Zaterdag was ik jarig. Geen wereldnieuws. Ik had mijn eigen verjaardagsfeest georganiseerd bij Matinee Moniek. Een tafel vol taart. Boeiende gasten en een bib vol mensen. Aandacht en een presentjes. En ’s middags aan tafel met fijne vrienden. Meer moest dat eigenlijk niet zijn. Daar stopte het natuurlijk niet. Wie mij kent, kent mij als veel en niet als weinig. Het was pas op zondag, dat jarig rijmde op karig, want zelfs de voordeur openen voor een koerier vroeg nét te veel inspanning. Zet me in stilstand, en ik snooze de hele dag.
Mijn kat Frieda zit momenteel in haar laatste seizoen, denk
ik. Ze kent alleen nog de snooze-modus en zoekt minder mijn aanwezigheid op. Ze
kijkt me ook aan met een vernietigende blik als ik weer naar buiten glip. Maar
als ze spint, dan spint ze. En als ik haar mag aanraken, raak ik haar aan, de
trouwe lieve dame.
Het klinkt misschien wat sentimenteel, maar geen enkel
iemand moet me zo goed kennen als zij mij kent. Ze kent me in mijn glorie, mijn
naaktje en in mijn schaamte. Ze weet wat ik doe als ik ziek ben. Ze weet hoe ik
eet. Ze weet zoveel. Zondag heeft me gemeden. Ze heeft genoeg venijnige katers
gezien in haar leven. Maandag mocht het weer. Dan kwam ze weer naast me zitten.
Een plekje in de lentezon. We zien elkaar graag. Zij laat al bijna twintig jaar
jarig rijmen op harig en meewarig. En hopelijk dit jaar ook op voorbarig. Dat
ze nog maar wat bij me blijft, mijn meisje. Ik beloof haar dit jaar –
plechtiger dan ooit – dat ik het rustig aan zal doen met katers.