maandag 23 mei 2022

TINE ZIET (322): EHBO

Gisteren moest ik opeens gereanimeerd worden. Dit in een les EHBO. Een hulpvaardige en zorgzame collega vond me stikkend op de grond na het verorberen van een koekje. Ze probeerde eerst vruchteloos het Heimlich manoeuvre op me uit. Van de instructeur moest ik verder stikken tot bijna-dood zodat ik even later vervangen werd door een beenloze pop die hartmassage kreeg van mens en machine. Om eerlijk te zijn vond ik dit een heftige ervaring. Ook al was het louter een rollenspel. Zo empathisch ben ik dus dat ik me bleef inleven. Ik zag gewoon mezelf liggen met die pads op mijn borstkas. Na haar pompen, schoten andere collega’s te hulp.  Bedoeling was dat we allemaal onze reanimatietechniek zouden oefenen. Zo gebeurde het dus dat ik mezelf als laatste over mijn denkbeeldige ik zag hangen om me ritmisch nieuw leven in te pompen. Later bleek dat ik een allergische reactie had gehad en dat alleen een snelle injectie adrenaline me had kunnen redden.

Allemaal simulatie waarvoor ik me vrijwillig had aangemeld. Want eerste hulp bij ongevallen hoe ging dat ook alweer? Niet alleen het noodnummer veranderde. In de tijd dat ik het aangeleerd kreeg waren er nog geen AED-machines in het stadsbeeld. Ook werd toen nog aangeraden om hartmassage af te wisselen met mond-op-mondbeademing. Dat werd nu ten stelligste afgeraden. De zekerheid dat je een medemens in dergelijke gevallen gewoon moet helpen, is gebleven. Ik kan het iedereen eens aanraden om de basistechnieken op te frissen. Al is het maar dat ik me straks veilig voel als ik me overdadig in de koekjesdoos stort of fietsend op mijn bek ga. Voor een dode duif in mijn straat was het te laat. Alsook voor zoveel anderen die in de droevige rubriek van deze krant staan. We halen allemaal zoveel mogelijk uit het leven dat we krijgen. Meestal werken we op natuurlijke adrenaline. Maar wie geeft mij in geval van nood weer adem?

(verscheen als column in KW Kortrijk-Menen-Waregem op 20/05/22) 


maandag 16 mei 2022

TINE ZIET (321): Slak

Het is inmiddels geen geheim meer dat ik deze zomer ga verhuizen. Geen paniek: deze rubriek verhuist niet mee, want ik blijf gewoon in Menen wonen. Als alles goed gaat woon ik straks in een écht huis, zoals ik het blijf noemen. Nu, het is natuurlijk een fijn idee om een nieuw fris hoofdstuk te beginnen in een andere buurt. Overal waar ik iets over dit project vertel, reageert met: “Tof!” “Proficiat!” Ik moet het ook toegeven: ik vind het zelf een fijne gedachte om straks een nieuwe thuis te hebben Al vraagt het enorm veel. Dan bedoel ik niet louter financieel. Want je betaalt niet alleen het huis, de verhuis en de rompslomp eromheen, maar ook ander meubilair lonkt. Daarnaast is het niet eenvoudig om als alleenstaande artistieke  linkshandige chaoot rechtop te blijven staan tijdens al het geregel en het gepieker. Want hoe mooi de nabije toekomst ook lijkt, gepieker is een feit. Maakte ik wel een goede beslissing? Is het wel een goed moment? Welk meubilair kan ook daar nog mee? Vorige week bijvoorbeeld herontdekte ik het containerpark. Ik mocht weer aan de levende lijve ondervinden dat zelfs afval sorteren geen sinecure is. Gelukkig werd ik er goed geholpen.

Vrienden bieden me aan om te helpen. Bij het verhuizen zelf, zal ik die hulp ferm kunnen gebruiken. Alsook bij het versjouwen van groter gerief naar het containerpark. Wat me in dit stadium gewoon had kunnen helpen, was een vak op school dat me door dit hindernissenparcours had kunnen helpen. De Stelling van Pythagoras en de vegetatie bij de taiga helpen me niet hierbij. Een vak als “Hoe georganiseerd te leven op eigen benen?” was geen luxe geweest. Met daarin waarschuwingen voor agressieve vastgoedmakelaars bijvoorbeeld. Of een handleiding om op efficiëntere wijze een auto te vullen. Niet iedereen werd als geslepen en handige Harriëtte geboren. Een huisje op een slak verzetten, is niet vanzelfsprekend.

