Dit weekend kon ik landen bij het gezin van een vriendin. Ik durf wel vaker te landen, maar meestal is dat niet in een gezin met kinderen. In dit gezin staat het samen centraal. We dronken met zijn vijven een aperitiefje terwijl de kinderen ook een klein concertje gaven terwijl ze hun muziekstukjes oefenden voor het nakend toonmoment op de academie. We aten samen vol-au-vent met frietjes. We trokken samen de wandelschoenen aan, trotseerden de kou en aten samen taart. Dit allemaal in het gezelschap van de hond.
Ik kan daar eerlijk gezegd van genieten als dat organisch
gebeurt. Om opgenomen te worden in dat samen. Kinderen die je willen knuffelen.
Pubers zelfs. Zo kreeg ik een spontane knuffel van de veertienjarige zoon toen
ik vertrok. Daarbij de woorden dat hij het leuk vond dat ik er was. Vandaag
kreeg ik het bericht dat hij met koorts in bed ligt en dat men hoopt dat ik
niet aangestoken ben. Om eerlijk te zijn, ook al is het echt geen tijd om te
ziek te zijn (maar wanneer is dat het ooit wel?), ik zou mijn griep koesteren
als ik die op dat ene moment zou hebben opgelopen.
Soms heb ik het er maar lastig mee. Met die jeugd van
tegenwoordig. Ik begrijp hun humor steeds minder. Of waarom ze liever zwijgend
in spelletjes op hun gsm verdwijnen dan te vertellen wat er nu weer op school
gebeurde. Of waarom ze liever een dansje na-apen in plaats van dat dansje gewoon
zelf te bedenken. Maar het is nog niet helemaal verloren. Genieten zolang het
duurt. Voel ik daar al die eerste tekenen van koorts?
(verscheen als column in KW Kortrijk-Menen-Waregem op 30/01/26)