maandag 31 oktober 2016

TINE ZIET (38): Herinnering

Wie deze dagen langs een kerkhof passeert, hoort ongetwijfeld een schurend geluid. Zerken worden opgepoetst en met kleurige bloemen aangekleed. Onkruid wordt verwijderd. Sommige familieleden doen dit samen en dat schept een band.  Maar er wordt ook massaal gezucht en gevloekt: “Moeten wij weer naar dat kerkhof toe?” En “Als ik het niet doe? Wie van de familie zal het dan wél doen?” Heeft Allerheiligen in deze tijden nog wel zin?

Hoewel ik me er bewust van ben dat iedereen recht heeft op zijn eigen manier van herinneren, vind ik het ritueel van grafzerken opzoeken enorm rustgevend. Ik wandel graag op een kerkhof. Zelfs op reis. Ook als er geen bloemenzee is. Ook al ligt er niemand begraven die ik ken. Ik hoef geen vaste dag in het jaar te hebben om aan mijn doden te denken, hun afwezigheid valt me meer op als ik niet op een kerkhof ben, maar dat er één dag in het jaar is, waarop iedereen plots iemand gedenkt, maakt gemis lichter om te dragen.

Wat ik al jaren op het kerkhof van mijn dorp van afkomst doe? Ik ga alleen. Dat geeft me de tijd te doen wat ik graag doe. Ik ga eerst naar het graf van mijn grootouders toe. De eerste doden in mijn herinnering. Ik zie hen nog steeds in mijn gedachten, maar ze worden almaar doorschijnender, als ik eerlijk ben. In mijn gedachten zeg ik hen dag en haal fijne herinneringen op. En vanaf dat punt wandel ik de zerken af. Bij elke bekende doe ik hetzelfde. Even denken aan. Tot ik het hele kerkhof ben doorgelopen. Zo’n wandeling duurt lang en is intens, want elk jaar komen er bekenden bij. Hoe een dorp almaar leger lijkt te worden, als je er niet meer woont. Deze manier van naar de doden zwaaien, is natuurlijk lastiger als je meer dan twee kerkhoven bezoekt.

In de toekomst zullen begraafplaatsen misschien verdwijnen. Wie weet worden we ooit als doden bomen en maken we eenmaal begraven een bos vol herinnering. Ik hoop in elk geval dat er een plek zal blijven waar gemis gebundeld wordt, waar je verdriet niet alleen hoeft dragen en waar fijne herinneringen als bloemen aan je voeten opdoemen. Een rustig oord vol lief begroeten.



(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 28/10/16)

maandag 24 oktober 2016

TINE ZIET (37): Ramp

Deze week zag ik een verontrustende foto verschijnen. Op die foto lagen mensen op de grond en daarnaast stonden hulpverleners te praten.  De schrik sloeg me om het hart. Vooral het feit dat de hulpverleners er ‘zomaar’ bijstonden, baarde me zorgen. Groot was dan ook mijn opluchting toen bleek dat het om een preventieve rampoefening ging. Dit was gelukkig niet echt. Hulpverleners steken de handen uit de mouwen, vechten voor een leven. Er wordt uit dergelijke oefeningen geleerd. Maandag had ik bijvoorbeeld een brandoefening met de leerlingen. Meestal loopt zo’n oefening op een chaotische brulpartij uit.  Verrassend hoe rustig deze klas het gebouw verliet en een kwartier later alweer uitgelaten aan het repeteren was. Dergelijke oefeningen lijken banaal, maar zijn uiterst nuttig.  Als er ooit een ramp over ons komt, kunnen we alleen maar hopen dat er ook op dat specifieke geval werd gestudeerd.

Veel rampen echter zijn niet te voorzien. De inwoners van Mosoel bijvoorbeeld. Hoe kunnen zij zich wapenen tegen wat er nu op dit moment aan het gebeuren is in hun straten? Ook de natuur veroorzaakt grote catastrofes die onmogelijk in te perken zijn: orkanen, tsunami’s, aardbevingen. Als het ons zou overkomen, komt alle hulp wellicht te laat. Het lijkt allemaal een zo-ver-van-ons-bed-show.  Maar deze week ging er in de media veel aandacht naar een ramp die almaar steeds meer mensen dicht bij ons lijkt te treffen. Een donderslag, waarop niet te oefenen valt: kanker. Het is een groot persoonlijk drama: een gevecht tussen de medische wereld en een lijf.  En het enige wat buitenstaanders aan deze tragedie kunnen doen is er simpelweg voor wie vecht te zijn.  Akkoord: we kunnen haar doneren, lintjes kopen, geld overmaken, maar bovenal het gesprek durven aangaan, het ondersteunen van wie deze tragedie moet dragen is van belang.  Kennen we niet allemaal dappere strijders?