(verscheen als column in KW Kortrijk-Menen-Waregem op 13/05/22) 


maandag 9 mei 2022

TINE ZIET (320): Dertig

De bordjes zaten al een tijdje verstopt in plastic zakken, maar uiteindelijk werden ze als een ware surprise onthuld. Ook al werd zone 30 aangekondigd, het was toch even schrikken dat het onze stad menens is! Wie me kent, weet dat ik geen snelheidsduivel ben. Ik doe al veel te voet en laat mezelf meer en meer op mijn fiets uit.  Aangezien die nog op mijn eigen slome paardenkracht rekent, is er weinig gevaar dat ik al fietsend ooit te snel zal rijden. Toch mocht ik al ervaren dat die aanpassing me op vier wielen heel veel inspanning zal vragen. Begrijp me niet verkeerd: ik vind het top dat er iets gedaan wordt aan die auto’s die achteloos ook door mijn straat razen.  Dat ik zelf nu meer met een panische blik naar mijn snelheidsmeter zit te staren in plaats van op de weg, is nog maar één van gevolgen van de actie.

Het voelt als rijden in de sneeuw, terwijl het buiten gewoon dertig graden is. Als iedereen zich nu ook effectief gaat aanpassen, rijden we straks collectief in een trage statige stoet naar onze bestemming. Dat schept een mooie band. Als er een handvol enkelen zijn die de regels aan hun laars van hun zware voet zullen lappen, voorspel ik gevaarlijke inhaalmanoeuvres en meer verkeersagressie.  Gelukkig bezit ik geen glazen bol. Mijn voorspellingen zijn slechts het venijnig product van mijn meest kritische hersenkronkels. 

Toen ik gisteren met onzekere blik naar mijn dashboard zat te kijken, zag ik bijvoorbeeld de schoonheid van de maand mei niet. Geobsedeerd door wegmarkeringen en verkeersborden keek ik naar cijfers. Terwijl de focus daarvoor gewoon op de andere weggebruikers lag. Het zal nog een tijd duren dat het in een systeem ingeslopen is, want de fiets roept meer en meer de stevige kuiten naar buiten. Dat is misschien maar goed  ook: dan zie ik tenminste de bloesems en de bloemen en kan met eigen ogen zien dat die vogels heerlijk fluiten!

(verscheen als column in KW Kortrijk-Menen-Waregem op 06/05/22) 

maandag 2 mei 2022

TINE ZIET (319): Walrus

Het is me eigenlijk nog niet zoveel overkomen dat ik zodanig van mijn melk was na een theatervoorstelling dat het voelde alsof mijn ingewanden zich grondig van de ene locatie naar de andere hadden verplaatst. Zaterdag was het eindelijk nog eens zover. Dit na de voorstelling: ‘Mijn broer: the Walrus’ van Colette Goossens op het kunstenfestival Gebroed in CC De Steiger.

Men zou zich kunnen afvragen waarom ik een woord als ‘eindelijk’ toevoegde. Er is toch niets fijns aan een verhuis van organen? Zelf vind ik het heerlijk om te voelen dat ze er nog allemaal zijn en dat ze na een tijdje weer gewoon gaan werken. Sommige mensen zoeken dat gevoel op met een benjisprong. Of een ritje op de achtbaan. Zelf verkies ik het gemak van een theaterstoel. Of een harde bank in een museum. Of een grasveld om achterover in te vallen. Maar een theaterstoel  zit na al die maanden op mijn eigen stoel toch zo comfortabel! Of behaaglijk ongemakkelijk in dit geval. Terwijl de jonge actrice zo intens en hard haar publiek deelgenoot maakte van een persoonlijk en diep rouwproces bedacht ik dat het zonde was dat niet hele wereld in de zaal zat. Enkel wat gegadigden die jong artistiek talent wilden ontdekken op een zaterdag. Ook een dag later, bleek de opkomst voor talent een zeldzame walrus te zijn in de zee van overaanbod. Voor Villa Buurvrouw mocht ik schrijfster Femke Vindevogel interviewen. Ook zij bezit het talent om met haar woorden een lichaam als het ware binnenstebuiten te keren. Pijnlijk verleden dat ongegeneerd naast hoopjes confetti beweegt. Er is lef voor nodig.

