De dag dat hij spreekt, schiet ze.
Niets aan te doen. Het is een aard.
Het kolkt al zo lang. Het bruist er maar uit.
De weken verstrijken. De maanden verglijden.
Ze wordt er ook niet jonger - lees milder - op.
Dus als hij spreekt, zal hij dat weten.
Niemand mag zomaar ongestraft het zwijgverbod negeren.
Niemand mag zomaar met woorden om haar oren slaan.
Als hij het zegt, is de kans op rust verkeken.
Zullen haar ogen grote gaten slaan.
Zij wil het graag, maar weet het zelf nog niet.
zondag 25 oktober 2009
donderdag 22 oktober 2009
HALTE 1:
Veel zakjes. Een overdaad aan zakjes.
Allen in de lucht tillen ze de wereld.
Aan handen worden ze gedragen en wie hen draagt stijgt op.
Hoe minder de ritsel, hoe hoger omhoog.
Zij draagt enkel handtas en de man in het station kijkt.
"Wat zit in jouw zakje?" kijkt hij uit haar lijf.
"Ik heb er geen", blikt ze terug.
"Toch wel. Er zit vast iets in dat schittert. Wel verdrietig soms. Maar het blinkt de ogen uit." En hij knipoogt voort.
Terwijl zij stijgt en fonkelt, blijft hij knisperen in haar hoofd.
Hij waaiert het station uit en stort zijn papieren vleugels op de stad.
"Dag lieve zak van perkament, ik blijf u horen, al bent u mij verder onbekend."
Allen in de lucht tillen ze de wereld.
Aan handen worden ze gedragen en wie hen draagt stijgt op.
Hoe minder de ritsel, hoe hoger omhoog.
Zij draagt enkel handtas en de man in het station kijkt.
"Wat zit in jouw zakje?" kijkt hij uit haar lijf.
"Ik heb er geen", blikt ze terug.
"Toch wel. Er zit vast iets in dat schittert. Wel verdrietig soms. Maar het blinkt de ogen uit." En hij knipoogt voort.
Terwijl zij stijgt en fonkelt, blijft hij knisperen in haar hoofd.
Hij waaiert het station uit en stort zijn papieren vleugels op de stad.
"Dag lieve zak van perkament, ik blijf u horen, al bent u mij verder onbekend."
maandag 19 oktober 2009
Bête Noire
Dat het hoofd een kop kan zijn.
Het been een poot.
De mond eensklaps een muil.
Adem beweegt niet enkel borsten meer.
Speeksel niet de hand tot vegen.
Wie dacht wil enkel gevend nemen.
Wie zweeg: grommend kleine dood.
Lakens kneden oorlog in een bed.
Lichaamsdelen grijpen bij de keel.
Totdat uit het niets een hond verschijnt
Hijgend blaft hij de dingen weer tot orde
tot rusten tot sussen en waar hij zelf het
hardst om kwispelt: tot Adams grote schaamte.
Het been een poot.
De mond eensklaps een muil.
Adem beweegt niet enkel borsten meer.
Speeksel niet de hand tot vegen.
Wie dacht wil enkel gevend nemen.
Wie zweeg: grommend kleine dood.
Lakens kneden oorlog in een bed.
Lichaamsdelen grijpen bij de keel.
Totdat uit het niets een hond verschijnt
Hijgend blaft hij de dingen weer tot orde
tot rusten tot sussen en waar hij zelf het
hardst om kwispelt: tot Adams grote schaamte.
dinsdag 6 oktober 2009
zondag 4 oktober 2009
Hoofdstukje (4)
Op een nacht word je wakker en hoor je iets.
Nee, zo gaat het niet.
Op een avond ga je slapen en naast je ligt een hoofd.
Je kent het al. Het was er al een hele tijd.
Maar nu opent het zijn ogen. Er komt een letter uit zijn mond.
"Sss!" zegt het. "Sss!" Niets meer.
De ogen worden groter. De lippen wijder open.
Adem bij je oor.
"Ik mis mijn lijf," zegt het. "Ik ga terug."
Het rolt uit je bed de wereld uit.
En net als je je ogen dicht wil doen, stroomt het vol met hoofden voor je raam.
Je weet precies te vinden welke je het meest zal missen.
Wijst het aan. Wuift het uit. Slikt duizendmaal.
Slaapt.
Nee, zo gaat het niet.
Op een avond ga je slapen en naast je ligt een hoofd.
Je kent het al. Het was er al een hele tijd.
Maar nu opent het zijn ogen. Er komt een letter uit zijn mond.