Noodlot is niet iets wat enkel op TV of in de krant komt. Het woont vaak ook in je straat. Heb er oog voor. In elk van ons schuilt- hoe klein een banaal ook - een hulpverlener in woord en daad.

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 21/10/16)


donderdag 20 oktober 2016

20/10/16: Dag Tegen Kanker

Op een dag sluipt het naar binnen. Ongemerkt en razendsnel. Nestelt zich gedegen in met bedoeling om te blijven. Het roert zich niet. Onbeweeglijk verstopt het zich, laat zich niet zien tot op een dag – meestal te laat – in hoest in slijm in bloed in weinig trek in duizelingen die niet prettig zijn. Het vraagt je niet ten dans, het grijpt, streelt niet, knijpt. Dan begint de strijd om het zo snel mogelijk te doen verdwijnen. Wie ermee vecht, vecht niet alleen, maar gaat er ’s nachts wel alleen mee slapen, wordt altijd wakker met die ander als gast in lijf. En ook al lach je even: altijd is er strijd.

Voor hen die strijden – soms in stilte:  geef niet op!
Voor hen die overwonnen:  kleine helden.
Voor hen die streden en verloren: je bent nog niet vergeten.
Voor hen die machteloos het gevecht moeten aanzien: hou moed!
Voor hen die er op dit moment alles aan doen om zij die strijden te genezen: je doet goed werk, hou vol!

Voor alle anderen: draag op handen, durf er voor wie vecht te zijn. 
Voor de ongenode gast: pak je biezen en verdwijn! 


maandag 17 oktober 2016

TINE ZIET (36): Stilte

Vorige week schreef ik nog over geuren. Hoe verleidelijk is het niet om deze keer over geluid te praten? Over geluidsoverlast zal deze week genoeg te lezen zijn in de krant. Mijn stem wil in deze column niet te luid galmen. Ik zou kunnen schrijven over de stilte die ik op dit moment in huis ervaar, nu de buren verhuisden, maar dat zou naïef zijn. Het zwijgen aan de andere kant van mijn muren zal slechts van korte duur zijn. Weldra woont er iemand anders of gaat men met allerlei machines en hamers in de weer.

Gisteren verklapte een leerlinge grommend dat ze niet zo goed zou kunnen slapen en dat ze al zo moe was. Ze zou bij thuiskomst een puppy in huis hebben. “Leuk toch!” antwoordde ik. “Ja maar, die zal natuurlijk de hele nacht janken…” pruilde ze. En dat is natuurlijk zo. Gelukkig gaat dat snel over. Wallen onder de ogen verdwijnen ook snel als je de volgende dag een lieve en schattige puppy door je huis ziet hollen en springen.

Hoe vaak ergeren we ons niet aan geluid? Niets irritanter dan bliepjes van een telefoon. Wat is in vredesnaam het nut van gsm-toetsen die geluid maken? Waarom moeten we tegen heug en meug telefoongesprekken meevolgen? Waarom maakt aluminiumfolie zo’n ergerlijk geluid? Wie bedacht het schurend krassen van een nagel? Waarom snift deze tijd weer iedereen onophoudelijk met de neus? Muziek die naast de oortjes van de koptelefoon weerklinkt, is dat geen openluchtradio?

Soms zoek ik het op: het geritsel van een herfsttapijt, het kraken van een haardvuur, het spinnen van een kat. Het zacht gesnurk van iemand die naast je ligt. De rust in muziek. Of het bladeren in een boek. Omdat ik mijn oren af en toe wil soigneren. In Nederland rijden er stiltecoupés op de spoorwegen. Heerlijk rustig en wat vervelend als er iemand de stiltetekens niet kan lezen! Ook in de bibliotheek kan je rust opzoeken. Ik las dat er bibliotheken GAS-boetes tot €350 invoeren als er herhaaldelijk moet worden op gewezen dat de bib een stilteoord is.


Laat ons met z’n allen meer zwijgen. Maar zelfs stilte kan oorverdovend kraken. Zwijgen kan ook luid.

