Vaak doen Menenaren er zelf wat lacherig over. Ikzelf ook wel, dat geef ik grif toe. De Barakken. Meestal klinkt het als een brakke zure brok in de pap.
Voor wie Menen niet kent: de Barakken is een wijk tussen de Leie en de Franse Grens. Vooral de winkelstraat is bekend. In het weekend wemelt het er van de Noord-Fransen die goedkoop emmers tabak komen inslaan. Maar naast de tabakswinkels zijn ook heel veel boetiekjes. Slagers. Bakkers. Chocolatiers. Ik overdrijf niet als je er op een zonnige zondag echt op de koppen kan lopen.
Normaal laat ik er me er niet zo veel zien. Het gebeurt dat ik er bezoek mee naar toe neem, omdat het best wel indrukwekkend is. Bevreemdend zelfs. Mijn tante zei het ook: 'Het is hier drukker dan in Blankenberge!' En dat, lieve mensen, dat wil wat zeggen. Als ik er naartoe ga, hou ik ervan om naar de mensen te kijken. Door de straat marcheert een horde mensen die je doordeweeks nooit in Menen zal zien. Voor mij zijn zij de attractie, niet de prijzen.
Catherine vroeg me of ik niet mee ging met haar om te shoppen in de Barakken. 'Shoppen? Ik? En dan nog in de Barakken?' Ik stikte bijna in een nootje, ook al waren er wellicht geen nootjes. 'Een outfit voor mij bij elkaar zoeken zeker?' grapte ik. 'Ja, waarom niet! Leuk!' zei ze. Deal dus. Het nootje dat geen nootje was, voelde ongemakkelijk in mijn keel. Als ik door de Barakken fiets zie ik altijd felle fluo-shirts, jeansbroeken die nog niet eens om mijn arm passen, tijgermotiefjes, ritsjes,... Daarenboven koop ik al jaren bijna alles in een winkel voor grote maten omdat ik in geen standaardpakjes meer pas. Wat zou ik daar kunnen vinden?
Vandaag reed ik samen met Catherine en haar dochter Blanche op de fiets naar de Barakken. 'Dit wordt niets', dacht ik. In de eerste winkel viel het goed mee. Mooie mode. Echt! Al zat zoals voorspeld mijn lichaam mij niet mee. Maar eerlijk waar: de keuze was bijzonder modieus en verscheiden. Voor elk standaardmaatje wat wils. Ik geloof dat ik toen dacht: 'Maar dit is toch helemaal niet marginaal?'
Excuus daarvoor. Mijn welgemeend excuus.
In de winkel daarna hadden ze warempel wel mijn maat. Voor Catherine wurmde ik me zelfs in een jumpsuit. Het resultaat was in haar blik te zien. Niet dus, wat ik ook zelf wel dacht. Een jurkje stond me wel. Maar ik voelde me er toch wat te ongemakkelijk in. Maar uiteindelijk kocht ik een bovenstukje. Ja, ik kocht!
Daarna gingen we een handtassenwinkel binnen. Wat een mooie dingen! Ik ga zeker daar mijn volgende handtas kopen. Ik kocht er al een schattig portemonneetje. 'Wat een plek!' dacht ik. 'Wat kan een mens zich vergissen!' Dat was misschien wat te snel gedacht. Het werd toch een kleine calvarietocht om nog kledingstukken te vinden die ik mooi vond en waar ik ook nog eens in paste.
Ik zal het eerlijk zeggen: natuurlijk was er veel te koop waar alleen meisjes van onder de twintig mee weg komen. We gniffelden om strings in jeans, gebatikte tepels, prinsenkleedjes, hotpants in leer,.. Er waren prachtige hoeden! Een krokodil in chocolade. Winkels waar we met Blanche niet in konden omdat zij te jong was... Vrienden, wees op uw hoede: voortaan komen mijn cadeautjes uit Menen.
Natuurlijk moesten Catherine en ik een picon drinken. Een pannenkoek met choco voor Blanche. Drinken, kletsen en naar de mensen kijken die voorbij glijden. Ik moet het bekennen: de Barakken hebben veel meer in hun mars dan een brakke zure brok in mijn pap.