Daarom wil ik mijn liefde verklaren aan de walrussen op deze planeet die ondanks het feit dat ze hun habitat zien smelten boven water komen als ze iets menen te zien waar ze zich ongemakkelijk tegenaan kunnen schurken met hun borstelsnor. Als zij er niet zouden zijn: was er wellicht minder beweging in de zee.

(verscheen als column in KW Kortrijk-Menen-Waregem op 29/04/22) 

dinsdag 26 april 2022

TINE ZIET (318): Familie

Omdat mijn oom en tante het inmiddels al 51 jaar met elkaar uithouden, nodigden ze ons uit voor een feest. Het was een blij weerzien met mijn neven. Ook onze ouders waren ook zichtbaar gelukkig dat ze hun eigen neven en nichten nog eens op een vrolijke gelegenheid konden ontmoeten in plaats van op een begrafenis. De tafel van mijn neefjes en nichtjes was opmerkelijk minder uitgelaten. Het belang van het feest werd minder begrepen. Dat valt op zich zeker te begrijpen. Op hun leeftijd was ik ook nog niet zozeer met familiegevoel bezig. Maar omdat er in die jaren nog geen gsmtoestellen bestonden, waren we toch verplicht om met elkaar te praten.

Ik herinner me de jubilea van mijn grootouders waarin ik eigenlijk alleen de kroketten en de taart belangrijk vond. Of het stuntelig poseren voor een groepsportret. Of later toen ik ouder was, de tegenzin om mee te moeten aan een tafel die me opgelegd was. Nu ik ouder word, het is frappant, voel ik meer verwantschap en verbondenheid met wie (na al die tijd zonder elkaar) naast me zit. Familie is toch meer en meer onder gelijken. Dat uit zich in gemeenschappelijke kwaaltjes bijvoorbeeld. Of in eenzelfde kinnenbak. Een accent. Een tic met de vingers om de mond. Bovenal in al die herinneringen of opgerakelde verhalen waar ik lang geen weet van had. Of bijna was vergeten.

Op het feest was trouwens een raséchte verhalenverteller die enthousiast voor de tafels sprong en een verhaal uit de doeken deed dat hij zelf van een ander had gehoord. Ogen lichtten op. Mondhoeken krulden naar boven. Verhalen waar of niet: ze zijn nooit overbodig. Vaak gaan ze over de afwezigen. Ze leiden stilaan van oor tot oor een eigen leven. Ze worden opgeslorpt, wat aangeblazen en tot een volgende bijeenkomst meegedragen. Al is er op elk feest wel ergens een ongemak, waarover spontaan door iedereen wordt gezwegen. Dat kan alleen in een familie.

(verscheen als column in KW Kortrijk-Menen-Waregem op 22/04/22) 

dinsdag 19 april 2022

TINE ZIET (317): Ballen

Zondag was ik één van de vele aanwezigen op ‘Gevleugelde Stad’ in Ieper. Eindelijk weer écht straattheater! Het wemelde op de Vestingen van allerlei mensen die nood hadden aan spektakel in de buitenlucht. Er was zon en er waren talrijke acts. Wij waren er vooral om naast de obligate parfumwolken sfeer op te snuiven. We lieten ons zonder programma door wat we zomaar tegenkwamen verrassen.

