zondag 25 december 2016

TINE ZIET (46): FEEST

Wanneer dit stukje verschijnt, is de feestperiode aangevat. Hoera! De meeste cadeautjes liggen onder de kerstboom te wachten om met ongeduldige vingers opengescheurd te worden. Op enkele exemplaren moet nog gejaagd worden. Die prooien liggen te lonken in een etalage. Erger is: sommige pakjes zijn gestrand. Ergens tussen postorderbedrijf en brievenbus. Er kan volop worden ingezet op de weddenschap ‘Arriveert alles nog wel op tijd?’ Rampscenario’s worden bedacht.

Feest. Zwartkijkers onder ons, vinden dat er geen reden is tot feesten. Wat hebben we te vieren? Dat we er nog zijn? Wie het allemaal wat lichter ziet, vindt dat er altijd wel kan worden gefeest. Vorig weekend was ik in een shoppingscentrum. Niet eens om te shoppen, maar om mijn zilveren Figurettenlaarsjes zwierig in de lucht te schoppen. Ik keek mijn ogen uit: zoveel kooplustigen samen en de koopjes zijn nog niet eens aangevat! Het leek wel alsof de helft van de wereldbevolking op cadeautjesjacht was. Of er ook veel gekocht werd, weet ik niet. Volgens de ene winkelier draait alles super, volgens de andere dan weer écht niet, want ook winkeliers zijn uiteindelijk ook maar mensen die het zwart of lichter zien.

Ik kies er dit jaar voor om me op die dagen met mensen te omgeven, want als iedereen samen viert, voelt voor wie eenling is, feestperiode meer alleen. Vrees niet: ik wil geen betoog houden om mij aan uw tafel uit te nodigen, ik heb echt al andere plannen, maar hoeveel andere eenlingen niet? Voor zoveel anderen valt er trouwens weinig te vieren. Een thuis, een familie, een huis, een feestmaal…  het is allemaal niet zo evident. En vrede wordt dat tussen al dat vieren en cadeautjes openscheuren nog gewenst?

Feestperiode is voor mij meer dan ooit de melige boodschap willen verspreiden wat vaker lief te zijn. Misschien klinkt dat als een foute kersttrui. Maar ik ben ervan overtuigd dat dàt de wereld nog kan redden. Als het kon, verpakte ik mijn hart in mooi feestelijk papier met daaraan de boodschap: “Dit is liefde, verdeel het nu en hier!”

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 23/12/16)

maandag 19 december 2016

TINE ZIET (45): Snot

Het hoesten. Het proesten. Het snotteren. Het niezen. Het houdt maar niet op. Ik merk het in de klas, in de trein, eigenlijk overal waar mensen samen zijn. Verkoudheidtijd is aangebroken. En hoe! We kunnen ons weer volop ergeren aan iemand die weigert te snuiten. Aan een hoest die op geblaf of op ingehouden gekef lijkt. Ook hier. Mijn niessalvo’s houden maar aan en al meer dan een week klinkt mijn stem alsof er een smurf in mijn spreken is geslopen en iedere keer als ik denk dat ik me beter voel, hoest er weer een leerling verkouden bacillen mijn kant op.  We houden ons sterk met vitamines, siroopjes, pilletjes, gemberthee en citroen. We wandelen op de boord van ziek-zijn en niet-ziek-zijn. Er is een helm vol snot, een keel vol schuurpapier en oren die voelen alsof ze in een vliegtuig ploppen.
 
Een verkoudheid is het einde van de wereld niet. Er zijn veel ergere ziektes. Maar een verkoudheid die maar blijft aanslepen, is behoorlijk afmattend voor een lijf. Het doet z’n best almaar te genezen. Het levert voortdurend een strijd.  En dat terwijl we al strijden tegen de tijd, tegen examenstress, de laatste reis van die sappige kerstkalkoen.  Kortom de wachtkamers zitten weer vol met kleine en grote aanslagen op onze weerstand.  Meer nog: er moeten stoelen worden aangesleept, ziekenhuisbedden in de gang worden geplaatst. Klevertjes van het ziekenfonds worden weer kwistig verspreid.

Groot was mijn verwondering toen ik las dat er in mijn buurt vanaf januari een gezondheidscentrum komt, waar de patiënten het remgeld niet langer hoeven te betalen. In onze provincie is enkel Brugge Menen voor.  Ik geloof dat dit een goede zaak is voor onze stad. Veel mensen hebben geen geld genoeg om het remgeld te betalen. Voor hen is een simpele portie snot veel zwaarder.  


Terwijl ik dit stukje schreef snoot ik welgeteld zeven keer mijn neus. Toen ik de geschreven woorden hardop aan mezelf voor las, herkende ik mijn stem niet. Maar we spartelen er ons wel door. Waar dienen zakdoeken anders voor?



(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 16/12/16)

maandag 12 december 2016

TINE ZIET (44): Versieren

Versieren. Het is een talent dat me niet is meegegeven. In geen enkele betekenis van het woord. Waarom zouden er franjes moeten zijn? Waarom zou je iets of iemand willen inpakken? ‘Soberheid siert’ altijd. Er was maar één moment in het jaar waarop er een doos versiering uit het rek werd gehaald en afgestoft. Die met daarin de kerstversiering. Elk jaar dezelfde slingers, de identieke krans met lichtjes.  Meer moest er niet zijn. Ik kan me niet herinneren dat mijn moeder ooit in de winkel stond om eens andere kerstballen te kopen. Het enige wat elk jaar anders was, was de boom. Soms eens uit de winkel, soms gewoon uit de tuin. Het was een mooie traditie om die boom dan samen vol te hangen. Daar was het nu precies om te doen: dat samen. Alleen is er eigenlijk niets aan.

In elk geval: ik kan me niet herinneren zelf ooit een kerstboom gekocht te hebben sinds ik het huis uit ben. Behalve dan een decoratieve witte, maar dat deed ik eerder voor de lichtjes. Een lichtsnoer bleef eens meer dan een jaar hangen in mijn woonkamer, omdat het toch wel een gezellig soort licht was. Het soort gezellig dat kon blijven. Nu betrapte ik mezelf erop dat ik voor het eerst sinds jaren kleine decoratieve spulletjes kocht om toch wat in de kerstsfeer te geraken.  En kijk! Ik spin zachtjes bij de aanblik van de kerstverlichting op de Grote Markt en in de straten of aan een raam dat ik voorbij wandel. Wellicht is een nieuw hoofdstuk in mijn versiercarrière aangebroken.  Krijg ik opeens wel oog voor decoratie? Of is het gewoon de heimwee naar het me spiegelen in de kerstballen, het proberen recht op te zetten van de piek, het krampachtig Tineke willen blijven zijn? Wie zal het zeggen?


Straks begeef ik me weer naar kerstmarkten. Tot nu toe vond ik dat eerder te druk en te kitcherig. Maar misschien voel ik me er dit jaar zo thuis dat ik spontaan begin te versieren. Het maakt me een beetje bang maar ook wel benieuwd. Ik zal het jullie ongetwijfeld weten te vertellen. Of niet. Jullie zien het binnenkort gewoon aan mijn gevel. Als er een mannetje aan hangt, heb ik gewoon een ander leven.  

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 09/12/16)

maandag 5 december 2016

Hartverwarmende Letters op Maat


Wil je dit jaar eens bijzondere kerstwensen? Een kerstverhaaltje of -gedicht? Of wil je een unieke Nieuwjaarsbrief? Graag help ik je daarbij.

Schrijf me aan (virtueel postvak) en mijn vingers gaan voor jou aan het tikken. In ruil voor enkele kernwoorden en een vrije financiële bijdrage lever ik jou de tekst. Concreet neem je contact met mij op om je wensen kenbaar te maken. Na het afleveren van het resultaat krijg je mijn rekeningnummer en geef je wat je wenst.

Liever live? Ik zit met een tikmachine op de kerstmarkt van Ieper bij de triporterende barista SloWWings. Dit op zondag 11 december van 16u tot 20u & op donderdag 22 december en vrijdag 30 december van 17 u tot 21u.

 Waarom 'Wablieft'? Zelf ben ik al jaren gebeten door taal. Soms besef ik te weinig dat niet iedereen taal met open armen omvat. Wablieft gooit leesplezier uit en zaait taal die gewoon verstaanbaar is.

TINE ZIET (43): Dansen

Het is steeds moeilijker om deze wereld te begrijpen. Groot was mijn verbazing dat er in Brussel blijkbaar zoiets als een danstaks bestaat. Ik had er eerlijk waar nog nooit van gehoord. Deze vorm van belasting innen bestaat in onze hoofdstad al sinds 1950 en haalt jaarlijks ruim 90 000 euro op. Ook in andere plaatsen in België bestaat de danstaks . Zelfs in Moeskroen bijvoorbeeld worden er belastingen geïnd via bewegende benen. Mag ik dit raar vinden? En ook wel een beetje spijtig? Niet dat ik plannen heb om in de nabije toekomst te gaan dansen in Brussel of Moeskroen. Nee, ik let wel op!

Natuurlijk zullen er wel duidelijke redenen zijn waarom dansen op bepaalde plaatsen kosten met zich meebrengt. Meer bepaald op het gebied van veiligheid, openbare rust en orde. Ik kan me voorstellen dat als hele bussen vol feestgangers naar een café trekken en daar massaal beginnen te hakken, dat een dorp of een stad dan wel wat kan verzakken. Nee, serieus, natuurlijk vraagt een groots dansgebeuren om extra politiecontroles en geluidsoverlast. Maar het klinkt als een flauwe grap: ‘We vragen 0,50 euro per danser!’  Ben je als je even met je armen wappert al een danser? Waar trek je dan de lijn?


Op mijn eerste fuif bijvoorbeeld was ik nog totaal geen danser. Met armen gekruist hief ik soms een voet op om geen geplette tenen te hebben. Later vond men mij gewoon wat spastisch. Ook werd ik wel eens ‘de pletwals van de dansvloer’ genoemd. Nu ik al bijna vijf jaar in deze stad woon, dartel ik met Les Figurettes openlijk op zilveren hakken op straat. Op een feestje durf ik te schommelen in het ritme van de maat. Wie dat al eens zag, weet ongetwijfeld hoe dat gaat. Dansen, ik? Fred Astaire zou er zich om schamen. Jeanne Brabants draait zich ongemakkelijk maar stijlvol om in haar graf. Wie mij ooit in dansles zag, giechelt nog onbedaarlijk luid om de souplesse van mijn mouvementen. Een leerkracht noemde mij ooit een nijlpaard dat hij moest leren tapdansen. Met de feestdagen in zicht, dringt een walsje zich op,  maar wees gerust, mij in uw zaak laten dansen, kan dus eigenlijk geen kwaad. 

(verschenen als column in de De Weekbode / De Leie op 02/12/16)