maandag 27 maart 2017

TINE ZIET (59): Zomertijd

Dit weekend gaat de zomertijd in. Dat houdt in dat de nacht van zaterdag op zondag een uur korter is. Maar bovenal brengt het met zich mee dat we langer kunnen genieten van het zonlicht. En wat kikkeren we daar allemaal van op! Van dat zonlicht. Niet van dat uurtje minder slapen. Dàt halen we snel in!  Als we gefietst hebben of in de tuin gewerkt bijvoorbeeld. Dat buiten zijn doet een mens zo goed. Niet alleen levert het ons extra vitamine D op, ook zorgt het dat we opeens meer ontmoeten en gaan praten. Daarvoor wil ik gerust een uurtje slaap laten.

Een tuin heb ik niet maar mijn koertje is inmiddels klaar om eindelijk weer eens te bloeien. Na drie bezoekjes aan het containerpark, verbaast het me dat mijn koer nog steeds zo klein is. Ik hoopte stiekem op een verdubbeling van oppervlakte. Helaas. Maar bloeien zal er!

Vorige week vernam ik dat De Wereldtuin op het einde van mijn straat zal verdwijnen. Misschien zijn er al plannen om ergens anders opnieuw te starten. Dat die groene oase er niet meer zal zijn, vind ik een spijtige zaak. De tuin bracht de buurt mooi bijeen. Samen tuinieren in de zon, een tuinfeest en je komt je hele buurt tegen als je je emmer compost gaat legen! Hopelijk komt er gauw een nieuwe stekplek.

Dat de nacht een uur korter zal zijn, zal men niet merken in het Pand van Boegie Woegie op de Grote Markt. Daar zal de zomertijd dansend ingezet worden. Voor de laatste keer. Tot de leverancier van vitamine D met haar eerste stralen door de ramen schijnt. Dé perfecte manier voor mij om die buitentijd in te zetten. Laat maar komen! 

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 24/03/17)

vrijdag 24 maart 2017

stelt paal en perk (23): deel 2

Op 14 december 2014 bekende ik op mijn blog een van mijn blootste bekentenissen tot nu toe. Het was een ware ontboezeming. Sommige mannen gingen me opeens anders bekijken. Sommige mensen vonden het te bloot om over zoiets serieus als borsten te schrijven. Voor wie het zich niet meer herinnert of wie wil lezen waarover het gaat: klik hier.

Een paar weken geleden las ik dat een van de grootste lingeriezaken van ons land in mijn buurt werd geopend. Een winkel met meer dan 35 000 artikelen! Eindelijk meer keuzemogelijkheid, dacht ik. De laatste winkel waar ik iets vond, had één model ter beschikking en stelde dat ik een ander model pas meer dan vijf maanden later kon komen passen. Omdat ik mezelf geen teleurstelling cadeau wou doen maar een nieuwe stevige bustehouder, polste ik even per mail of mijn maat in de winkel aanwezig was. Helaas, in een winkel van 35 000 lekkernijtjes, zit er blijkbaar niets voor mijn voorgevel bij.

Men reageerde beleefd en vriendelijk. Dat ik best eens langskom als de hoofdverkoopster er is. En dat ze mij een rondleiding wou geven en samen met mij kon overlopen wat er mogelijk was qua bestellingen en dat ik dan achteraf gewoon in alle rust zou kunnen passen.  Ik heb geantwoord dat dat lief was, maar dat het zou voelen als een bezoekje aan een snoepwinkel waar ik geen enkel snoepje kan kopen. Dat ik me nog een grotere uitzondering zou voelen. Nog anderser.

En dat is het toch? Als je in een aanbod van 35 000 soorten niets vindt waar je ongeacht je smaak, zelfs maar in past, dan ben je misschien wel uniek, maar meer nog: een freak. Ik ben het zat. Het kan toch niet zijn dat ik de enige ben? Ik meen dit serieus: wie kan mij helpen aan een bh op mijn lijf geschreven?




maandag 20 maart 2017

TINE ZIET (58): Vuur

Zaterdagnamiddag hing er een grote zwarte rookpluim boven Menen. De wolk was van ver te zien en bedekte als het ware de hele stad. Dat zoveel vlam in een oud schoolgebouw past, zoveel water om te blussen, is eigenlijk niet verwonderlijk. Hoeveel passie school er niet onder dit dak?

Ik herinner me dat ik kennis maakte met het gebouw in de Zuidstraat toen we er met de collega’s woord van de academie op zaterdagen naartoe trokken. In de winter zaten we er vaak in onze winterjas omdat we de lokalen niet zo goed konden opwarmen. In de zomer was er meer sfeer. Dan weerklonken al onze stemmen vrolijk door elkaar. Eigenlijk kwam ik er graag. Al werd er vaak wat denigrerend over gedaan.

