donderdag 13 september 2012

Ooit (18):

Ooit ging ik graag op beide toppen van de schoenen  van een ander staan , om oog in oog wat stappen met mijn armen om dat lijf te zetten. De ander die besliste naar welke kant we zouden gaan. Ik heb het nog. Dat ik mijn doen soms liever door iemand anders dan mezelf bepalen laat.  Al probeer ik almaar minder top te raken.

Vandaag bedacht ik je schoenen, je schuiten. Mijn tenen aarzelden, wreven zachtjes op het leder als op je eigen huid. Even zochten ze je binnenzool, maar opgeschrikt door zoveel leegte deinsden ze terug. En kijk: ze liepen even op je toppen. Oog in oog met jij die er niet was. Je lijf afwezig. Maar zelf al was ik alleen met al jouw paren schoenen: ik stap nog steeds jouw tred, je pas. Ik weet mezelf geen richting op dan naar jouw voeten.

zondag 2 september 2012

Ooit (17)

Ooit was slaap niet iets om te delen. In het warme water van mijn moeder sliep ik dagenlang alleen.
Al draaide ik me toen al wat te veel in zak. Vandaar wellicht dat het wat eerder brak. Daarom werd het water opeens een doorzichtige bak. Omdat ik dan voortdurend sliep, kon iedereen dus eigenlijk al die tijd mijn dromen zien.

Het was wennen toen ik eenmaal in een bed met lakens werd gelegd. Als ik middenin de nacht wakker werd, moest iedereen dat horen. Na al die tijd met controlerende ogen om me heen, vond ik het normaal dat niemand anders dan ikzelf mocht slapen. Tot grote ergernis van zus en broers, maar vooral van gapende moeder en vader, duurde het meer dan drie jaar alvorens ik die aandacht niet meer nodig had om een hele nacht te kunnen slapen. Al klopt dat niet echt. Ik werd nog wakker, maar ik liet me niet zo luid meer horen. Ik zocht de aandacht meer discreet. Een kuchje of een zuchtje of het schrapen van mijn keel.

Lastiger werd ik toen ik zij aan zij op luchtmatrassen in muffe zalen slapen moest. Stilte moest of je werd met strenge zaklamp geflitst. Elke bocht in dromen werd verklapt via ritselende slaapzak en schuifelende rubber op de grond. Als ik dan verstijfd van schrik niet slapen kon, probeerde ik het ademritme van mijn buurmeisje te volgen. Dat lukte natuurlijk niet. Tussenin de zwaarte van mijn wakker-zijn en het lossen van mijn matras, raakte mijn slaap met dromen aardig uit de kom.

Jarenlang sliep ik alleen en volgens vast patroon. Eerst op mijn zij. Dan de tweede. Dan weer op de eerste en ten slotte op mijn buik. Dat lukt opeens niet meer als je slaapt met meer. Die arm ligt in de weg. Of dan dat been. Je haalt de eerste zij nét niet.Of die hand op je buik die weegt te veel.

Oefening baart kunst. Na wat oefenen word je ook het delen van je slaap gewoon. Zo gewoon dat als je weer alleen ligt, de plek van die ene zoekt om in te dromen. Je legt je hoofd zoals de ander doet. Je lijf keert en wentelt in de leegte van ander.  Je bedenkt een adem in een navel. En als je tussen twee dromen door wakker wordt, wriemel en kuch je weer naar aandacht in die veel te lange nacht met één.

Slapen doe ik eigenlijk nooit meer echt alleen.









maandag 9 juli 2012

Ooit (16)


Ooit hield ik van vuurwerk.  Zoals de zee oneindig groots lijkt, zo lijkt ook de lucht. De vuurpijlen schoten in het rond en ik keek letterlijk toe met open mond. Ik denk zelfs dat het op zo'n vuurwerk-avond is dat de Oooooh! geboren werd die nog altijd op mijn lippen hangt als ik iets zie, dat ik niet verwacht te zien en me met verbazing op doet kijken.
Tegelijkertijd met de Oooooh! kwam ook de schrik in ogen. Want geef toe: zo'n knal doet veel te hard schrikken. Als kind kroop ik dan dicht tegen mijn vader aan. Dat kon toen nog. Niet alleen omdat hij er toen nog was, maar ook omdat een kind gewoon openlijk bang mag zijn voor vuurwerkknallen.  Toen ik ouder werd, vond ik vuurwerk mooier vanop een afstand. Liefst zelfs met een raam ertussen.

