zondag 18 augustus 2019

TINE ZIET (179): Pot


Vrijdag verkende ik onder begeleiding van natuurgids Jozef Bousse samen met een achttal kandidaten het Leie-eiland. We zouden het kunnen vergeten maar de dienst toerisme van onze stad organiseert de hele zomer door fijne activiteiten om dichtbij op reis te gaan. Het werd een boeiende wandeling waarin onze gids met een groot hart voor de natuur vertelde over plaatselijke fauna en flora. Het bos op het eiland dat grotendeels op grondgebied Frankrijk ligt, is verrassend groot en ideaal om een potje te verdwalen. Gelukkig waren wij in goede handen en hoefden we slechts de gids te volgen.
Een schandalig verschijnsel in het bos was ongetwijfeld de rommel. Blikjes van energydrankjes: restjes jeugdige energie.  Erg! Wat vooral in het oog sprong waren ook velletjes WC-papier met bijhorende substanties. De vrije natuur als publiek toilet. We riepen met z’n allen ‘Bah!’ en ‘Eeeh!’ maar toen ik later naar huis stapte, moest ik opeens ook heel erg spurten om op tijd op mijn eigen pot te kunnen zitten. Tijdens dat spurten hoopte ik mezelf ook bijna een bosje toe om achter te verdwijnen. Toegegeven: ik durf het amper. Tenzij het echt niet anders kan. Zo overnachtte ik vorige zomer een nacht op de snelweg en moest noodgedwongen wel plassen tussen vangrail en vrachtwagenwielen. Ik schaamde me in eerste instantie diep. Natuurlijk voelde ik me ook wel fijn: het is best een opluchting om verlost te zijn.

Hoewel het in feite heel natuurlijk is, zou ik er eigenlijk niet mogen over schrijven. Het is iets voor achter gesloten deuren. Of voor in een warm zakje in de hand. Voor in schepjes of in de kattenbak. Voor in zelfgegraven hudo’s of op een of ander campingtoilet.  Het is iets voor stiekem in de mais, voor even snel tegen een boom of soms zelfs lekker rustig met een boekje. Maar het past niet open en bloot. Niet voor andermans ogen. Niet op trottoirs of aan je voetzool. En zeker niet in de krant. Het spijt me echt. Ik zal het nooit meer tussen deze regels doen.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 16/08/19)

TINE ZIET (178): Verdragen


Vorige week zat ik tijdens de avondspits op de trein uit Antwerpen. Toen ik instapte was het nog rustig in de treincoupé. Een jonge man zat alleen in een compartiment voor 4 personen. Normaal zit men dan tegen het raam, maar hij koos de plek bij het gangpad. Dus ik moest me al langs hem wringen om een plekje aan de overkant aan de raamkant te bemachtigen.  Bij een volgende halte haalde hij een laptop uit zijn tas. Veel mensen stapten in.  Op dat moment schoof een jong koppeltje toeristen tussen ons in. Gepakt en gezakt en zichtbaar enthousiast over hun avontuur in België. Ze vroegen of ze erbij mochten. We knikten. De man met de laptop begon driftig te tikken en naar zijn scherm te kijken terwijl de twee in het Duits met elkaar gevoelens en foto’s uitwisselden. Ze gaven ook spullen aan elkaar door. De man met zijn laptop op schoot zuchtte hoorbaar verveeld. Opeens viel hij agressief uit in het Engels of ze nog wat aan elkaar moesten geven. Dat hij een serieuze job had en dat hij zich niet kon concentreren met hun palaver. De twee reageerden geschrokken. Er viel een onaangename stilte in ons compartiment, terwijl de andere compartimenten lustig verder kwebbelden. De twee keken heel ongemakkelijk naar elkaar, alsof ze betrapt waren dat ze niet wisten dat in een Belgische treincoupé dient te worden gezwegen. Ik zag het aan en schaamde me diep. Graag had ik wat gezegd om het ijs te breken. Eerlijk gezegd durfde ik dat niet. De man leek me heel erg opvliegend. Toen ze na een tijdje beduusd berichten naar elkaar typten en schermen aan elkaar toonden, tikte ik op mijn gsm dat ze welkom waren in België en dat het hier normaal stukken gezelliger is.  Ik toonde het hen terwijl ik knipoogde en ze lachten opgelucht.

Ik heb me er achteraf over verbaasd dat ik niets durfde te zeggen in die situatie. Zelfs in een Nederlandse stiltecoupé wordt er niet zo dwingend gezwegen. Als iemand in alle rust wil werken, lijkt het me beter dat hij of zij een eersteklas ticket koopt in de avondspits. Verdraagzaamheid is een zeldzaam goed. Waarom is men er zo vrekkig mee?

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 09/08/19)


woensdag 7 augustus 2019

TINE ZIET (177): Nieuws


Deze krant is twee weken niet verschenen. Intussen is veel gebeurd. Sommige mensen zijn al op reis geweest. Er zijn mensen getrouwd, gescheiden, geboren en overleden. Sommige dingen in onze stad zijn veranderd. Zo is er nu bijvoorbeeld een proefopstelling op het Vander Merschplein. Er is zelfs al een petitie tegen die proefopstelling. En wellicht ook plannen van een petitie tegen die petitie. Er werden gebouwen afgebroken. Er was nachtlawaai. Regenschade. Winkels sloten voorgoed. Er was een hittegolf.  Zigeuners sloegen een kamp op.  Er woedde een onverwachte storm in Wevelgem. Er werd gevochten, verongelukt, maar er werd ook getriomfeerd en gefeest. Hoe kort zo’n nieuwsstilte ook eigenlijk is: er is altijd wat te melden omdat er wordt geleefd.

Zelf ben ik iemand die graag op de hoogte blijft van wat er om me heen gebeurt. Ik noem het zelf ‘gezonde nieuwsgierigheid’. Voor nieuws verder dan mijn regio, sluit ik me dan wel meer en meer af. Ik kan dat eerlijk bekennen. Wellicht is dat dan ‘ongezond’. Bij veel mensen is het wellicht omgekeerd. Zij weten alles wat er in de wereld gebeurt, maar weten niet eens dat er een buurtvergadering was of dat aan het bushokje dat ze dagelijks voorbijkomen bijna werd vermoord. En natuurlijk zijn er ook discipelen van mijn kat. Ze leven hun eigen leven van kussen tot etensbak en weer terug. Door het raam zien ze af en toe iets ongrijpbaars vliegen. Voor de rest trekken ze zich van niets aan. Ooit dacht ik dat die modus nodig was om gelukkiger te zijn. Daar kom ik na al die jaren toch eens op terug. Het is pas door het ongeluk van anderen te horen, dat je beseft dat alles toch best meevalt. Denk ik nu. Ik vind dat eigenlijk wel straf. Wat ik over enkele jaren zal denken, zijn zorgen voor later.

Nu duik ik weer in deze krant met volle overgave. Gretig slok ik alle berichten op. Hoogstwaarschijnlijk zullen er feiten op mij wegen. Dat is dan een risico. Liever dat dan niet te weten.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 02/08/19)

donderdag 25 juli 2019

stelt paal en perk (25): Open brief aan het Vander Merschplein

Hé schoon Plein,

Het schijnt dat gij een plek van overlast geworden zijt?
Kwatongen beweren zelfs dat dat gij dat eigenlijk altijd al geweest zijt.
Om eerlijk te zijn dat te horen doet mij pijn.

Toegegeven: ik woon niet vlak naast u. Inmiddels een dikke zeven jaar geleden kocht ik mijn huis met mijn achteruitblik op een fijne open ruimte: gij! Mijn nieuwe badkamer heeft inmiddels een mooie plein-inkijk. En gij dus bijgevolg ook een kijk op mij als mijn kat weer nijdig de raamfolie naar beneden heeft gekrabd. Met mijn kantelraam haal ik uw pleingeluiden bewust tot in mijn huis. Verse lucht. Ook om in mijn huis niet alleen te zijn. Sommige mensen zetten om die reden hun televisie op. Ik verkies uw klankdecor: kauwen, blaffende honden, een fluitende gymleraar, spelende kinderen, piepende schommels, keuvelende mensen, jongeren die af en toe eens roepen. Akkoord: soms denk ik ook: moet dat nu? Dan kantel ik mijn raam dicht. Dat is bij mij een mogelijkheid. Ja, ook ik zie soms dingen die niet horen.  Er zijn helaas ook stoute kinderen. Die zijn er in de supermarkt ook. Zelden zie ik anderen hierover bij de winkeldirecteur gaan klagen. Er is hardnekkiger gespuis. Bijvoorbeeld mensen die zakjes naast uw vuilnisbakken leggen of anderen die kleinere zakjes inruilen voor geld. Die zaken zie ik trouwens ook op andere plaatsen in onze stad. Ze maken mij best bang.  Als ik die angst de bovenhand zou laten nemen, kwam ik nergens meer.  Ook ik durf niet naar mensen in dergelijke gevallen toe te stappen met de opmerking: "Hou eens op!" Zoiets is nu eenmaal aan een patrouille al dan niet in burger of een cavalerie met bombarie. Wij kunnen als buurtbewoners gelukkig niet zelf als sheriffs met onze wapens zwaaien. Stel je voor: we zouden vallen als vliegen.