Uiteindelijk kwam ik thuis met een portemonneetje, het bovenstuk, een rok en een jurk. Daarnaast kocht ik ook een stokbrood. Ik kocht de beroemdste en lekkerste preparé van Menen, de preparé van Josué! Olé!
En dat ik dankzij dit uitje met Blanche en Catherine wel eens van de Barakken kan gaan houden, dat pakt niemand mij nog af.
donderdag 30 juli 2015
woensdag 29 juli 2015
Groeten uit Menen: Menen Wald
Hoe vaak heb ik al niet gedacht: 'Ik moet daar eens naartoe.' Ik was al langs de indrukwekkende poort gefietst, maar toen hing er regen in de lucht... Ik was dan ook heel erg blij dat Dominique me voor mijn reis door Menen voorstelde om mij mee te nemen naar MenenWald,
Als ik bij haar in de auto stap, klinkt de stem van Willem Vermandere uit de speakers. 'De toon is al gezet,' zegt ze glimlachend. We naderen 'Deutscher Soldatenfriedhof Menen 1914-1918' op de tonen van 'duuzenden en duuzenden soldottn'. Ik had dan ook werkelijk geen flauw idee...
Na het openen van de ijzeren poort staat het al te lezen: op dit kerkhof liggen 48 049 gesneuvelde soldaten begraven. 48 049! Dat is wel heel veel Willem! Het is dan ook één van de grootste Duitse militaire kerkhoven. Hier hebben alle doden een naam. Dood is niet anoniem. De plek ligt tussen velden en bomen. Een decor van rust rust op deze dodenakker.
Agnes is ons komen vervoegen. We gaan het kleine ingangsgebouw binnen. Daar vinden we een register waarin bezoekers hun naam kunnen achterlaten. In een speciaal kastje vinden we een tiental boeken met daarin alle namen van de soldaten die op dit kerkhof begraven liggen We kunnen het niet bevatten dat al die namen hier samen...
Op de grond liggen vierkante arduinen stenen. Op elke steen twintig soldatennamen met hun functie en hun sterfdatum. Daartussen rijzen op bepaalde plaatsen twee kruisen. Tussen de stenen heel veel bomen. We zagen eerst alleen eiken. Maar onderzoek leert dat ook ligusters en tamme kastanjelaars een soort van tranenwoud vormen op het tapijt van zij die vielen in een strijd die nog niet eens zo lang geleden werd gestreden.
Aan de rand van het kerkhof staan af en toe oude zerken. Oude gedenkplaten. Die herinneren ons aan het feit dat de soldaten eerst op andere kerkhoven lagen begraven. Dat ze pas later eeuwige rust vonden in Menense bodem.
Wat opvalt hier: praktisch geen bloemen. Bijna nergens wordt een geboortejaar vermeld. Zodat zij die hier liggen enkel stierven. En wat is het hier koud!
Middenin de dodenakker staat tussen de plaveien, een herdenkingskapel. In die prachtige kapel staan mooie symbolen in bladgoud en mozaiëk. Rond de kapel staan op zerken de verdwenen begraafplaatsen die de soldaten oorspronkelijk bewoonden in hun dood.
We zijn er een beetje stil van geworden. Dan loopt er opeens een man met een fluo-hesje het terrein op. Hij lijkt iets te zoeken. Het blijkt een man uit Moeskroen te zijn. Ik noem hem de bunkerspotter. Hij fotografeert als hobby bunkers die hij met zijn brommertje aanzoekt. Omdat het het einde van de maand is, komt hij maar naar Menen, dat is mooi dichtbij. "Voordelig qua brandstof,' vertelt hij. Hij vraagt of wij de bunkers weten zijn. Er zijn er hem drie beloofd, maar hij vindt er maar eentje in het veld van de boer. Wij wisten niets van bunkers. Wat opspeurwerk met mijn smartphone leert ons inderdaad dat er vlakbij drie bunkers moeten zijn. Hij loopt het terrein af, de schouders ophalend. Een bunker hoeft toch geen speld in de hooiberg te zijn?
Wij blijven nog even staan. Zoveel doden. