. Ik geef het toe: ik heb er ook al aan gedacht om ergens stiekem lichtjes op te hangen. Haar eerste Kerst daar wordt al triest genoeg met dat grote gemis naar tuin en thuis. En lichten we niet allemaal graag op?

Ook in mijn eigen huis groeit stilaan het verlangen naar fonkelende slingers en een piek. Sinds kort probeer ik opgeruimder te leven. Dankzij huishoudhulp lukt dat meer en meer. De kamers ademen frisser en wat iedereen al jaren oppert, schijnt natuurlijk te kloppen: het schept wonderwel ook orde in mijn hoofd. Kerst past er weldra in een vakje dat verbonden is met dit huis. Wellicht zal ik me ooit net als mijn moeder ontkerst voelen. Wie hangt er dan een slinger voor me op?

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 06/12/19)

zondag 1 december 2019

TINE ZIET (195): Winter is coming


Zaterdag opende ereburger Jozef Deleu het Boegie Woegie Kunstenfestival met een mooie toespraak over ‘Het Liegend Konijn’ en zijn dichters maar bovenal over de kunst. Woorden die er voor mij uitsprongen waren: “Het is winter in de wereld van de cultuur. Dat betekent dat we meer dan ooit de jonge kunstenaars moeten ondersteunen.” Ook stelde hij dat kunst ons iets moet laten zien wat we nog niet kennen. Er kon geen raker begin zijn. Het festival bleek een fijn soms bevreemdend ontdekkingsparcours te zijn waar ik me nog een lange tijd zal kunnen aan opwarmen. Er werd voorgedragen, gezongen, gedanst, muziek gemaakt, verdriet werd op rituele wijze afgezworen en er werd zelfs blokfluitgewijs harmonieus geduelleerd. Het deed goed tussen mensen te zijn die zich ook wilden laven aan dit eigenzinnige vuur. Behalve in een occasionele zakdoek viel er weinig te merken van de winter. Maar het is niet omdat je iets niet ziet door alle gezelligheid, dat het er niet is.

Bert Dockx opende zijn optreden met de magische woorden: “Ik vecht momenteel tegen een verkoudheid.” Daar was in zijn hele set niets van te merken. Behalve dan in die ene zakdoek. Wat we zagen was dat hij zijn instrumenten op een sublieme manier te lijf ging. Zijn stem deed zelfs mijn kriebelhoest vergeten. Topmuzikant Mauro Pawslowski had geen roadie mee om zijn spullen te dragen. Met maar liefst drie koffers stapte hij uit de lift om daarna helemaal uit te barsten in een smerige show. De dansers van Cie Helios gingen op een gegeven moment zo dicht bij elkaar liggen dat ze toegedekt werden met lieve troost maar zelf ook als troosthoopje dienden. Robbert & Frank bezweerden het leed van de wereld, sambaballen klonken triest, een marimba werd geaaid, Philip Hoorne leende zijn eigen bibiliotheekbundel en Delphine Lecompte vreesde de eerste rij te overladen met gele taaie slijmen.

Er is nog hoop, denk ik misschien naïef. Zolang er unieke initiatieven als deze zijn. Zaak is om ook in die winter het mooie te blijven zien.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 29/11/19)

TINE ZIET (201): Alcohol

Inmiddels al meer dan tien jaar geleden hoorde ik het nummer ‘Menen’ van Wim Opbrouck en Els Dottermans. Het betreft een bewerking van het...