Van vuurwerk kan men veel vertellen. Sommigen willen het verbieden: omdat het de huisdieren van hun melk brengt. Of omdat het gewoon te duur is. Gevaarlijk zelfs. Ik vind het wel wat zonde, maar ik hou wel van de nostalgie om de avondlucht met vuurslingers te versieren.

Gisteren werd een mooie dag in mijn nieuwe woonplaats met vuurwerk afgesloten. Ik wist dat wel, dat kwam niet onverwacht. Ik had er zelfs wat op gerekend. Meer nog: ik keek er eigenlijk wel naar uit.
Maar ik had niet kunnen vermoeden dat ik zo dichtbij zou komen te staan. Dat ik al die pijlen één voor één van beneden naar boven de lucht zou zien in gaan. Dat de knallen dus nog harder klonken.
Ik stond er niet alleen. Gelukkig. Maar als ik mensen nog maar pas ken, ga ik als drieëndertigjarige niet hun arm opzoeken met de bijna-woorden: "Ik ben bang." Dus deed ik wat ik het best kon doen: als kind met schrik in ogen tegen het gebouw dat achter mij stond leunen. Met ook het gemis niet meer tegen een vader aan te kunnen leunen, die me troost door het luidst van allemaal de Oooooh! te roepen.


Zo eindigde dit alles toch nog met een sisser. Hetzij een kleine. In plaats van vrolijk de nacht in te stappen, wentelde ik me in de zwaveldamp der melancholie en vertrok veel te vroeg en veel te veel alleen met enkel de armen van herinnering om me heen.

dinsdag 3 juli 2012

PS 8:


Geachte Man,

Dat U me veel kan vragen, zelfs de kleren van mijn lijf, is U niet vreemd.
Eens ontdooid, word ik gewillig. En als ik dat dan eenmaal ben, ontplooit m'n schroom vanzelf tot voor uw voeten.

Ik zag U al in verschillende gedaantes en in heel veel vormen. Een vast model voor ogen heb ik niet.
En eerlijk gezegd: het zal me worst wezen hoe uw lijf eruit ziet. Het oog wil wel wat, maar het verlangen meer. Deukt dit uw ijdelheid? Dan spijt dat me zeer. Maar ik kick niet op een sixpack. Ook een verzameling van blote achterwerken heb ik niet in mijn bezit. Eerder stel ik belang in hoe U kijkt en handelt. Hoe U ruikt en beweegt. Hoe U ademt en natuurlijk hoe U tot me spreekt. Maar bovenal - na al die jaren van geklungel - hoe U m'n mond en ogen stralen doet.

Het helpt natuurlijk wel als U attent bent. En vooral hou ik van uw initiatief, want ik weet nooit hoe ver ik mag gaan. Ik schaam me ervoor, dat mag U weten: na meer dan drieëndertig jaren is het voor mij nog steeds onmogelijk uw grenzen in te schatten. Dan zit ik gezellig met een exemplaar van U te drinken en dan weet ik niet of hij wat anders dan dat drinken wil. Ik zou het wel kunnen vragen: maar dan sla ik nog maller figuur dan ik al ben. Of als een exemplaar van U me aanspreekt om als een muze door z'n geest te wandelen, dan weet ik niet, hou ik in z'n hoofd m'n kleren aan? Of als een kordater exemplaar me vraagt  wat  ik draag, dan besluipt me het gevoel om te zeggen: "Vandaag ben ik voor U een mummie. Laag voor laag een lapje stof. U draag ik op mijn hand." Maar dan stopt gegarandeerd het gesprek.

