maandag 21 maart 2022

TINE ZIET (313): Tulp

 Omdat ik zaterdag uitgenodigd was bij een vriendin die ik eigenlijk al in hele lange tijd niet écht gesproken had, ging ik op zoek naar kleurige bloemen. Die breken vaak het ijs. Ik vond mooie tulpen en liet ze inpakken. Ook deed ik mezelf een klein boeketje cadeau. Dus liep ik met twee pakken tulpen in mijn armen terug naar huis. Het was frappant hoe ik de gezichten van de voorbijgangers zag opfleuren als ze mij met die bloemen over straat zagen lopen. Een onbekende vrouw sprak me aan en complimenteerde me met de mooie tulpen. Ik bedankte haar in naam van de bloemen en bedacht dat ik het vaker zou moeten doen: met een mooi boeket over straat lopen. Het deed me goed om mensen zomaar te zien oplichten. Ik fleurde er zelf ook van op.  

Vroeger wou ik altijd een soort van Moeder Theresa zijn. Dat ging me meestal wel goed af. Hoe meer mensen ik wat gelukkiger kon maken, hoe beter want ik werd er ook gelukkiger door. Naarmate ik ouder werd, kwam ik tot de constatatie dat mensen dat dan ook altijd van jou gaan verwachten.  Dat je ze blijer maakt. Ze lijken nooit te verwachten dat het ook eens omgekeerd kan zijn. Dus werd ik maar wat zuiniger met mijn opfleuracties. Niet uit kwade wil of wrok maar om nog genoeg liefs voor mezelf over te houden als ik op het einde van de rit zelf wat extra zachtheid kon gebruiken.

Met deze simpele actie kan het dus weer. Een boeketje kopen. Desnoods voor jezelf. Dan heb je er minstens nog een week plezier van! Wellicht lukt het ook met andere dingen. Ik bedacht wat ik nog allemaal zou kunnen kopen waarmee ik mezelf én anderen een plezier kan doen. Ik overweeg de aanschaf van een goudvis in een bokaal op wielen die ik door de centrumstraten vooruit moet duwen. Of een hele grote slagroomtaart in een doorzichtige doos. Iets kleiners kan natuurlijk ook. Misschien kan het een hype worden: voortaan komen we op straat met een ‘bussel pret’?   

(verscheen als column in KW Kortrijk-Menen-Waregem op 18/03/22) 

dinsdag 15 maart 2022

TINE ZIET (312): The Show Must Go On!

Vorige week vluchtte ik na een deugddoende ochtendwandeling voor een verjaardagstsunami naar het fijne ’s Hertogenbosch. Wist ik veel dat de stad elk jaar even van naam verandert! Ik stapte uit in station Oeteldonk en kwam in het overweldigende geel-roodgekleurde carnavalsgedruis terecht! Eén euforische walmende bende! Gelukkig logeerde ik een huisje in een tuin met krokussen en vond er toch de rust die ik er eigenlijk zocht. Zoals jullie wellicht wel kunnen vermoeden hou ik van feestjes, maar carnaval in een onbekende stad is me toch een brug te ver en zoals eerder geschreven, ging ik er echt ook heen om alleen te zijn. Om in de plooi te vallen of zo. Meestal lukt me dat als melancholicus beter alleen dan in groep.

Heb geen medelijden. Ik hou ook van mensen: eenmaal weer thuis was ik voortdurend omgeven door familie of vrienden. Bovenal door feest. Er waren repetities en er was een opnamedag. Er was een fijne akoestische set van Mooneye in het geënsceneerde café De Voerman van Edgar Antoin in ’t Schippersmuseum. Vrienden verrasten me zelfs met een heus verjaardagsfeestje. Er was daarenboven nog een verrassingsetentje voor mijn jarige broer. En ja, eindelijk zie ik weer de hele gezichten van mijn leerlingen en collega’s en zij mogen weer naar het mijne kijken. Of ze dat nu willen of niet.

Maar eerlijk is eerlijk: ik zou het liever nog wat ophouden. Dat masker. Want ik voel me zo droef en zo zwaar. Een lieve en blije vriend stierf onverwacht en veel te vroeg. Maar The Show Must Go On! We horen blij te zijn, nu alles weer mag. Helaas brengt niets hem terug. En wordt het akelig lente.