Wat mij vooral opviel was dat zoveel acts ballen toonden. Jongleerballen. Er waren zelfs ook petanqueballen. Heel veel harige knotjes, haarballetjes als het ware op het hoofd. De meest gewaardeerde exemplaren waren toch de spreekwoordelijke ballen. Om als schriele maar pezige vrouw schijnbaar vlotjes gitaar te spelen rechtstaand op de schouders van je partner in crime. Om die reus ook zomaar eens op je eigen schouders te torsen. Dat valt enorm te bewonderen. Verwondering is dan ook waar het bij straattheater om draait.  Luisteren naar de reacties van de omstaanders bewijst dat ook. “Goede schmink zeg!” “Mooie man, hé!” “Wat een spieren!” Het zit hem ook in de collectieve ingehouden adem als een vrouw de lucht wordt ingegooid voor een salto, in de hoorbare opluchting als ze in de juiste armen terechtkomt of in de gemeenschappelijke gniffel om een visuele grap.  We leven inmiddels wel in een tijd waarin we enorm verwend zijn als het om spektakel gaat. Met jongleerballen gooien is nu eenmaal minder spectaculair dan met mensen. Zeepbellen zijn ook maar tijdelijk. Muziek maken met glazen doen we toch allemaal? Maar een nummer van ABBA toveren uit een bakfiets vol glazen is toch iets indrukwekkender.

Vergelijk het met vuurwerk. We verwonderen ons niet langer over één pijl in de lucht. Het moet veel en almaar meer. Het gaat om de kleuren, de muziek, het tempo: show!  We openen steeds minder onze mond, staan almaar minder verstomd, zien vaker de sissers. Terwijl op dit niveau elke bal slechts na jaren van oefenen voor de kritische leeuwen van een publiek wordt gegooid.

(verscheen als column in KW Kortrijk-Menen-Waregem op 15/04/22) 

maandag 11 april 2022

TINE ZIET (316): Volière

Vorige week kwam ik enkele keren in aanraking met ziekenhuizen. Het wat en waarom, doet er voor dit stukje niet echt toe, dus laten we dat maar achterwege. Ook zonder kennis van eventuele ziekteverschijnselen kan elke lezer wellicht vermoeden dat dit geen plezierreisje betrof.  

Omdat ik eigenlijk over vrolijke dingen hoor te schrijven, beschrijf ik het ziekenhuis hier verder  als een ‘volière’. Kwetterend kleurig! Feit is: je laat jezelf in goede handen achter die het gewoon zijn te zorgen voor anderen. Onder elke ziekenhuisschort of ziekenhuislamp schuilt uiteindelijk een soort van klein bang vogeltje dat ervan droomt om zo snel mogelijk weer naar huis te vliegen. Wie zorgt, zorgt met dezelfde handen voor een bonte specht, een sierlijke zwaan en een knorrige kalkoen. Mijn respect voor wie dat kan, is afgelopen dagen toch enorm gegroeid. Zonder verder in veel detail te treden kan ik toch beamen dat er sapperdepietjes veel lastige vogelsoorten bestaan! Sommigen klauwen of pikken met hun snavel.  Andere maken het geluid van de witte klokvogel (zoek maar eens op!). Toch verdient elk gekwetst vogeltje een eigen lieve zorg. Elk bed vergt een andere aanpak. Een goede verpleegster,  dokter, ambulancier, switcht van manier in één handomdraai. Knap!

Wat opvalt is dat veel zieke vogeltjes vaak de andere vogels in de buurt niet opmerken. Men ziet dan alleen zijn eigen kooi. Dat is jammer. Maar het is ook volkomen te begrijpen.  Elk ziekig bekje zingt zoals gebekt.  Welke vogelsoort ik zelf ben?  Ik zou het echt niet weten. Een leraar vergeleek me ooit eens met een straatmus die ook gewoon een kraai kon zijn. Dat maakte me niet echt gelukkig. Simpele duif. Onnozel kiekske. Er is op geregelde tijdstippen in mijn leven eenvoudig pluimvee in mij gezien. Ornithologen, verzamel u! Gelieve mij dringend en met spoed te determineren voordat de vogelgriep me nog eens velt.

(verscheen als column in KW Kortrijk-Menen-Waregem op 08/04/22) 

TINE ZIET (322): EHBO

Gisteren moest ik opeens gereanimeerd worden. Dit in een les EHBO. Een hulpvaardige en zorgzame collega vond me stikkend op de grond na het ...