zondag 18 april 2010

Droom 1

Deze nacht mocht ik eindelijk binnenwandelen in het huisje van Simonne.

Zij was een bijna-buurvrouw in mijn kindertijd. Omdat ze heel klein was en krom liep, dacht ik altijd dat ze een heks was. Later hoorde ik dat ze oma was en dat ze haar kleinzoon hadden opgegraven. Ze leek me steeds gevaarlijker...
Ze is al een paar jaar dood en haar huisje staat al een hele tijd te koop met gesloten luikjes en hoge distels in de tuin. Als ik eens passeer, zie ik haar in gedachten altijd uit haar deurtje komen.

Vannacht stond haar voordeur open en ik wandelde binnen met knikkende knieën. Het was donker en kil. Ach, het viel allemaal mee. Allemaal lege taartendozen en verse klodders slagroom in het huis. Simonne was vast dat soort vrouw dat elke dag een taart bakte voor bezoek dat nooit kwam... De heks was vast een dotje.

Deze morgen lag haar huis in stukjes neer.

donderdag 8 april 2010

De steen spreekt:

Nooit gedacht dat ik U kon laten roepen.
Of dat dat dan zo makkelijk ging.
En nu staat U hier en de woorden haken als kleine hengsels in mijn keel.
Maar ik wil en zal ze sleuren voor uw voeten. Tot U ze ziet.
Daar gaan we dan. Want veel tijd heeft U vast niet.

(perst en trekt - wurgt en beeft)

Waarom.
Ik.
Altijd.
En.
Waarom.
Nooit.

Vergeef me het zicht. Maar minder rood kreeg ik ze niet te pakken.
En meer woorden? Ik vond er geen.

U weet dat ik van dansen hou. Niet in orde. Niet in vaste vorm.
U weet dat ik vaak lach. Dat is van ver te horen. Dat is echt zo.
U weet ook dat ik lief kijk en dat ook stiekem ben.

Maar U weet dan ook dat iets hier weegt. Dat iets zich door mijn leden sleept.
En waarom begrijp ik niet. Wat deed ik dan verkeerd?

Ik zou tot genezing kunnen smeken. Maar ik aanvaard het lot om zwaar te zijn.
Wat ik dus van u wil weten: Waarom laat u mij dansen als ik voor wie kijkt, blijf staan? Waarom mag ik lachen als dat niet is toegestaan? En waarom toch, kijk ik zo lief naar wie keer op keer mijn botten breekt?

Als ik dit alles weet, denk ik wellicht eens minder dan ik spreek.
Word ik misschien lichter in mijn lijf en in mijn geest.

zondag 4 april 2010

Hoe jezelf te klonen: les 1

Wie alleen de storm trotseert, wordt meer.

Eerst en vooral de rust waarmee je de zaal betreedt.
Het gemak waarmee je naar een doel afstapt. Blokkeert.

Dan maar dichter bij muziek die gaten boort.
Jouw leden stoer. De ogen minder droog.

Het lijf het lijf maar laten. Het slibt langzaam dicht.
Je lacht. Het maakt je blik niet minder zout.

De frisse lucht opzoeken. Daar een blik. Een klik.
Onuitgesproken neem je hem in kielzog mee.
Als de klanken hoogtes raken, stijg je samen uit. Zweeft.
Dit is niet echt. Je bedenkt het. Denkt hij meer?

Hierna er even uit. Toch nog eens een doel opzoeken.
Je schudt een hand. Spreekt plannen uit die jezelf doen verbazen.
Daarna is je contact opnieuw gestoord tot een zucht op het toilet.

Je herpakt je, gooit je in een groep die teveel dronk om muziek te horen zonder oren.
Je vermengt je dan maar met de andere kant van het publiek. Maar ook daar zal je je storen aan de grote monden van het bier. Dan maar in een hoekje. Dan maar weer jezelf opzoeken. Tot in de toppen van de tenen schaamte kweken. Maximaal stagneren.

Tenslotte dan maar je boze hakken de vloer instampen.
Uitgeput een paal aanklampen en zonder boe of ba een goed concert uitlopen.
Omdat wie je was bij binnenkomst, in niets meer lijkt te reageren.

Nergens regent het niet in kop.
Ergens loop je als manke kat de snelweg op.

vrijdag 26 maart 2010

HALTE 3:

Voor wie dat wil:

Zoek en vind de zee.
Niet in de zomer.
Of dan toch niet overdag.

Wandel tussen de tweetjes en de meer.
Bestijg gerust de zachte vleugels van een meeuw.

Wie naar het einde van zijn blikken reist zal zien
dat hij die op de dijk daar zomaar stapt,
niets meer dan dit en enkelvoudig adem lacht.

Dat wie raapt wat golven blazen, ontiegelijk zwaar en zoutig zweeft.

dinsdag 9 maart 2010

Forêt Sans Arrêt

Wanneer de kamer zwijgt, zal alles inktblauw het hoofd inschijnen.
Eén slok wordt een rivier die in elke wortel de wilg laat treuren
tot in de diepste gladde huid van het blad dat straks weer valt.

Het hoeft niet te gebeuren. Het moet niet altijd herfst.

Als er maar ooit iemand op het pad woorden zegt die tot in de kamer groeien.
Als er maar iemand met kleur in deze ruimte blijft die oorverdovend zwijgt.

Het treurt hier bomen als een bos. Wie er toe doet lost langzaam op.

dinsdag 2 maart 2010

PS:

Allerliefste,

Hoe je heet, hoeft niemand anders hier te weten.
En of je leeft, dat is een tweede.
Maar wat ik vragen wou: waar ben je toch gebleven?

Ik begrijp maar al te goed dat je je liever niet laat zien.
Eén paar ogen is genoeg om je uit de voegen te doen groeien.
Dat je niet eens de moeite nam me vanop afstand koel te groeten en dat je zelfs niet in het donker aan mijn huid kwam voelen, vind ik eerlijk gezegd nogal een koude douche. Onprettig zoals dat heet. Vandaar dat ik dus liever breek dan je bij je naam te noemen. Vandaag past er een zak om heen.

En dat je eigenlijk misschien en af en toe wel lief bent, laat ik vanaf dat punt achter mijn zinnen niet meer toe. Weet wel: je mist hierbij de kans om aan het licht te wennen en om meer dan schaamte van mij te kennen. Dat is je recht. Het behoort je toe zoals ik vergeet dat je er even was en naar me keek. Dat we samen gloeiden tot een meer...

Vanaf dit moment ben ik de lafbek in je schoenen.
Je was een niets. Nooit zal iets je nog benoemen.

Zoen!



.

donderdag 28 januari 2010

Gedichtendag 2010

Wat was het hier stil de afgelopen tijd. Ze staat er zelf van te kijken.
Of niet?

Met Gedichtendag in het verschiet kon het niet anders of Tany Minoek was naarstig aan het sabelen met een pen.
Het krankzinnige (dat zegt zijzelf) resultaat is te zien op Poëtische Veerboot.

Bij deze dankt ze de Facebookvrienden die eenzelfde soort grens wilden oversteken. Dat maakte haar opdracht 7 gedichten lichter om dragen...

TINE ZIET (542): Fietsschrik

Goede voornemens neem ik liever bij het begin van het schooljaar dan bij het begin van een kalenderjaar. Elk schooljaar wil ik aanvatten met...