donderdag 14 maart 2013

stelt paal en perk (9):

Eerlijk is eerlijk: ik heb er een hele tijd over nagedacht of ik dit stukje wel moest schrijven: dit is misschien wel het 'blootste' stukje Tine Moniek ooit. Daarenboven loop ik de kans om na het verspreiden hiervan beplakt te worden met allerlei etiketjes. Vrouwen met partner zullen me opeens 'gevaarlijk' vinden. Meisjes in de fleur van hun leven zullen me 'meelijwekkend' vinden. Eenzame mannen zullen opeens 'prooi' in me zien. Anderen zullen me dan weer 'wanhopig' vinden. Dan is dat maar zo.

 Omdat deze vreemde lange donkere periode de weemoedigste Tine in me naar bovenhaalt, had ik afgelopen maanden veel gesprekken over het feit dat het zo moeilijk is om op mijn leeftijd nog op die ene partner te botsen die onvoorwaardelijk bij me hoort. De beste mannen zijn gewoon verdeeld. Wat overschiet is vaak gewoon op zoek naar een verzetje of een moeder. Zo lijkt het toch. Een paar vrienden gaven me de raad om me in te schrijven op een datingsite. Wantrouwig was ik toch hiervoor. Meer dan tien jaar geleden had ik me ooit ook eens op zo'n chatbox gegooid en echte leuke kennissen heb ik daar niet aan over gehouden. Alleen af en toe een grappig verhaal.

 Vorige week vrijdag had ik wat moed in de vorm van wijn in mijn lijf gegoten en meldde me aan op Rendez-vous. Echt hoge verwachtingen had ik er niet van. Ik wist dat dit niet gratis was. Omdat ik toch schrok van de prijs, koos ik voor een proefabonnement van een week. Dat kostte me €4. Dat had ik er wel voor over. De naam Tine leek veelvoorkomend te zijn. Omdat ik geen naam met een cijfer wou of een naam als 'mollig beertje', puzzelde ik mezelf tot de naam Enita om. Blij was ik met deze vondst. Enita was op zoek naar 'liefde'. Ik kreeg al onmiddellijk de melding dat ene Dirk me een knipoogje stuurde. En ook kreeg ik enkele pop-ups van mannen die met me wilden chatten. Ik dacht: 'Dat zit wel snor.', logde uit en ging met hoop in mijn dromen slapen.

 's Ochtends opende ik mijn mailbox en ik hoopte natuurlijk op een tsunami aan reacties. Dat viel behoorlijk tegen. Nu ja, ik had mijn profiel ook heel eerlijk ingevuld. Mijn foto lag nog altijd ter goedkeuring op het Rendez-vousbureautje. Ik merkte meteen dat weinig berichten origineel waren. De meesten waren standaard en werden wellicht naar alle nieuwe vrouwen gestuurd. Maar af en toe zat er iets bij waarvan ik dacht: 'Deze kerel doet tenminste nog moeite en moeite daar doe ik het voor.' Met evenveel moeite schreef ik een antwoord weer. Verder kreeg ik smileys met de boodschap 'Ik heb zin in jou' en 'Gaan we iets drinken'. Eenmaal mijn foto werd geplaatst, kreeg ik ook een paar likes. Het was me wel meteen duidelijk dat ik ook daar geen hoogvlieger zou worden.

 Het 'voordeel' aan een datingsite is dat je weet dat iemand op zoek is. Er moeten geen doekjes omheen. Als iemand me op café een knipoogje geeft, heb ik het niet eens gezien. En praten met een wildvreemde doe ik meestal niet. Nu ga je virtueel naast elkaar zitten en wat praat dat makkelijk zo op je eigen stoel of in je eigen bed! Zo makkelijk dat het gesprek bij de meeste mannen toch op seks uitdraait, ook al zeggen ze altijd: "Er zijn hier veel van die mannen, maar zo ben ik niet!" Maar op café heeft nog nooit iemand aan me gevraagd of ik geschoren ben.

 Met uitzondering van enkele zeldzame exemplaren, waarmee ik iets dieper kon graven dan 'kon ik je nu maar knuffelen' en 'wat heb je aan?' kan ik toch concluderen dat een datingsite voor mij niet ideaal is. Liever zit ik in m'n eentje op een barkruk dan dat ik weer de vraag krijg of ik misschien zin heb. En vijf minuten later weer. Of ik hem misschien wil zien. Of samen porno wil kijken.