Wanhopig ben ik niet. Dat is niet de reden van mijn schrijven.
Maar mag ik U toch vriendelijk en beleefd verzoeken om U deze dagen - in al uw mogelijke formaten - niet te fixeren op mijn voeten. Ik heb er gelukkig nog twee. U kent ze wel. Ofwel speelt U ermee. Ofwel kan ik ze in uw aanwezigheid niet meer bewegen. Of U gooit constant iets voor hen neer. Ik wil dat even niet meer. Zomer doet  vanzelf al vreemde dingen met twee voeten. Gun ze toch hun zwellen door de warmte. Gun ze hun niet-elegante sandalen. Gun ze lucht om me tot bij U te dragen. Laat U hen toch in alle rust. Richt U op mijn lippen, mijn ogen of mijn hart voor mijn part. Als U dat deze maanden doet, kus ik - eens schroomloos daar - de uwe zonder dat U daarom moet vragen.

Misschien moet ik maar eens op mijn handen leren lopen.

Van harte!

dinsdag 12 juni 2012

stelt paal en perk (8):


Ook al kreeg ik vaker moederdagwensen of de vraag voor wanneer ik uitgerekend was terwijl men met wat anders dan alcohol kwam aanzetten, een zoon of dochter heb ik niet. Toch krijg ik vaker allures van een moederkloek of hoor een soort van tikken in m'n lijf. Moeke worden is (voorlopig) niets voor mij. Wees gerust: verder ga ik in dit schrijven niet. Mijn eigen buik en wat daar dan wél in zit gaat jullie geen donder aan. Waarover ik het wel wil hebben, is het kind. Dus niet het mijne. Wat ik wou aantonen in deze inleiding: ik heb slechts buikgevoel.

Ik kan huilen om een kind dat tussen etensresten wakker word. Ik kan verdrietig worden om een meisje van acht dat voor haar jongere zusje en broertje moet koken en kleuters die dagelijks mee moeten op café. Als een meisje door haar moeder wordt vermoord en in mootjes een diepvries wordt verstopt, krijg ik het koud. Als een bus met allemaal kinderen daarin een ski-reis niet overleefd, word ik stil. Als weer eens wordt gebleken dat  iemand z'n handen niet kan thuishouden van een lijf dat eigenlijk gewoon tussen de bomen hoort te spelen, maal ik door en door en door. Ik bloed niet enkel maandelijks.

Maar er zijn heel veel kinderen. Niet alleen in dit land. En ook al hebben die het hier ook niet altijd makkelijk,  in andere delen van de wereld is er toch zo ontzettend veel meer aan de hand. Je zal maar jongetje in Syrië wezen. Als levend schild gebruikt. Of geëlektrocuteerd terwijl een eigen land de ogen sluit.  Maar dat niet alleen: de hele wereld kijkt op afstand toe. Omdat het allemaal zo ver lijkt en omdat het bijna film lijkt, gaan we dan maar verder met pruttelen in eigen onderzoek. Dat kinderen met oudere vaders langer leven bijvoorbeeld. Hoe koelbloedig zijn we eigenlijk met ons allen niet?

Laatst hoorde ik op een examen meisjes van zeventien vertellen over Salò o le 120 giornate di Sodoma van Pier Paolo Pasolini. Een film waar ze het ergste van verwachtten. Maar uiteindelijk bleken ze toch ontgoocheld over het feit dat daar zo weinig schokkends in was te zien. Akkoord: die meisjes zijn geen kinderen meer. Maar wie na hen komt, des te meer. Helaas: zelfs met alle bloed der moeder- en vaderharten, keert geen enkele onschuld weer.

zondag 27 mei 2012

Ooit (15)

Ooit was het een koud kunstje iemand aan te raken. Wat was ik in die tijd dol op handen! Ze knepen en tikten. Ze streelden, botsten, sloegen en hielden ongegeneerd andere vingers vast. Het kostte hen geen enkele moeite om andere huid te voelen. In billen werd gemiddeld elke week geknepen. Kietelen was er altijd bij. Mijn kindervingers: altijd bij de pinken!