Na heel wat klachten heeft het stadsbestuur maatregelen genomen. Het gaat om een proefproject. Er komen meer controles. Er werd een tijd vastgelegd waarin er mag worden gevoetbald en te luid gesproken. Ge werd in drie delen opgesplitst: voetbal-, monument-, en speel- en ontmoetingszone. Om de gemoederen te bedaren. Ik begrijp dat wel. De spanning begon heel erg te snijden. Men moest wel iets ondernemen. Men mag en moet proberen in dit leven. Maar zijt gij niet veel meer? En wat met uw generaal? Is hij geen monumentzone waard? Of zit dat in uw naam? Na dat proefproject komt een inspraakmoment waarin naar alle pleingebruikers zal worden geluisterd. Want gij zijt er natuurlijk voor iedereen. Niet alleen voor klagers.

Wat mij wat kregelig maakt, is die verzuring waar alles om draait. Ja, onverdraagzaamheid durf ik het zeker noemen. Men heeft het schaamteloos over respectloze culturen. Er is een verschil in respectloos-zijn en  niet-begrijpen. Men eist een duidelijk reglement maar leest zelf niet alle leefregels na. Men wenst een maximumleeftijd te zetten op dat voetballen en spelen.  Is men ooit te oud om nog te spelen? Hoe zuur is dat? Men wil niet enkel netten maar ook een kooi op u. Het liefst nog zou men de zones ommuren om niet gestoord te zijn. Maar zijt gij dan nog wel een plein? En is dat nog wel mooi om naar te kijken? Waar stopt het eigenlijk? Komt er een rookverbod? Zal de herfst überhaupt nog bladeren van de bomen op u mogen laten vallen? Zullen vogels nog mogen overvliegen? Mag men voor het oog van de generaal nog zoenen?  Ik weet het: ik durf te overdrijven. Bij jarenlange irritatie zorgt een scheet in de fles al voor een explosie.

Soms zit ik er ook. Lang niet alle dagen. Ik hou van de fijne mix en het samenspelen. Ik maak me er dan schuldig aan op u samen te scholen. In de ontmoetingsruimte. Dat spreekt. Vaak met aperitiefjes en bijkomend geschater erbij.  Steeds ruimen we mooi op. Natuurlijk zal men zich ook storen aan ons plezier. Zoals ik me stoor aan verwijtende blikken een storend element te zijn. We houden meestal op tijd op: het kan niet elke week Reckebilck Feest zijn. Dat begrijpen wij natuurlijk ook. Het is gewoon fijn om samen buiten bij elkaar te kunnen zitten. Dat is toch ook één van uw functies: samen de tijd uit het oog verliezen...

Voor alle zekerheid zocht ik het nog eens op: een plein is een binnenplaats, een forum, een open plek om samen te komen. Oorspronkelijk zelfs dikwijls een marktplaats. Nergens is te vinden dat gij een privé-tuin zijt. Op u stonden vroeger een soort van droogrekken. Men kwam van rondom u de was ophangen. Misschien is dat wel een goed idee: om ook weer ergens wasdraden te voorzien. Dan kunnen mensen net zoals voorheen ook schaamteloos de was op u gaan buiten hangen. Samen werken schept ongetwijfeld een schone band.