Het ware geluk is wellicht geen reisje. Of een tuin met bloeiende bloemen. Het is geen fles wijn of een confettikanon. Het is een feestje waarbij niemand wordt gemist. Al ben ik inmiddels al groot, ondanks zoveel zorgen en problemen, raakt niets harder dan dood.

(verscheen als column in KW Kortrijk-Menen-Waregem op 11/03/22) 

maandag 7 maart 2022

TINE ZIET (311): Oorlog

Als jullie dit lezen ben ik officieel een jaartje ouder geworden. Als ik er goed over nadenk, besef ik wel dat ik mentaal een paar jaar extra tel. Want terwijl ik vorige week nog over angsthazen schreef, is er oorlog uitgebroken. Ook al woeden er altijd ergens oorlogen, deze keer komt het natuurlijk wel heel erg dichtbij. Sommige mensen vinden het hypocriet dat onze aandacht nu naar Oekraïne gaat, terwijl er in Somalië bijvoorbeeld ook gebombardeerd wordt. We zijn verontwaardigd dat zo vlak voor onze neus dingen gebeuren waar we eigenlijk niets kunnen aan doen. Natuurlijk zijn we bang. Daarenboven zijn we in deze tijden allemaal zo met elkaar verbonden dat we allemaal wel iemand kennen die in Oekraïne of Rusland woont waardoor we ook meer betrokken zijn.  Er is ook sociale media: tussen de vrolijke carnavalsfoto’s van kinderen van vrienden, doemen nu ook foto’s en filmpjes van oorlogstaferelen op. Ik betrapte me er zelf op dat ik na een filmpje over gekke dieren opeens een tank over een auto zag rijden en dat ik later die dag fluitend bosjes tulpen in een vaas schikte alsof het twee filmpjes waren geweest die zomaar voor het vermaak werden gemaakt.

Ik lieg natuurlijk wel een beetje. Dat fluiten was minder vrolijk dan hoe ik daarvoor floot. Dat  weet het kleinste kind. En dat is ook maar goed. Immuun voor leed en onrecht wil ik nooit worden. Het is zo hartverscheurend en het raakt enorm. Machteloos lijkt de wereld toe te kijken. We kunnen meer dan we denken. Ik denk aan Luk die op het moment dat ik dit schrijf met zijn auto zijn schoonmoeder en schoonzus heeft opgepikt in Oekraïne en nu op de terugweg is om hen hier op te vangen. Ik denk aan andere helden die deze wereld wat humaner maken.  Mensen die niet in de openbaarheid treden. Ze zijn er nog. En dat mijn tulpen ondertussen verwelken en dat ik nog zal fluiten. Al is het maar voor meer vrede.

(verscheen als column in KW Kortrijk-Menen-Waregem op 04/03/22) 

 

zondag 27 februari 2022

TINE ZIET (310): Angsthaas

De laatste maanden, jaren zelfs, verzamel ik hazen bij de vleet. Ik verstop ze angstvallig onder mijn bed. Volgens mij begon de collectie met vliegtuigen die opeens door torens vlogen. Ineens loerde gevaar dichterbij. Een haas sprong geschrokken op mijn schoot. Voortaan keek ik met die loebas op mijn schouder naar boven als ik een vliegtuig zag. Ik herinner me daarna een vette haas bij het zien van de tsunami op de televisie. Al begon het misschien veel eerder toen ik met schrik bij de juf ging staan omdat een jongen uit de kleuterklas graag onder onze rokjes keek.

Mijn hele leven ben ik nog nooit echt een held geweest: ik zag de hazen voordien wel voor schattige konijntjes aan en zag geen verder gevaar.  De laatste tijd groeit mijn collectie mottige exemplaren wel erg snel aan. Een pandemie is heel gevaarlijk. Hop daar is er één! Regen kan opeens ook hier vernietigend zijn. Daar is er weer één! Om van stormen die we opeens een naam gaan geven maar te zwijgen. Angst zwelt in hoge mate aan!