Wanneer het tij keerde? Ik weet het niet. Een trauma hangt er in elk geval niet aan vast. Was het het besef dat mensen heel erg koud konden aanvoelen? Of dat huid wel eens vies kon zijn? Begon het met dat kinderachtige spelletje om iemands aanraking met opgekrulde neus door te geven aan iemand anders, daarbij dan luid te roepen: "Doorgeven!" tot je het opnieuw kreeg aangewreven en nog meer je neus moest ophalen. Of was het die onverwachte botsing tegen de pronte boezem van Louis Quatorze (dé studiejuffrouw der studiejuffrouwen wat de omvang der voorgevel betrof)? Of was het toch het besef dat er toch wat meer achter zo'n hand kan schuilgaan - een lijf bijvoorbeeld? Wanneer wordt onschuld eigenlijk iets om je voor te schamen? Enfin: op een dag merkte ik dat ik steen voor steen in mijn eigen lijf was ingemetseld. Bij de minste verschuiving van de voegen, was ik van de kaart. Elke vinger werd gevreesd. Zelf stak ik er nooit één naar iemand meer uit.

Natuurlijk en gelukkig bleef dat niet zo. Daar zat ik zelf voor iets tussen. Ik oefende me dagelijks in het aanraken van de dingen. Elke ochtend hield ik mezelf een klein doel voor: "Vandaag vijf buiken." of "Probeer eens een teen. Een kleine." Dat lukte me. Soms. Een aai op de bol. Een schouderklop.  Als leidster van de jeugdbeweging werd ik soms een knuffelmachine of gooide me op een grote hoop van andere lijven in de modder en moest de andere lijven omknellen om niet te verliezen.

Nu hou ik ervan. Meestal. Een onverwachte streling. Een verrassende tik tegen een knie. Een plotse omhelzing. Ook al reageer ik soms een beetje raar. In de liefde gaat het intussen bijna allemaal vanzelf - als de dat ander paar maar ooit begint. Of me aanmoedigt in m'n oor.

Waar ik na al die jaren van ongemak voor ijver is ondenkbaar. Geef toe: het ware een gemak: zo'n streepje  op het voorhoofd: rood betekent 'blijf van me af!' en groen: 'raak me gerust eens aan'.  Kunnen we dat niet eens proberen? Zullen we daar gewoon eens voor gaan?  Er is al te veel ontastbaar tussen zon en maan.

dinsdag 22 mei 2012

Ooit (14)

Ooit waren er seizoenen. Dat is misschien wat moeilijk te bevatten.
Er waren Zomer, Herfst, Winter en Lente. En net zoals je verjaardag kwamen ze elk jaar weer. In de zomer waren de mensen bloter dan de bomen. In de winter was dat dan omgekeerd. In de herfst vielen de noten naar beneden en in de lente werden ze herboren uit de keel van miljoenen vogels in de lucht en dwarrelden massaal op groene bomen neer. Zo is het eigenlijk heel lang gegaan. Zoals dat gaat met dingen, veranderde dit ook een keer.

Wellicht was het al jaren aan de gang, maar op een dag sijpelde het in mijn weten door: seizoenen kwamen en gingen niet langer op geijkte tijden. Die dag had ik het huis versierd voor Lente maar ze stuurde haar kat. Het was een koude grijze kater. Ik gaf hem een aai en hij sprong bij me op schoot. Zo had ik altijd wat van Winter aan mijn hoofd. En toen ik met Herfst hand in hand naar de naderende naaktheid keek, sprong Zomer als een huppelpasje in mijn lijf en leden neer. Ik schrok wel even, wees ook eerst met boze vinger naar één of ander gat en leerde uiteindelijk toch met het besef te leven elke dag jarig te kunnen zijn mét feest.  Het was wel even wennen om mijn kleerkast niet langer in vier delen op te splitsen en elke dag een nieuwe slinger aan de muur.

Nu is het zo dat de meeste mensen bij bakkers, kappers en slagers klagen: "Er zijn toch geen seizoenen meer." En dat lijkt dan ook wel zo. Misschien moeten ze daarvoor net als ik in zichzelf gaan wroeten. Kijk: ik dobber nu op minder nauwgezette getijden en ga nog steeds soms kopje onder. Maar ik drijf. Ik drijf.




TINE ZIET (542): Fietsschrik

Goede voornemens neem ik liever bij het begin van het schooljaar dan bij het begin van een kalenderjaar. Elk schooljaar wil ik aanvatten met...