Zondag reed ik door Wallonië om een kunstroute te bezoeken. Bij de terugweg loodste mijn gps me naar Dottignies. Ik merkte dat er daar wel heel veel auto’s geparkeerd waren. Er was daar inderdaad een grote kermis gaande. Ik zag er vlaggen wapperen met een hand op en toen ik de omleiding volgde, kwam ik almaar meer voetgangers tegen die naar het centrum wandelden. Mijn befaamde nieuwsgierigheid was gekieteld en heel even hoopte ik ook een parkeerplek te vinden. Wie mijn parkeerskills kent, kan al voorspellen dat ik er geen gevonden heb. Daarom deed ik eenmaal thuis toch wat opzoekwerk om te controleren welk een volksfeest ik nu precies gemist had. Dat had ik beter niet kunnen doen, want ik had meteen spijt dat ik het niet met eigen ogen gezien had.
Blijkbaar staat er op de kerktoren van Dottignies geen haan,
maar een hand. Er bestaan verschillende verhalen hierover. Reden genoeg voor
een jaarlijks feest met een handjesworp. Een hand als teken van geluk en
verbondenheid. Met Gilles en reuzen en vooral veel folklore. Mijn fantasie kon schaamteloos
ontkiemen.
Als ik de toestroom zag, leek het me heerlijk om samen hand
in hand met onbekenden en met open mond naar de kerktoren te staren en die hand
op de toren te zien zwaaien. Wat
natuurlijk niet kan. Maar in mijn droom dus wel. Eén levensgrote hand.
Beschermer van Dottignies. Toch ook een beetje luguber die verbeelding van mij.
(verscheen als column in KW Kortrijk-Menen-Waregem op 25/09/26)