Als het evaluatiemoment zal worden vastgelegd, hoop ik dat men dat op u zal doen. Zo rond 19u. Tussen alle grote en kleine bezoekers die u kennen. Op uw gras en op uw banken. Niet iedereen leest vlot en duidelijk een ongeadresseerde losse brief. En dat men het tenminste ook aan u zal vragen. Of ge blij of verdrietig zijt met die plotse zones op uw lijf. Of gij voelt wie het goed of slecht bedoelen. En bovenal of ge nog ONS plein wilt zijn of slechts dat van wie denkt: "Het is het MIJNE!" 

(Helaas was het onmogelijk om deze brief persoonlijk aan U te bezorgen. U hebt geen brievenbus. Om deze brief volledig op U te schrijven, is er te weinig ruimte in de speel- en ontmoetingsruimte. Maar U vangt de woorden vast wel op. Zo ergens tussen 8 en 22 uur.)







maandag 15 juli 2019

TINE ZIET (176): Zoet


Op een dag zijn ze er onaangekondigd en onherroepelijk: werken bij de overburen. Met bestelwagens, hoogtewerker en natuurlijk de daarbij horende luidruchtige werkmannen. Luidruchtig omdat ze wakker maken.  Parkeerplaatsen worden ingepikt. Opeens besef ik het weer: werken in huis hebben gevolgen voor de hele straat.  Dat is nu eenmaal zo. Het maakt mijn ochtenden wat zuurder, dat wel. Maar uiteindelijk is het maar dat. Na enkele dagen zal alles voorbij zijn en ziet mijn buurt er weer een beetje mooier uit. Werken laten uitvoeren aan je huis staat ook gelijk aan de straat opwaarderen. Ochtendhumeur weegt pakken minder zwaar als je toch enkele voordelen ziet.

Het is trouwens één van mijn bedoelingen deze zomer: van zuur zoet maken. In de mate van het mogelijke. Zaterdag reed ik enkele uren met mijn complimentenbureau rond op Reckebilck. Daarmee probeerde ik spontaan complimenten uit te delen aan de bezoekers. Sommigen mensen kwamen complimenten vragen terwijl dat toch niet de bedoeling was. Lofbetuigingen vraag je niet, maar krijg je. Tenzij je een kind bent natuurlijk. Dan vraag je ook om een snoepje. Het was een onbegonnen zaak: niet iedereen kreeg een compliment, waardoor ik ironisch genoeg weer mensen beledigde. Maar de aanzet was er. Met een complimentje wordt de zomer extra zoeter. Ook voor mezelf. Het is ook fijn om mensen een glimlach te bezorgen. Mijn bureau en ik zullen deze zomer ongetwijfeld nog te zien zijn.

Zondag daarentegen zat ik dan weer in een biechtstoel van de St-Franciscuskerk voor Salto Festival. Mensen kwamen bij me om een gedicht uit ‘Het Liegend Konijn’ te horen. In ruil verwachtte ik dat ze een zonde opbiechtten. Terwijl ik oorspronkelijk dacht dat mensen dit niet serieus zouden nemen, hadden velen de behoefte om een echte zonde op te biechten. Misschien kwam door het gegeven biechtstoel. Maar ongetwijfeld ook door het intieme zo dichtbij een ander te zijn die je niet echt goed kan zien. Het feit iets op te biechten, luchtte blijkbaar op. En maakte bijgevolg ook de zondag zoeter.
Ik, zomerse zoetzoeker zoek goed!

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 12/07/19)


maandag 8 juli 2019

TINE ZIET (175): Houdini


Vrijdagochtend probeerde ik samen met mijn collega’s letterlijk te ontsnappen in Prison Island in Gullegem. Het was een fijne teambuilding. In groepjes die door eerlijke loting waren ontstaan moesten we samen ontdekken hoe we in een cel zoveel mogelijk punten konden scoren. Meestal lukte het niet. Als het lukte, maakte ons hart toch een huppeldansje, of zoiets. Normaal kiezen we voor een activiteit die veiliger is: gegidste rondleidingen, een fietstochtje,… Nu was de activiteit gewaagder en ook duurder. Hoe dan ook: het was een geslaagd einde van een schooljaar vol hindernissen (zo’n nieuw decreet zorgt toch altijd voor wat obstakels). Tenminste dat vond een groot aantal van de collega’s. Nooit zal iets leuk bevonden worden door iedereen. In een tijd waarin zoveel geliket wordt, wordt ons ongenoegen helaas ook groter. Soms valt een groepje verkeerd uit. Soms is het eten toch niet zo lekker als thuis. Soms zitten stoelen iets te hard en de rode wijn te koud. Zaak is om van zo’n personeelsfeest het beste te maken. Er is een krap budget. De dagen daarvoor superhectisch. Er zijn altijd collega’s die niet (mogen) terugkomen. Pretbedervers zat. Maar twee maanden vakantie lonken! Reden genoeg toch om een feestmuts op te zetten?