"Sss!" zegt het. "Sss!" Niets meer.
De ogen worden groter. De lippen wijder open.
Adem bij je oor.
"Ik mis mijn lijf," zegt het. "Ik ga terug."
Het rolt uit je bed de wereld uit.
En net als je je ogen dicht wil doen, stroomt het vol met hoofden voor je raam.
Je weet precies te vinden welke je het meest zal missen.
Wijst het aan. Wuift het uit. Slikt duizendmaal.
Slaapt.
donderdag 24 september 2009
Woelrat
Het niet kunnen slapen en denken:
Wat is dat toch met mij? Ik ben toch
moe en kan toch slapen. Als een roos.
Al heb je nooit een roos zien slapen.
Maar je denkt het zo omdat het hoort.
Het draaien en keren.
Het geeuwen.
Het nét niet af- en oplopen van de trap.
Het kraken van het bed.
Het horen van vrachtwagens door je enkel glas.
Af en aan.
Je woont bij een startplaats.
Het denken aan warme melk.
Het denken aan schapen.
Het denken aan slapen.
Het vreemdste is: je vloekt niet. Je lacht.
Alsof het allemaal zo lang mag duren.
Deze keer.
Deze maal.
Deze nacht.
Maar 's morgens bedenkt je met spijt
dat wat je droomde
dat je dat dacht.
Dat dit zo blijft
als je minder krijgt dan verwacht.
Wat is dat toch met mij? Ik ben toch
moe en kan toch slapen. Als een roos.
Al heb je nooit een roos zien slapen.
Maar je denkt het zo omdat het hoort.
Het draaien en keren.
Het geeuwen.
Het nét niet af- en oplopen van de trap.
Het kraken van het bed.
Het horen van vrachtwagens door je enkel glas.
Af en aan.
Je woont bij een startplaats.
Het denken aan warme melk.
Het denken aan schapen.
Het denken aan slapen.
Het vreemdste is: je vloekt niet. Je lacht.
Alsof het allemaal zo lang mag duren.
Deze keer.
Deze maal.
Deze nacht.
Maar 's morgens bedenkt je met spijt
dat wat je droomde
dat je dat dacht.
Dat dit zo blijft
als je minder krijgt dan verwacht.
woensdag 2 september 2009
Hoofdstukje (3)
Wat de mannen op het dak zagen:
Een naakte vrouw met in haar handen een hoofd. Niet het hare.
Ze slaapt. Het hoofd gaapt. Maar als in een flits de vrouw haar ogen opent, sluit het hoofd de mond terstond. Doet alsof.
De vrouw lacht. Knijpt zachtjes in de neus. Zegt wat in het linkeroor.
Wat ze zegt, dat is is een raadsel. Maar ze fluistert, lijken ze vanop dat dak te zien.
Net voordat ze het hoofd weer in haar beide armen houdt, kust ze zacht de lippen.
Als zij later slapend droomt, draait het hoofd heel voorzichtig op zijn rechteroor. De mannen op het dak zien één open oog en in die blik een duim ophoog.
Een naakte vrouw met in haar handen een hoofd. Niet het hare.
Ze slaapt. Het hoofd gaapt. Maar als in een flits de vrouw haar ogen opent, sluit het hoofd de mond terstond. Doet alsof.
De vrouw lacht. Knijpt zachtjes in de neus. Zegt wat in het linkeroor.
Wat ze zegt, dat is is een raadsel. Maar ze fluistert, lijken ze vanop dat dak te zien.
Net voordat ze het hoofd weer in haar beide armen houdt, kust ze zacht de lippen.
Als zij later slapend droomt, draait het hoofd heel voorzichtig op zijn rechteroor. De mannen op het dak zien één open oog en in die blik een duim ophoog.
Abonneren op:
Posts (Atom)
TINE ZIET (542): Fietsschrik
Goede voornemens neem ik liever bij het begin van het schooljaar dan bij het begin van een kalenderjaar. Elk schooljaar wil ik aanvatten met...
-
Dinsdagavond zat ik met leerlingen in CC Guldenberg in Wevelgem voor de voorstelling ‘Serdi’. Een tweetal weken geleden volgden wij nog een ...
-
De plaids zijn weer uit de kast gekomen. Ook de wollen truien. De nylons. Het wordt kouder. Mijn hoofd staat al op de waakvlam, maar ik stel...
-
Een vraag die ik afgelopen dagen een paar keer kreeg was of ik dit jaar geen zomerproject doe. Na meer dan tien jaar knippen, plakken, op ra...