De laatste jaren kwam ik er voor toneelvoorstellingen en voor zomerse feesten. Altijd weer was ik onder de indruk van de diversiteit die er zo mooi samenkwam.  Russische dans,  Afrikaanse hapjes, Vlaamse Schlagers, metal, Arabische les en een slagwerkorkest met olievaten! Het was een plek waar de Barakkenaars konden samenscholen en repeteren. Er werden cursussen georganiseerd en verenigingen gaven feesten, kinderen konden er niet alleen tijdens de vakanties spelen. Het is doodjammer dat het er niet meer is.

Zondag op carnaval was er in mijn straat geen confetti. Als eerste kleurde de volksharmonie Sint-Jozef uit de Barakken met vrolijke pruiken en klanken de stoet. En hoewel het dit jaar een uitzonderlijk mooie stoet was, zag ik in hun blik toch restjes verbrande confetti. De buurt rouwt. Hopelijk komt er snel een nieuwe plek waar het vuur van de Barakken weer kan knetteren.


(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 17/03/17)

maandag 13 maart 2017

TINE ZIET (57): Vrouw

Wellicht vertel ik jullie geen wereldschokkend feit als ik zeg dat ik een vrouw ben. Al is dat heel langzaam gegroeid. Ik ben het eigenlijk nog maar pas. Het is nog maar sinds ik in Menen woon bijvoorbeeld dat ik gezichtscrème ben gaan uitsmeren op mijn gelaat. Het is ook nog heel recent dat ik me leerde schminken. Natuurlijk zit je vrouw-zijn niet in tubes en potjes, het gaat meer om het gevoel. Opeens voelde ik me geen meisje meer. Ook al word je als meisje geboren, vrouw word je stap voor stap. Zo gaat dat wellicht ook voor mannen. Anders is dat er nog geen Internationale Mannendag bestaat.

Op 8 maart was er Internationale Vrouwendag. Hebben vrouwen die dag überhaupt nog nodig? Volmondig zeg ik: “Ja!” Ook al ben ik stukken minder feministisch geworden dan mijn 17-jarige ik. Toen kwam ik op het idee om een zeer lijvig eindwerk te maken over de positie van de vrouw na de tweede wereldoorlog. Dat heeft me nog gespeten. Alhoewel. Met hand en tand heb ik het verdedigd aan mijn seksistische geschiedenisleerkracht. Ik liep in die tijd met een Indiaanse pet achterwaarts op mijn hoofd en weigerde pertinent om rokjes te dragen om de leerkracht Nederlands te behagen. Als wraak omdat de geschiedenisleraar in zijn ogen zoveel onzin had moeten lezen, moest ik ook als enige mijn bijdrages kennen voor het examen. Ik slaagde.

Dat er nog altijd ongelijkheid is, is een feit. Al valt dat misschien minder op in mijn wereld nu. Soms vervloek ik mijn soort en zou me het liefst verstoppen achter een weelderige baard maar in mijn hart heb ik mij toch als meisje bewaard.


(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 10/03/17)

MENENS

Op vrijdag 10 maart mocht ik enkele teksten voorlezen bij de opening van de tentoonstelling 'Menens' in 't Schippershof. Speciaal voor deze opdracht schreef ik twee Menense teksten. 

MENENS 1


‘Ge meent da toch nie?’ Inmiddels iets meer dan vijf jaar geleden meenden mijn vrienden zo te moeten reageren op de mededeling dat ik een huis gekocht had in deze stad. Dat ik hier kwam wonen. Vijf jaar geleden en inmiddels ben ik zo met Menen vergroeid dat het vreemd is me niet meer van deze stad te zien. En kijk: Menen valt als een flatterend kledingstuk om mijn lijf.  Er zijn mensen die al hun hele leven hier wonen en hun stad zien als een te krappe en ongemakkelijke jas waarin ze zich nog te vaak schamen.  Zonde!  Een beetje meer trots zou onze stad zoveel mooier laten glanzen!

Vrienden die me hier nu noodgedwongen moeten komen opzoeken, willen ze me nog een keer zien, staan telkens te kijken van wat hier allemaal is. Ze begrijpen nu dat ik hier een nest wou bouwen. Menen laat mij dingen doen, die ik anders misschien nooit had durven doen. Het is hier in deze stad dat ik met veel minder schroom kan bloeien.

Maar er wordt zoveel geklaagd. Waarover? Waarom lijkt mijn stad soms weer veroverd door malcontenten? Ik wou het weten. Daarom heb ik enkele dagen postgevat op de Grote Markt. Ik legde mijn oor op de stenen van ons hart.

Wel, grootste klacht is dat hier niets te beleven valt. Dat is natuurlijk onzin. Geen enkele andere stad leeft zo divers als de onze. Lees De Leiedraad. Lees de affiches aan de ramen. Lees de mededelingen in de krant. Lees wat er in je brievenbus valt. Er zijn genoeg initiatieven georganiseerd door onze stad, ons Cultureel Centrum, door allerlei verenigingen,… Er zijn natuurwandelingen, films, hondenzegeningen… Laatst was er zelfs een Nacht van de Erotiek. “We wisten van niets…” dat hoorde ik altijd achteraf op de plavuizen van de Grote Markt. Maar wie leest, weet eigenlijk bijna alles. Maar dat hoef ik jullie niet te vertellen: Jij bent hier en hé jij ook! en ik zie weer dezelfde dappere gezichten.