Wat begon met een angstig over de schouder loeren, een occasionele nachtmerrie,  voelt nu als drukken op een borst. Een hijgen in de nek. Een almaar harder kloppen van een hart. Een paar handen om een nek. De hazen worden hariger en groter en ze stinken verschrikkelijk uit hun bek.

Soms denk ik dat iemand doelbewust dat leger beesten op me afstuurt. Omdat ik dringend meer onder mijn bed moet kijken en omdat het misschien genoeg is geweest om het leven domweg zonder angst te leven. Er is wat te vrezen! Al weet ik erg zeker dat dit geen persoonlijke afrekening is: wellicht zijn er nog veel meer collectioneurs. Hebben jullie ook een verzameling?  We zouden met onze meest zeldzame exemplaren naar buiten kunnen treden. Misschien kunnen we zelfs hazen ruilen. Al denk ik, weet ik bijna zeker: de grootste angsthaas dat ben ikzelf. Onbeschut pas ik onder geen enkel bed. 

(verscheen als column in KW Kortrijk-Menen-Waregem op 25/02/22) 

maandag 21 februari 2022

TINE ZIET (309): Feestpolitie

Gisteren zwaaide een man me naar de kant van de weg. Helaas was het niet voor die liefdesverklaring waar ik al mijn hele leven op wacht. Hij had een lichtgevende sabel dus ik wist meteen hoe laat het was. Hij stelde zich voor als “Hallo, Feestpolitie!”. Kwam dat even goed uit! Ik had net een fijn weerzien gehad met vrienden. Dus ik had zin om bij wijze van spreken vrolijke serpentines in de man zijn gezicht te blazen. Hij stopte eigenlijk praktisch meteen een toestel in mijn mond en vroeg me daarin zo hard mogelijk te blazen. Omdat ik van mijn melk was en omdat mijn gordel wellicht niet eens was los geklikt, lukte dat niet meteen. Ook een tweede en een derde keer had ik net te weinig adem. De man werd er zowaar kregelig van en dacht waarschijnlijk dat ik met opzet adem achterhield, vooral omdat mijn lachje in ongemakkelijke situaties hem misschien een andere indruk gaf dan wat het toestel uiteindelijk aantoonde: mijn adem was veilig.

Daarna vroeg hij mijn papieren. Die haalde ik met een vlotte beweging uit. Helaas voor mij zat er ook een oud bewijs van autoverzekering tussen. Dat kreeg hij eerst in handen. Toen ik hem vertelde dat ik wel degelijk in orde was, maar dat hij wellicht een verkeerd papier had, geloofde hij me niet. Hij begon al aantekeningen te maken en vroeg me naar mijn brandblusser. “Brandblusser?” dacht ik in paniek. Zonder verpinken begeleidde ik hem naar mijn koffer waar ik een vervallen brandblusser aanwees. Hij begon een preek, maar ik onderbrak hem omdat ik intussen mijn adem had hervonden. “Mag ik voor alle zekerheid nog eens kijken voor dat papier van de verzekeringen? Dat is echt ok!” Hij gaf toe. Toen vond ik in het bundeltje dat hij in handen had gehad ook het nieuwste exemplaar. De agent reageerde merkbaar ontgoocheld. Met een waarschuwing kwam ik er vanaf.

Iedereen doet gewoon zijn werk. Maar ik wens de man in kwestie toch de liefde toe die hem doet kietelen tot een glimlach. Of misschien zelfs verleiden tot een feest.

(verscheen als column in KW Kortrijk-Menen-Waregem op 18/02/22) 

maandag 14 februari 2022

TINE ZIET (308): Kat op een zak

Deze week betrapte ik me er op dat ik aan de kassa van het warenhuis een papieren zak vroeg en dat ik dat uiteindelijk niet om ecologische redenen deed. Alhoewel, na verloop van tijd verhuist de zak naar de oud-papier-afdeling en mag daar dienst doen als drager van het klein papier. Natuurlijk is het handig om er mijn boodschappen mee naar huis te dragen. Eerlijk waar: eigenlijk heb ik de zak puur en alleen maar gevraagd om na de boodschappen platgestreken op tafel te leggen.  Ik heb per toeval ontdekt dat ik er mijn kat Frieda erg gelukkig mee maak. Op haar oude dag wordt ze elke dag wat nukkiger, dus elk geluk is goed. Om één of andere reden heeft een papieren zak op tafel hetzelfde effect op Frieda als een reisje op mij.  Zo zit ze nu ritselend naast me en waant zich in een grote zonnige tuin vol merels en katers. Ze wentelt en draait en mekkert daarbij en kijkt zo liefdevol naar mij.