Ook onze stad heeft in de zomer een abonnement op feestmutsen. Festiviteiten zat! Grensrock, Reckebilck, Summerbars, buurtterrassen, Salto, Kotweekend,… Om eerlijk te zijn, moet ik goed wikken en wegen welk feest ik zal verkiezen. Feesten kost geld. Ook al is de toegang vaak gratis. Er moet eten en drank gekocht worden. Cadeaus. Eventueel zelfs feestkledij want je kan niet op elke foto dezelfde jurk dragen. Daarenboven kan mijn lijf niet veel feest meer aan. Het is te gulzig in feestgedruis. Daarom laat ik het soms eens niet uit en blijft het binnen hangen. Een ander truukje dat ik meer en meer toepas is zorgen dat ik iets om handen heb op dat feest. Dan ben ik een actieve feestganger en laat me minder door gulzigheid bijten. Maar eens ontsnapt, laat het zich niet leiden. Zit er toch een kleine Houdini in mij?

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 05/07/19)

maandag 1 juli 2019

TINE ZIET (174): Naam


Iedereen kreeg er één toen hij of zij werd geboren. Niet zomaar. Vaak is het het resultaat van maanden zoeken en discussiëren: een naam. Enfin, dat hoop ik toch. Ik mag hopen dat mijn ouders niet zomaar een naam uit het voornamenboekje hebben gekozen: met de ogen dicht en spontane wijsvinger als beslisser. Het is iets wat je je hele leven met je meedraagt. Vaak past het perfect bij wie je bent. Ik snap nog steeds niet hoe dat kan maar een Jeanine ziet er vaak als een Jeanine uit en een Willem als een Willem. Dat is maar goed ook: je zal maar Marina heten en er als een Esmeralda uitzien…  Omdat er vaak een hele periode van wikken en wegen aan vast hangt, lijkt het me dan ook een erezaak dat die naam juist wordt uitgesproken. Niet alleen omdat ik uitspraakjuf ben. Sommige ouders kiezen de voornaam op klank uit. Of op eerste letter.  Sommige ouders zoeken in andere culturen naar symboliek. Of zien in hun kinderen hun grootste idolen. Zaak is dat een naam geen cijfer is. Ik heet Tine om één of andere reden.

Vorige week zat ik nog volop in de oudercontacten. Bij mij is er geen schema: ouders komen wanneer ze kunnen. Stervensdruk is het er nooit. Nu was het geval dat een moeder op me af kwam en tot driemaal moest vertellen voor welke leerlinge ze precies kwam. Ik zei haar dat ze zich wellicht vergiste van juf. Ze kwam wel degelijk voor mij. De aap kwam uit de mouw: blijkbaar sprak ik de naam van haar dochter al twee jaar verkeerd uit. Niet alleen ik maakte me daar zondig aan. Ook haar medeleerlingen. Wat frappant was: nooit had het meisje ons ook maar één keer gecorrigeerd. Meer nog: volgens mij sprak ze het zelf ook zo uit. Ik verontschuldigde me ten opzichte van de moeder en ze zei dat het niet erg was.

Dat is het natuurlijk wel. Meer en meer betrap ik er mezelf op dat ik namen verkeerd uitspreek. Het is erg: want eenmaal verkeerd in het hoofd, is het lastig om dit te corrigeren. Als ik het verkeerd zeg, verbeter me dan gerust. Wat zorgvuldig werd bedacht, mag niet als onbelangrijk van tafel worden geveegd. Trouwens: niemand wil ‘Onbelangrijk’ heten.

(verschenen als column in KW Kortrijk-Menen  op 28/06/19)


TINE ZIET (536): Bus

Deze zomerdagen probeer ik meer en meer de confrontatie aan te gaan met al mijn persoonlijkheden. Zo heb ik er meer en meer de behoefte aan ...