maandag 26 februari 2018

TINE ZIET (106): Sport


Deze titel zal ongetwijfeld veel lezers in hun vuistje doen gniffelen. Lezers die me kennen toch. Want wat heb ik in hemelsnaam voor zinnigs te vertellen over sport? Sport is voor mij al de Citadel van Namen beklimmen op twee benen. Puffend.  Dat er momenteel Olympische Winterspelen zijn, gaat bijvoorbeeld geheel aan mij voorbij. Dat de karavaan van Vlaamse wielrenners vanaf dit weekend weer door ons land rijdt: ik heb geen enkel idee. Sport. Wat moet ik ermee? Nu ja, ik heb een mooi excuus. Twee zelfs. Ik heb geen televisie en ook geen man die me aan die feiten herinnert. Maar eerlijk waar: als ik een fragment uit een of andere finale in PyeongChang op scherm zie passeren, ben ik wel geneigd tot kijken. En als ik met een fanatieke metgezel aan de kant van de weg zou staan om Greg Van Avermaet aan te moedigen, zou ik natuurlijk uit volle borst meebrullen. Al zou die metgezel wel eventjes Van Avermaet moeten aanwijzen, want na Boonen is er geen enkele wielrenner meer die ik me voor de geest kan halen. Ik word almaar meer een sportbarbaar.

Ik geef het toe: ik schaam me diep. Want sport is niet niets. Het raakt en het gaat door merg en been. Al hou ik vaak meer van de gezichten dan van de resultaten. Huilende mannen bij een overwinning, hoe mooi is dat niet? Nijdige blikken. Gezichten in spanning op de tribune. Ontgoocheling bij een eindstreep. Pijn bij een smerige val. De concentratie voor de finish. Sport is naast dat toonmoment van prestatie toch ook het toppunt van expressie?  En wat sport misschien nog mooier maakt, is het samentroepen. Het en masse roepen. Mijn neefje luisterde gisteren bijvoorbeeld om de zoveel tijd naar de voetbaluitslagen op de radio. Hij ging ze telkens blij gaan meedelen aan zijn vader. Ook al zat zijn favoriete ploeg er niet echt bij. Het is een passie, die ik niet deel, maar soms toch wat benijd. Niets is mooier dan de liefde. Voor een mens, voor een kunst of voor een hobby. Het heet niet voor niets liefhebberij. Wie graag ziet, of het nu een rollende bal is, zwetende mannenkuiten zijn  of heerlijke salto’s op skilatten in de lucht, maakt mij onnoemelijk blij!



(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 23/02/18)

maandag 19 februari 2018

TINE ZIET (105): Lente?


Ook al viel er laatst een wit mager lakentje over onze stad: lente hangt al ongedwongen in de lucht. De hemel kleurt opvallend blauwer. Vogels fluiten luider. Dagen zijn minder donker omdat er meer en langer licht naar binnenvalt. Dat is te merken aan een gezicht, een lijf, een hart. We lopen weer meer gericht met de blik naar boven in plaats van naar de grond. Of is dat slechts schijn? De pessimist in mij, zorgt er gelukkig nog altijd voor dat ik een hondendrol aan mijn zool kan vermijden. Wat liggen er trouwens weer een hele hoop te stinken op het trottoir! Een wandelingetje langs de Benediktinessenstraat is bijvoorbeeld een waar hindernissenparcours! Maar goed, ik wou het over lente hebben. De ontluikende narcissen en krokussen. De eerste echte tulpen in een vaas. Alles lijkt opnieuw te beginnen. Er kan weer van alles naar hartenlust ontstaan. Daarom komt het misschien extra hard aan als iemand dan opeens ophoudt met bestaan.

Als de dagen langer worden, heb ik opeens meer zin om vreemde pasjes te maken op straat. Soms loop ik dan onbekommerd te neuriën. Ik voel me zelf een tulpenbol. Maar dan lees ik weer de nieuwsberichten over diefstal en brandende auto’s.  Een etalage die zomaar wordt ingeslagen. Dan zie ik mezelf weerspiegeld in de etalages van de leegstaande winkelpanden op mijn weg en schud mistroostig mijn hoofd. In een tijd van bloeien, bloeit er momenteel zo weinig in mijn stad.  Schijn bedriegt natuurlijk. Het is nog lang geen lente. Het duurt minstens nog een maand. Maar zou echt alles tegen dan zijn opgeklaard?

De laatste dagen zie ik dikwijls een vrouwtje wandelen door de straten. Ze lacht vrolijk, groet vriendelijk en steekt steevast een duim omhoog. Eigenlijk is dat mooi. Ze lijkt een beetje op de lente, maar dat is natuurlijk ook bedrog.  Er overwintert vast een of andere ziekte in haar die ik met mijn kinderlijke naïviteit niet ken.