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 14/10/16)

dinsdag 11 oktober 2016

TINE ZIET (35): Geur

Soms gebeurt het dat je ergens een geur opvangt die je terugslingert naar andere tijden. Zo kan ik me nog levendig voorstellen hoe het rook bij juffrouw Caroline in de eerste kleuterklas. Ze had een bijzonder parfum. Als ik dat parfum nu ergens toevallig onderweg opsnuif, voel ik me meteen weer veilig en geborgen. Refters bijvoorbeeld blijven een soort van walm verspreiden die me doet denken aan de tijd waarin ik met lange tanden met mijn vorkje in een lapje vlees zat te pulken.  In mijn hoofd sta ik nog steeds bibberend op de balk als ik nog maar een snuifje turnzaal riek. De combinatie van zwarte zeep en rode kool uit bokalen maakt de herinnering aan mijn grootmoeder weer levend.  Gisteren rook ik voor het eerst bewust de herfst op. Op de speelplaats lag er al een mooi hoopje bruine herfstbladeren. De wind danste er een klein walsje mee. Herfst ruikt gelukkig nog naar die tijd waarin een bos nog iets was om in te verdwalen.

Waar er ook altijd een typische geur in de lucht hangt is in bankgebouwen. Ik weet ook niet hoe dat komt. Het is niet echt een stank, ook al zegt men dat geld serieus kan stinken. Het is een kunstmatig luchtje dat mij automatisch op mijn hoede houdt. Een onhoorbaar signaal gaat in mijn lijf af als ik bij een bank binnenstap. Een alarm dat zegt: “Pas op, Tine! Geen flauwe mopjes hier, dit is het land van de serieuze mensen! Let op, anders wordt er met jouw geld gemorst!”

Wellicht heb ik een bijzondere reukzin. Mijn goed ontwikkeld reukorgaan maakte mij specialist in het raden van wie de vergeten trui of sjaal in de klas was.  Nu ik ook de zurige lucht van oud zweet en ongewassen oksels ken, durf ik mijn neus niet overal meer spontaan in te steken. En hoe groot is mijn angst niet om zelf ontzettend onfris te gaan stinken. Wie al eens in mijn badkamer was, weet dat ik een veel te groot assortiment aan geuren heb. Je wilt toch niet altijd hetzelfde ruiken?


Geuren waaieren niet zomaar je neus voorbij. Ze blijven blijkbaar hangen in je lijf om je op een dag terug te doen denken aan hoe het vroeger was. Het verleden blijft hangen in geurige zweempjes.


(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 07/10/16)

maandag 3 oktober 2016

TINE ZIET (34): Plaag

De eerste keer dat ik een kaartje tussen mijn ruitenwisser vond met daarop de mededeling: ‘Wij zijn geïnteresseerd in uw wagen!’ voelde ik me uitverkoren. Ik dacht: ‘Wat heb ik me daar toch een mooie vierwieler!’ Ik voelde me bijzonder tot ik bemerkte dat elke auto in mijn straat zo’n geplastificeerd kaartje gekregen had.

In mijn straat staan klaarblijkelijk veel interessante bolides. Er worden deze dagen weer kwistig met van die schreeuwerige kaartjes gestrooid. Kaartjes tussen ramen, tussen ruitenwissers maar vooral op straat. Mooier nog: ze blijven daar liggen. De firma die geïnteresseerd is in onze wagens, is overduidelijk niet geïnteresseerd in onze stoeptegels. Vorig jaar heb ik eens 23 dezelfde kaartjes in mijn eigen straat opgeraapt. Ik wou ze naar het bedrijf terugsturen want die kaartjes lijken mij nogal duur en ze waren nog volledig herbruikbaar. Er kwam geen reactie op mijn mailtje. Nochtans had ik gereageerd op het mailadres dat op het kaartje zelf stond. Wellicht begrijpen ze enkel ‘autoots'.

Blijkbaar is de strooiformule toch succesvol. Waarom zou men anders blijven investeren in die kaartjesverspreiders? De actie zou volgens mij beter resultaat hebben, mocht men echt ook effectief auto’s selecteren. Ik zou me bijvoorbeeld stukken unieker voelen als ik er eentje vind, maar mijn buren niet. Meer nog: stel je voor dat ik de enige in de hele straat ben met zo’n kaartje, ik zou er misschien wel eens serieus over gaan nadenken mijn auto te koop aan te bieden. Nu gooi ik de kaartjes bij alle anderen op een hoopje en zie de actie als een plaag in plaats van een uitgelezen kans.

Hoe roei je zo’n epidemie uit? Boetes opleggen? Uiteindelijk staan er toch contactgegevens op. Er moet dus toch te achterhalen zijn wie verantwoordelijk voor het strooigoed is. Is het aan de bewoners om die kaartjes op te rapen? Misschien. Maar laat de verantwoordelijken zich ook maar eens bukken. Dat zal ze leren niet zo selectief te zijn! Of laat ze als straf, dezelfde route bewandelen maar andere kaartjes bezorgen waarop staat: ‘U bent unieker dan uw wagen. Fijne dag gewenst!’ 

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 30/09/16)