Verder waren er klachten over veiligheid, netheid en ‘rare mensen in de straat’. Maar dat is eigenlijk algemeen op alle Grote Markten waar ik was. Ook hoorde ik klagen over Fransen die hier zomaar komen shoppen in het weekend. In lange hordes. Maar ga jij ook niet gewoon in een buurstad shoppen?


En dat brengt ons weer bij onze trots. We, en ja, ik hoor dat ook wel bij, we gaan naar musea, winkels, festivals, markten, restaurants, kerken, oorlogskerkhoven, feesten in andere steden. Om onze eigen initiatieven zitten wij verlegen. Dat zouden we niet meer mogen doen. Het is pas als je in Menen leeft, dat een stad zo mooi beweegt.  Het is maar als je zelf met een fier hart hier leeft, dat die jas zo gracieus en sierlijk op je lichaam kleeft.



MENENS 2

‘Ge meent da toch nie?’ Inmiddels iets meer dan vijf jaar geleden meenden Menenaren zo te moeten reageren op de mededeling dat ik een huis gekocht had in de Koningstraat. Je koopt een huis, geen straat. Het leven is geen Monopolie. Voor mij had de naam iets eh koninklijks. Wist ik veel dat dit ooit een straat vol vertier en vermaak was. Inmiddels is het een straat geworden met een slechte naam. De koning blinkt wat droevig voor zijn raam en hij leeft op bij oude verhalen.

Waarom krijgen straten specifieke namen? Dat heeft alles te maken met geschiedenis. Waarom krijgt iemand die dood is soms een eigen plein? Omdat ze levend zo belangrijk waren dat ze voor in de eeuwigheid een stukje van onze stad mogen zijn. Een hele eer lijkt me dat. Ik vroeg het al eens na op het stadhuis. Een standbeeld kan nog levend. Maar voor een straat, een weg, een laan, een dreef, een plein moet je nu eenmaal morsdood zijn. Het is niet dat ik al plannen heb om het hoekje om te gaan, maar mij lijkt het heerlijk te weten dat ooit kinderen op mijn naam leren fietsen. Dat een eerste kus op mijn naam wordt gegeven. Nu nog eerst belangrijk worden. Al mag dat geen ambitie in dit leven zijn.

Er zijn ook bloemen- en vogelwijken waarin elke straat gewoon een bloem of een vogel is. Zou ik in een Zeekoestraat willen wonen? Of een Kakkerlakboulevard? Of staan we gewoon niet stil bij de straatnaam die aan ons stekje verbonden is?

Misschien is het een idee om een app te maken waarmee je kan opzoeken wat de geschiedenis van je straat is, alvorens je besluit er een huis te kopen. Je tikt de naam in en je staat oog in oog met het verleden en hoort er hoe de inwoners nu staan ten opzichte van die straat.  Ik denk niet dat het in mijn geval een verschil had gemaakt. Ik woonde er wellicht gewoon even graag. 

maandag 6 maart 2017

TINE ZIET (56): Jarig

Als dit verschijnt, is het gebeurd: ik heb onherroepelijk een nieuwe jaarring gekregen. Een cadeautje van Moeder Natuur omdat ik het weer een jaar heb volgehouden op haar schoot.  Persoonlijk hou ik er niet meer van. Sinds mijn dertigste verjaardag zie ik verjaren als een zware opgave, al hoef ik er eigenlijk niets voor te doen. Jarig zijn, is één van die dingen die je gewoon vanzelf doet.

Het is op zich niet de schrik tot ouder worden die me mijn geboortefeest doet vervloeken. Ik zie er nog lang niet mijn leeftijd uit. Zondag mocht ik nog ervaren dat men mij nog steeds als ‘meiske’ ziet. Mensen geloven soms gewoon niet dat ik al dertig ben. Leerlingen schrikken er ook vaak van dat ik al ouder ben dat hun mama’s.  Maar echt waar, als je dit leest, ben ik al achtendertig. Acht-en-der-tig! Het klinkt als wel-heel-gauw-veertig. Dat ik vaak veel jonger word geschat maakt geen verschil in het verwerken van mijn verouderingsproces.

Jarig zijn drukt me altijd met de neus op de feiten: een leven is eindig. Er staat een datum op onze houdbaarheid. We weten die alleen nog niet. En misschien is dat ook maar goed. Ik vraag het me soms af, als ik die houdbaarheidsdatum zou weten, zou ik dan anders leven? Eigenlijk hoop ik van niet. Haal ik niet sowieso alles uit mijn leven?


Wat stiekem wel heel fijn is aan verjaren, en dat maakt het misschien wel aangenamer om te dragen, is de aandacht. Dat men even aan je denkt en je wat attentie schenkt: berichtjes bij de vleet en soms af en toe nog een zeldzaam kaartje. Wie mij gedenkt met die extra rimpel, raakt me. 

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 04/03/17)