Als de zon schijnt, zie ik de dingen nu eenmaal mooier. Dan zie ik wie vertrok, zachtjes drijven in de witte wolken. Dan zie ik mooie dingen broeien achter de luiken van mijn stad. Dan filter ik de schoonste beelden op z’n scherpst.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 16/02/18)

maandag 12 februari 2018

TINE ZIET (104): Stipt


Er wordt veel ingegeven met de paplepel. Een blik in de ogen of een voorkeur voor laat te gaan slapen. Aanleg tot overgewicht en aritmische bewegingen in het bekken. Wat in onze familie jammer genoeg ook zeker in het doorgeefluikje zat, was een altijd en eeuwig te laat komen. Bussen missen, een lege speelplaats overlopen, … Het klinkt mij allemaal heel erg vertrouwd. Gelukkig is dat iets waar je kan aan werken. Het vergt veel, maar het kan lukken om stiptheid toch aan te leren op de duur. Als er deadlines worden gesteld, haal ik die meestal wel. Niet een week op voorhand, maar gewoon stipt.

Toch gebeurt het natuurlijk wel nog eens dat dat ik-kom-te-laat-gen toch de kop opsteekt. Zo moest ik me onlangs inschrijven voor een personeelsfeest waarbij ik vier dagen daarvoor ingeschreven moest zijn. Te laat is te laat, ook al was hier meer sprake van vergeten. Gisteren belandde ik na een betogingsactie van het DKO in Torhout hongerig in een restaurant. De keuken was al een dik kwartier dicht. Gelukkig zag de bazin mijn kwijlende pruillip en bood me een bord dampende spaghetti aan, dat me ongelooflijk smaakte. Ik ben haar daar dankbaar voor. Mezelf kennende had ik me anders volgestouwd met koekjes. Na meer dan twee uur treinen en stappen in de ijzige kou was ik wel toe aan een maaltijd. Ook hier was ik niet echt te laat: ik had geen trein vroeger kunnen halen.

Meestal lukt het me dus. Elke morgen check ik deadlines die ik die dag moet halen. Vandaag zijn dat: dit stukje schrijven, de laatste nieuwjaarswensen schrijven en betalingen verrichten. En het zal me lukken. Behalve dan die nieuwjaarswensen. Ik gok dat het krokusbrieven zullen worden.
Het doet me telkens deugd om een deadline te doorstrepen en te bedenken dat ik het haalde. Ik geef me daar de laatste weken veel schouderklopjes voor. En toch weet ik het zeker: mijn evaluatiefiches zullen pas op tijd klaar zijn, ochtendvergaderingen zal ik nét op het nippertje halen maar voor vakantie ben ik altijd ruim op tijd. In gedachten ga ik al niet meer naar school en hoor mijn directeur zeggen: “Veel te vroeg, Tine, maar dat is goed!”


(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 09/02/18)


maandag 5 februari 2018

TINE ZIET (103); Podium

Afgelopen week was het gedichtenweek. Deze keer lanceerde ik niet een of ander project en schreeuwde de poëzie eens een keertje niet van de daken. Ik doe dat eigenlijk al vaak genoeg. Ik schreef een raamgedicht op mijn eigen raam, schreef op aanvraag maar in alle stilte 11 gedichten voor Residentie Marie Astrid, liet mijn leerlingen gedichten schrijven en gaf een workshop in Roeselare. Nochtans zorgde het thema van dit jaar voor extra feest: theater!

Zonder de befaamde theaterplanken was ik namelijk nooit geworden wie ik nu ben. Ik bloeide er op open en durfde ineens dingen te doen die ik zonder spotlight niet zou doen. Dat is het mooie aan mijn job. Ik kan leerlingen hetzelfde laten ervaren. Zaterdag traden dertig leerlingen van me op in GC ’t Forum. De voorbereidingen en de generale repetitie zijn altijd een beetje doodgaan voor mij. Ik durf dan wel eens te roepen en te panikeren. Maar eenmaal de leerlingen op het podium staan, laat ik ze los. Dit keer was zowaar de allereerste keer in mijn hele juffenbestaan dat ik de voorstelling vanuit de zaal (en niet vanuit de coulissen) en in een ontspannen modus kon gadeslaan. Het deed me deugd de stille bloempjes te zien opengaan. Het deed me plezier om het plezier te zien en hun onvoorwaardelijk enthousiasme. Ook keek ik af en toe eens stiekem naar het publiek dat ook zat te glunderen.  De gezichten van de leerlingen en de ouders waren als het ware stuk voor stuk gedichten die ik graag las. ‘s Avonds ging ik met een vriendin in Wachtebeke luisteren naar gezongen poëzie. Gedichten van Jotie T’Hooft en Arthur Rimbaud waren op muziek gezet door Derek en Renaud. Alweer gedichten op de planken dus.

Zondag zat ik onverwacht in ‘Oorlog en vrede’, het massaspektakel van de Rotary Club in CC De Steiger. Wat ik zag was een mooie samenwerking op de planken. Wat ik hoorde was een bad vol klanken. Decorbouwers, muzikanten, zangers, koor, acteurs en figuranten trokken overduidelijk aan één zeel. En dat kan niet anders dan een poëtisch hart verwarmen. 

Hoogdagen dus voor wie poëzie, net als ik, niet alleen op papier wil lezen maar gewoon wil horen en zien.




(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 02/02/18)