 Ik ga mijn proefabonnement niet verlengen. Ook al zeggen sommige vriendinnen dat ik het te snel opgeef. Dat ik best nog wat meer tijd en geld investeer in het vinden van die ene. Dat ik me best een weg door dat woud van oneerbare voorstellen mag wurmen. Nee!  Mijn jachtplunje lever ik terug in (met garantiebon). Manhunt is niets voor mij. Dan word ik liever oud alleen maar met heel veel lieve vrienden en af en toe wat verzetpret. Ik kleef dan maar zelf het etiketje 'single' op mijn voorhoofd. En schuif er meestal 'happy' voor.

Maar ik sluit toch af met de woorden die ook op mijn profiel stonden. Omdat ik er samen met Enita in geloof. "Soms is het leuker om hand in hand door de bossen te stappen en naar lucht te happen. Soms is het fijner om met een adem in je nek naar de sterren te kijken. De zon in een nachtelijke zee, is mooier met twee." Toch?

maandag 18 februari 2013

Er is altijd iemand

Op zondag 10 juni 2012 opende ik mijn schrijfkamer in de mansarde van mijn huis in Menen. Ik deed dat met de hulp van mijn billen. Iedereen die toen met mij de steile trappen besteeg, beloofde ik een gedicht. Het heeft even geduurd, maar uiteindelijk is het toch gelukt. Alle gedichten staan hier verzameld.

donderdag 31 januari 2013

Ooit (22)

Ooit was poëzie voor mij een versje. Mijn lippen brachten het voorbij de mond. Tot in mijn oren. Mijn knuffelberen: mijn eerste echt publiek. Wat hield ik van klank en wat smaakten al die woorden! Een koning at honing. Een dwaas at pindakaas. Met mijn versjesboek op schoot werd ik bijna zingend groot.

Later werd poëzie voor mij een laken. Wat tot nu duidelijk omschreven werd, vertoonde opeens ook gaten. Om die op te vullen, moest ik me onder het gedicht begraven. Dat was wennen in het begin. Soms voelden de woorden zwaar en schudde ik ze te vroeg van me af. Soms dacht ik ze lichter dan ze bedoeld waren.
Maar ze raakten me meer dan cijfers. Ze plakten op mijn vel. Vandaar dat ik op een dag besloot om voortaan getallen uit m'n hoofd te weren zodat ik meer ruimte voor letters over had. Met alle gevolgen van dien. Noem het gerust een totale overgave. Of zeemzoeteriger nog: bezieling. Verknocht was ik aan die taal die meer zegt, dan wat er staat.  Dat ik poëzie ooit ontdekte en tot me nam als vederlichte boterhammen. Dat ik daardoor anderen ook van poëzie liet bijten, heeft me nog nooit gespeten.

Nu is het voor mij een verrijking in dit leven. Het houdt mijn geest soepel en het grijpt me bij de keel. Het is voor mij een plek om me in te verbergen. Meer nog: als ik sterf, wat zeker is, sterf ik liever in een gedicht, dan in een periodiek systeem.

Dat smaken verschillen. Dat de één van allitererende volzinnen houdt. De ander een sonnet verkiest. Een ander weer een gevatte haiku omarmt. Weer een ander smelt voor vorm, concept. Dat is het punt niet. Dat niet iedereen gedichten leest als ik, daar lig ik ook niet wakker van. Anderen doen wellicht wat meer aan sport en aan hun lijf. Of ze verdiepen zich in bits en hits. Feit is: iedereen doet wel iets, waar hij of zij in wil verdwijnen. Dat hoop ik. Iedereen gaat toch ergens naartoe? En nee, poëzie kan deze wereld niet meer redden. Wel opent het net als alle kunst een deur en ramen. Daarmee schenkt het ons een uitzicht. Het laat ons licht of biedt ons net die mogelijkheid om even in het donker te blijven.

Dichters zijn geen goden. Het zijn geen almachtigen. Maar ze mogen wel eens op een voetstuk staan. Wat nog veel fijner is: na Gedichtendag zijn er gewoon nog!  Met minder tromgeroffel dat wel. En sommigen zullen wellicht weer minder wijzen naar zichzelf. Wat een geluk!  Zonder dichter, die nederig tot in zijn pen gebogen, aan de voeten van de verbeelding en de taal ligt, is de ploeterende en walmende aardkloot - voor mij - namelijk geen gezicht.


woensdag 16 januari 2013

PS 9:

BFF,

Wat ben ik blij dat ik je vandaag niet tref. Ook al is de dag nog niet eens voor de helft voorbij, ik weet al met de grootste zekerheid je zeker niet tegen het zachte lijf te lopen. Immers: je bent net als ik op dieet. Maar terwijl ik minder eet en sloten groene thee drink, voel jij je lichter zonder mij en bestaat je afslankkuur dus uit mij mijden.

