maandag 9 juli 2012

Ooit (16)


Ooit hield ik van vuurwerk.  Zoals de zee oneindig groots lijkt, zo lijkt ook de lucht. De vuurpijlen schoten in het rond en ik keek letterlijk toe met open mond. Ik denk zelfs dat het op zo'n vuurwerk-avond is dat de Oooooh! geboren werd die nog altijd op mijn lippen hangt als ik iets zie, dat ik niet verwacht te zien en me met verbazing op doet kijken.
Tegelijkertijd met de Oooooh! kwam ook de schrik in ogen. Want geef toe: zo'n knal doet veel te hard schrikken. Als kind kroop ik dan dicht tegen mijn vader aan. Dat kon toen nog. Niet alleen omdat hij er toen nog was, maar ook omdat een kind gewoon openlijk bang mag zijn voor vuurwerkknallen.  Toen ik ouder werd, vond ik vuurwerk mooier vanop een afstand. Liefst zelfs met een raam ertussen.

Van vuurwerk kan men veel vertellen. Sommigen willen het verbieden: omdat het de huisdieren van hun melk brengt. Of omdat het gewoon te duur is. Gevaarlijk zelfs. Ik vind het wel wat zonde, maar ik hou wel van de nostalgie om de avondlucht met vuurslingers te versieren.

Gisteren werd een mooie dag in mijn nieuwe woonplaats met vuurwerk afgesloten. Ik wist dat wel, dat kwam niet onverwacht. Ik had er zelfs wat op gerekend. Meer nog: ik keek er eigenlijk wel naar uit.
Maar ik had niet kunnen vermoeden dat ik zo dichtbij zou komen te staan. Dat ik al die pijlen één voor één van beneden naar boven de lucht zou zien in gaan. Dat de knallen dus nog harder klonken.
Ik stond er niet alleen. Gelukkig. Maar als ik mensen nog maar pas ken, ga ik als drieëndertigjarige niet hun arm opzoeken met de bijna-woorden: "Ik ben bang." Dus deed ik wat ik het best kon doen: als kind met schrik in ogen tegen het gebouw dat achter mij stond leunen. Met ook het gemis niet meer tegen een vader aan te kunnen leunen, die me troost door het luidst van allemaal de Oooooh! te roepen.


Zo eindigde dit alles toch nog met een sisser. Hetzij een kleine. In plaats van vrolijk de nacht in te stappen, wentelde ik me in de zwaveldamp der melancholie en vertrok veel te vroeg en veel te veel alleen met enkel de armen van herinnering om me heen.

dinsdag 3 juli 2012

PS 8:


Geachte Man,

Dat U me veel kan vragen, zelfs de kleren van mijn lijf, is U niet vreemd.
Eens ontdooid, word ik gewillig. En als ik dat dan eenmaal ben, ontplooit m'n schroom vanzelf tot voor uw voeten.

Ik zag U al in verschillende gedaantes en in heel veel vormen. Een vast model voor ogen heb ik niet.
En eerlijk gezegd: het zal me worst wezen hoe uw lijf eruit ziet. Het oog wil wel wat, maar het verlangen meer. Deukt dit uw ijdelheid? Dan spijt dat me zeer. Maar ik kick niet op een sixpack. Ook een verzameling van blote achterwerken heb ik niet in mijn bezit. Eerder stel ik belang in hoe U kijkt en handelt. Hoe U ruikt en beweegt. Hoe U ademt en natuurlijk hoe U tot me spreekt. Maar bovenal - na al die jaren van geklungel - hoe U m'n mond en ogen stralen doet.

Het helpt natuurlijk wel als U attent bent. En vooral hou ik van uw initiatief, want ik weet nooit hoe ver ik mag gaan. Ik schaam me ervoor, dat mag U weten: na meer dan drieëndertig jaren is het voor mij nog steeds onmogelijk uw grenzen in te schatten. Dan zit ik gezellig met een exemplaar van U te drinken en dan weet ik niet of hij wat anders dan dat drinken wil. Ik zou het wel kunnen vragen: maar dan sla ik nog maller figuur dan ik al ben. Of als een exemplaar van U me aanspreekt om als een muze door z'n geest te wandelen, dan weet ik niet, hou ik in z'n hoofd m'n kleren aan? Of als een kordater exemplaar me vraagt  wat  ik draag, dan besluipt me het gevoel om te zeggen: "Vandaag ben ik voor U een mummie. Laag voor laag een lapje stof. U draag ik op mijn hand." Maar dan stopt gegarandeerd het gesprek.

Wanhopig ben ik niet. Dat is niet de reden van mijn schrijven.
Maar mag ik U toch vriendelijk en beleefd verzoeken om U deze dagen - in al uw mogelijke formaten - niet te fixeren op mijn voeten. Ik heb er gelukkig nog twee. U kent ze wel. Ofwel speelt U ermee. Ofwel kan ik ze in uw aanwezigheid niet meer bewegen. Of U gooit constant iets voor hen neer. Ik wil dat even niet meer. Zomer doet  vanzelf al vreemde dingen met twee voeten. Gun ze toch hun zwellen door de warmte. Gun ze hun niet-elegante sandalen. Gun ze lucht om me tot bij U te dragen. Laat U hen toch in alle rust. Richt U op mijn lippen, mijn ogen of mijn hart voor mijn part. Als U dat deze maanden doet, kus ik - eens schroomloos daar - de uwe zonder dat U daarom moet vragen.

Misschien moet ik maar eens op mijn handen leren lopen.

Van harte!

TINE ZIET (196): Kerstgevoel

Hoewel het paard van Sinterklaas nog maar vers uit Belgenland verdwenen is, waaien de wapperende kerstmannetjes alweer olijk aan de ramen. ...