Waarom ik dit deze week in de krant schrijf? Omdat ik meer en meer tot de constatering kom dat ik soms gewoon liever wat meer als Frieda wil zijn. Niet dat ik spinnend ga kronkelen op een papieren zak. Ook al leert de ervaring mij dat alles kan in dat verrassende leven van mij. Soms heb ik gewoon eens als vanouds zin in doodeenvoudig geluk.  Ik oefen af en toe. In slechts één koekje bijvoorbeeld. Of maar één glas wijn. Ik stuntel met de verwarming minder warm en meer gewoon eens thuis. Het helpt. Al blijft er altijd wel die honger naar meer die ik me in de loop van de jaren nota bene zelf heb aangeleerd met dank aan een almaar uitdijend assortiment. Eens een ander geurtje. Zin in een ander soort brood.  Ik verwens hartgrondig de verwende snol in mij.  

Al wat ik wil voor Valentijn is een doodgewone papieren zak. Een aai op mijn bol. Of ja, na al die maanden zonder warm water: een dampend schuimend bad met een simpel geutje liefs daarbij. Wat maakt dat idee me blij!

(verscheen als column in KW Kortrijk-Menen-Waregem op 11/02/22) 

maandag 7 februari 2022

TINE ZIET (307): Hoofdkantoor

Elke keer als ik naar mijn moeder ga, kan ik heel goed de bus van het ziekenfonds zien. Ik heb daar verder geen zaken mee, maar vandaag wapperde een blad op de plaats van de bus. Nieuwsgierig als ik ben, was ik benieuwd naar de boodschap die op dat blad stond. Er stond geschreven dat de bus er voortaan niet meer is en dat de briefjes in de bussen van de aangrenzende gemeentes welkom zijn. Fijn voor wie mobiel is. Voor wie het lastiger heeft, is het natuurlijk weer een hindernis in het leven van elke dag.

Het excuus dat er nog weinig briefjes worden uitgereikt, houdt geen steek: in de tijd dat ik het briefje zag wapperen zag ik zeker meer dan twintig mensen voor een verdwenen bus staan. De meesten te voet. Even naar de andere bussen wandelen of fietsen, is misschien gezond maar niet iedereen gegeven. 

Eerder schreef ik hier al over wegtrekkende bankfilialen en geldautomaten. Dat mensen die hun hele leven gewerkt en gezorgd hebben ineens in de kou staan als ze niet in de buurt van hoofdkantoren wonen of geen internetgebruikers zijn. In dit geval vind ik het eerlijk gezegd nog kwalijker. Ziekenfondsen zijn er toch net om mensen te helpen als ze door één of andere omstandigheid ineens niet meer zo gezond zijn? Ik begrijp de hang naar mooiere en moderne kantoren. Ik begrijp dat het financieel misschien niet haalbaar is om kleine kantoren open te houden. Evenwel zouden er in deze situatie toch betere oplossingen kunnen zijn? Een vrijwilligersdienst die briefjes ophaalt uit vaste brievenbussen bijvoorbeeld?

Ik zou het nog kunnen hebben over zorginstanties, vrijwilligersdiensten voor zieke en vereenzaamde mensen bij hun personeel en vrijwilligers die de druk zo opdrijven om alles elektronisch en met grotere tijdsdruk af te werken zodat ze het niet meer zien zitten om te zorgen. Het is buitengewoon bedroevend: een hoofd dat het almaar meer wint van het hart.

(verscheen als column in KW Kortrijk-Menen-Waregem op 04/02/22) 

TINE ZIET (542): Fietsschrik

Goede voornemens neem ik liever bij het begin van het schooljaar dan bij het begin van een kalenderjaar. Elk schooljaar wil ik aanvatten met...