Ik weet wel dat jij het anders ziet. Je hebt het druk. Te druk om wat voor teken ook te geven. Dat kan best zijn. Voordien heb ik het steeds geloofd. En wellicht zal ik ook nu weer smelten als ik je toch weer zie. En God, wat voel ik me licht als ik in je handpalm lig! Ik heb me voorgenomen: deze keer zoek ik die niet. Die hand die je me reikt, als ik je mail of sms. Want alleen dan, laat jij je horen. Dat dit typisch mannelijk is, kan best zijn. Maar ik ben het zat er voor jou te zijn en jij nooit spontaan een keer voor mij.

Voorbije nacht was volgens welingelichte bronnen de koudste. Dat is niet waar. Veel kouder was het toen ik besefte dat dat hart van peperkoek mij schaadt. Hoe ik ook probeer om zoet te weren, elk sneetje dat ik uitdeel, keert even zoet weer weer. Van al die suiker wordt ik moe, geagiteerd.  Soms dompel ik het onder in een bad van bitterheid. Het helpt geen zier. Binnen geen tel parelen de suikersteentjes weer op dat veel te zoete hart van mij.

Het is werkelijk geen gezicht. Het is niet om aan te zien. Vandaag spring ik van been naar been en stop mijn vingers in de mond. Nee, ik laat me niet meer horen voordat jij... Het vraagt me meer volharding dan groene thee in plaats van een goed glas wijn. Dat kan al tellen dus. 

God, geef me koppigheid tot zwijgen. Binnenkort zien wij elkaar. Ik zal wel lachen. Naast je komen staan wellicht. Dat ik dit schreef zal jij niet weten. Dat ik zweeg, niet eens opgemerkt. En dat grote kleffe ding in mij, zal weer selectief vergeten.

Was ik maar in een tel zo mager en zo vel over been dat ik ongemerkt in je gedachten af kon dwalen.  "Denk aan mij. Denk toch alsjeblieft aan mij. " Meer zal ik echt niet van je vragen.

Liefs!
  

maandag 19 november 2012

Ooit (21):

Ooit zocht ik mij zelden op in winkelruiten. Met de blik omlaag en snelle pas liep ik mezelf letterlijk voorbij. Hoe kon ik mij zo mijden? Hoe kreeg ik dat toch voor elkaar?

 Wellicht had het vooreerst te maken met oogcontact. Zelfs in mijn eigen paar keek ik bedeesd. Daarnaast had ik het lastig met mijn lijnen die toen al op geen enkele paspop konden blijven. Tenslotte bedacht ik me ook zonder kleren nooit in de mode.

 Op een dag leerde ik te kijken. Wat herinner ik dat me goed. Ik bladerde enkele uren daarvoor nog in een krant. Groot was mijn verbazing daarin mezelf te zien. Wel dertig keer bekeek ik een foto waar ik nooit voor had geposeerd. Iemand had mij in een bekende Amerikaanse band gedropt en ik sprak niet eens die taal! Ik toonde de foto aan mijn ouders die natuurlijk niet begrepen dat ik mezelf in dat meisje met die blote buik kon zien. Ze zeiden: "Een beetje lijk je er wel op. Een heel klein beetje dan misschien." Maar voor mezelf was dat beetje groot genoeg om vanaf die dag oog in oog naar mij te kijken.

 Het was niet zozeer het verlangen naar roem maar het feit dat ik mezelf wel eens kon verrassen, dat me naar die foto blijven kijken deed. Welke meisjes konden nog in mijn botten schuilgaan? Welke versies kleefden nog achter mijn ribben? Dat ontdekken kan enkel op een onbewaakt moment - net zoals in die krant toen. 

Daarom hou ik nu van etalages die me onverwacht te kijk zetten. Ook al word ik soms onvoordelig tentoongesteld en zijn mijn lijnen steeds minder fijn. Wie zal ik nu weer in mezelf ontdekken? Ik kijk de ogen uit mijn lijf.

donderdag 18 oktober 2012

Ooit (20):

Ooit kon ik mijn gedachten in twee handen pakken. Ze pasten keurig in mijn palmen. En wat groter was, entte zich aan wat te dragen was. Makkelijk. Zelfs voor iemand die geen planten houden kan.
Als ik wou zien wat ik kon denken, opende ik het hoofd en greep met beide handen. In geen tel kon ik het wemelen van ideeën zien. En in minder dan een tel sloot ik het weer. Omdat ik zuinig was op het verstoren van mijn hoofdwerk. Nuchter dromen, de titel van mijn brein.

