vrijdag 17 juni 2011

Droom 16

Tine Moniek sliep vannacht in een hotel waar

iedereen wakker werd met een scheef gebit.

Behalve zijzelf. O, ironie der orthodontie!

stelt paal en perk (1)

Ik leef op voet van oorlog met die dames in het warenhuis die je van alles in de mond willen proppen of in je mandje willen droppen, alsof ik maar een voedselcontainer ben. Natuurlijk verkies ik lekkere jam boven droog brood. Maar ik hoef geen twee potten en een gratis pot daarboven op. Ook worstjes zijn wel lekker, maar mijn mond staat soms op kaas. Jonge. Geen nieuwe soort die volgende maand niet meer zal bestaan. Al gezien? Tegenwoordig doet men in werkelijk alles mozzarella en zongedroogde tomaat. Het is nu nog wachten op de eerste douchegel in die smaak.


Mevrouw, als u me aanspreekt, doe het dan beleefd. En als ik zeg: "Nee, bedankt", wees dan blij dat ik niet van het gulzige soort ben. Zo'n kraampje is in een fractie van een halve seconde leeggevreten. Maar U bekijkt me alsof ik onbeschoft ben terwijl U het was die ongevraagd op mijn vertrouwde winkelpad kwam.


Maar het ergste zijn die dames en heren die voor een warenhuis op wacht gaan staan. Met één of ander te mijden abonnement. Of erger nog: kaartjes, pleisters en balpennen. Ze kleven verontwaardiging op mijn lijf omdat ik bijvoorbeeld geen €6 wil betalen voor een heel ziek kindje. Natuurlijk is een open ruggetje heel erg. Maar ik kom gewoon mijn boodschappen doen. Voor €6 koop ik bijna nog drie broden. Die optelsom is zeker handig eens halverwege de maand. En als je dan uit de winkel komt, wijzen ze je na. Je zou op je broden kunnen wijzen, maar die kocht je natuurlijk niet. Nee, je kocht jezelf een schuldgevoel, dat je nog zal voelen bij een volgende warenhuisbezoek.


Bijna hoop je op een woordeloze bedelaar zonder vaste prijs. Een paar muntjes zouden je al lichter maken. Op zo'n moment vind je er natuurlijk geen en je gaat vloekend heen.

dinsdag 7 juni 2011

Slappe Sla

Op dagen zoals vandaag slakt Tine Moniek sloom aan.


De oorsprong van dat 'aanslakken' is vooreerst te vinden in de sloomheid waarin ze zich graag wentelt op een vrije dag in bijvoorbeeld mei. Ook zit de periode van het jaar er voor iets tussen. De prelude op de zomervakantie is voor haar (en veel collega's) een tijd vol spanning en ontlading: examenvoorstellingen rekken de concentratie vaak uit tot slobberende elastiekjes... en het hart slaat deze dagen zo vaak achterover (van schrik of van ontroering) dat het zware overuren klopt. In elk geval: Tine Moniek hoeft zich niet te excuseren voor haar slome-slak-toestand. Het enige wat ze wél moet doen, is ervoor zorgen dat ze geen schrikwekkende naaktslak wordt. Dat verdienen ogen en vooral blote voeten niet zomaar aan te treffen op de keukenvloer. Daarom wikkelt ze zich op zulke dagen in slappe sla als slagroom. En sla is in dit geval een monkelend blaadje, een kropje traan of sliertje droomkoek.


Zoals de gedachte aan een achtjarig meisje dat onlangs hardop zei: "Ik heb geen borstjes, juf. Dat is enkel vet." Terwijl ze de bandjes van haar topje aaide. Of het kijken naar de hummeltjes kat die door de kamer dwarrelen als een Santa Maria op de woeste baren. Een kleintje. Of het denkbeeldig eten van taart, omdat je dan tenminste nog een smaak kan bedenken waarvan je achterover valt. Er is zoveel om zachtjes in te baden. Een zoen. Een zucht. Een zon. Er is een hoofd dat brandt. Er is een droom die langzaam knispert. Het geluid van de was die tuimelt. Het getingel van een fles op de machine. Het gras dat onder wasknijpers ritselt. Verlangen naar verse lakens en het voelen van die versheid. De geur van rozen op de huid. En de drang naar zout. Wild en bijtend zout. Om zich niet langer slome slak in slappe sla te voelen.

donderdag 26 mei 2011

Droom 15

Ze droomde vannacht dat ze samen met haar broers en zus haar ouders hielp onderduiken.

Toen ze, voor ze voorgoed vertrokken, vroeg waarom ze dat eigenlijk in godsnaam deden, zei haar vader: "We willen samen leven." Nu, uren na de droom, blijft dit door de oren klinken als door merg en been.

dinsdag 24 mei 2011

Sorbet d'Amour

Ooit werd bedacht dat meligheid vanbinnen plakkerige dingen doet en daarom het best tussen membranen wordt vermeden. Dus bande zij de suikeroren uit haar ivoren toren en zeefde zoetjes uit de zee van woorden. Ook stak ze dagelijks glucosestrips - voor alle zekerheid - in neus en beide mooie ogen. Marsepein is lekker, maar geen mens die dit uit eigen wil wil zijn. Zelfs voor enig lieve ander speelt men liever geen homp amandelspijs.

Toen zij op een dag een zoutzak om haar middel plakte en koolhydraten knipte uit haar adem, zag zij opeens zo'n ziel, die als bij toeval samen naast haar in de wolken dreef. In eerste plaats had ze dit samendrijven wel willen vermijden. Ze vreesde voor een angel in haar keel. Maar de imker in haar linkerborst werd klef en strooide riet en bieten in haar praten. Ze konden uiteindelijk het smeulend smelten niet laten. En zie: de zielen werden ziedend één. Wat zij zelf dus niet had verwacht werd waar: dat lippen zoeter smaken als mensen zoemen bij elkaar.

Wie niet geloven wil, kan honing weelderig tussen haar spieren voelen tieren.
Wie een zweempje zoetstof zaait, kan peperkoeken oogsten.
Totdat de ene liefste liefste de ander plooit tot kaf, staat een zij in koninginnebrij en fruiten zij elkaar de hals.


zondag 8 mei 2011

Ooit (2)

Ooit droeg ik rokjes met ruitjes met niets daaronder aan.
Ik was nog klein en had mijn moeder in mijn hand.

Net als zo vaak kwam ik te laat op school. Een lege speelplaats staarde me aan. Maar bovenal hagelde het dikke stenen op mijn blote beentjes.
Ik huilde en mijn moeder trok me over de grijze tegels voort.
Kwaad was ik op de harde regen, op mijn moeder die zo schreeuwde en op de speelplaats zonder dak.

Nat en met rode vlekken in mijn gezicht en op mijn schenen stapte ik het klasje binnen. Het rook er naar de juf en naar haar warme kleren.
De schildpad schuifelde en was net als ik niet droog.

Ik was nog net geen vier maar bedacht mezelf een eerste bondgenoot.
Voortaan kreeg hij mijn sla. Dat smokkelde ik onder rokjes mee. In ruil daarvoor werd ik met huis op rug en zonder ruitjes voorzichtig machtig groot.

woensdag 20 april 2011

Ooit (1)

Ooit had ik een date met een politieman. We spraken af op een bekend plein in Gent. Ik droeg een paarse jurk met bloemen. Wat hij droeg wist ik op voorhand niet. Dus ik zocht naar een kepie. Een snor. Een revolver.

Toen kreeg een telefoon die zei dat hij me zag. Ik vroeg hem om te zwaaien. Ik verwachtte nog altijd blauw. Maar hij had een wit hemd en een jeansbroek en hij bleek niet eens alleen. Hij zei: "Dit is mijn collega. We zijn hier undercover. En eigenlijk bespieden we net een drugskoerier, maar jij leek ons wel de moeite." Mijn bloemen bloeiden trots.

Na amper één glaasje bruisend water en een saai gesprek vertrokken ze richting koerier en bleef ik alleen. Ik dacht aan de gouden handboeien om zijn nek en aan de sullige collega die je in elke politiefilm ziet. Ik dacht: "Oef, ze zijn vertrokken." en bestelde snel wat wijn.

Twee dagen later kreeg ik het verzoek om met hen naar de Ardennen te vertrekken. Ze huurden daar een huisje en wilden me allebei en tegelijk in bed. Even dacht ik aan de spanning. Maar toen dacht ik aan die nek. En dat geen van beiden ooit een politieserie zou halen. Zelfs niet één medaille voor een heldendaad.

Sindsdien hou ik nooit meer agenten van hun werk. Mijn bloemen en ik zouden niet durven.



TINE ZIET (542): Fietsschrik

Goede voornemens neem ik liever bij het begin van het schooljaar dan bij het begin van een kalenderjaar. Elk schooljaar wil ik aanvatten met...