Met het lengen van de dagen (en daarmee doel ik op het almaar langer worden tot het bijna knapt) lukt het mij niet meer. Overpeinzingen schieten meters van mijn vingers vandaan. Ingevingen worden opeens heel zwaar.  Het wordt praktisch onmogelijk om al mijn opvattingen te bevatten.
Men zou met een vinger kunnen wijzen naar het groeien. Hoe ouder, hoe wijzer. Hoe meer mee te dragen, hoe meer gewicht. Logisch. Maar niet correct. Helaas. Want hoe meer je dacht, hoe beter je kan sorteren: "Dit is nutteloos." "Onzin." "Dit mag blijven." Een hoofd dat rijpt relativeert de rommel uit het brein. Dat is toch de normale gang van zaken.

Dit buiten-alle-perken-zijn, hoe is me dat toch kunnen overkomen? Lukt het mij snel weer alles op te pakken? Te berusten tussen de slapen. Maar bovenal: valt er nog wat van mijn koele hoofd te rapen?
Ik grijp. Ik pak beet. Ik graai uit alle macht en hoop snel in alle macht wat ik denk weer te omvatten.

Wat ik verzamel nu is dit - het is niet veel -: ik werd dit jaar drieëndertig. Smalend sprak ik van mijn doornenkroon. Ik zei: "Ik heb geen baard, maar wel een kruis." En meer dan ooit - vandaag -  groeit het besef. Dit is het dan. Dacht ik maar ooit een keer gewoon.

"O hoofd vol bloed en wonden,
bedekt met smaad en hoon,
o hoofd zo wreed geschonden,
uw kroon een doornenkroon,
o hoofd eens schoon en heerlijk
en stralend als de dag,
hoe lijdt Gij nu zo deerlijk!
Ik groet U vol ontzag."

maandag 8 oktober 2012

Ooit (19):

Ooit was begrip 'my middle name'. Om maar niet te zeggen mijn handelsmerk. Maar tevens was het ook mijn zwakte. Dat komt wellicht door mijn gave om makkelijk in iemands schoenen te kunnen staan. Zelfs stiletto's passen me mentaal. Uggs, crocs, voetbalschoenen, klompen, skilatten, slippers, glazen muiltjes,... Ik geef toe: het ziet er met mijn benen in niet uit: maar het lukt me om zelfs in dit soort schoeisel te blijven staan. Hetzij voor even.

Empathie heet dat. Inlevingsvermogen. Verloor iemand een broer, kon ik perfect met al mijn broers in leven, voelen wat die ander moest ontberen. Had iemand ruzie met een ander kon ik altijd troosten en tegelijkertijd opkomen voor die ander door halverwege ook eens in die schoenen te springen. "Ik begrijp jou, maar ik begrijp ook die ander." Had iemand me iets verkeerd gedaan dan deed dat 'au' maar ik begreep, ook al wou ik niet altijd begrijpen. Ik wentelde me zonder dat ik het toen al wist in de bekende woorden van William Blake. 'Can I see another's woe,/ And not be in sorrow too? / Can I see anothers's grief, / And not seek for kind relief?

Dé perfect gave voor wie schrijft of toneel speelt, zou men wel eens pogen te denken. Inderdaad. Wellicht. Maar erg onhandig voor wie in dit échte leven denkt en voelt. Vooreerst zou je je eigen schoenen daardoor wel eens kunnen negligeren. Eén blik op de lederen lapjes om mijn tenen: check! Daarnaast is het almaar verplaatsen van voeten in ander schoeisel enorm vermoeiend. Zeker voor iemand die niet alleen op het eerste zicht niet fit is. Het zal je wellicht verbazen: op een mindere dag verspring ik wel een stuk of twintig keer. Op hoogdagen wel meer dan vijfhonderd. Veters lospeuteren en weer aanspannen. Gespjes. Ritsjes. Snoertjes. Zelfs klevers gaan op den duur vervelen. Want wie het schoentje past, die moet dat goed doen...

Nu is me iets vervelends overkomen. Na al die drieëndertig jaren sprong ik in een paar bijzondere schoenen waarin ik in eerste instantie verdronk. Ik verloor alle grip. De schoenen waren scherp van stof en hoe vaak heb ik me er niet aan gesneden? Omdat ik ze zo mooi vond, bleef ik springen. Ik klampte me in alle macht aan een veter vast. Eindbalans: ik verloor een teen. Ik schaafde mijn hielen. Ik versleet een wreef of twee. Uiteindelijk kreeg ik de schoenen uitgeschopt. Verloren heb ik. En hoe: mijn voeten willen maar niet helen. Het lijkt alsof alle gevoel en vooral de empathie eruit is verdwenen.  

Noem het gerust een nederlaag voor de Imelda Marcos van al uw schoenen.
Ik genees. Maar in die tijd: poets mijn toppen, spaart u toch mijn schenen.


TINE ZIET (536): Bus

Deze zomerdagen probeer ik meer en meer de confrontatie aan te gaan met al mijn persoonlijkheden. Zo heb ik er meer en meer de behoefte aan ...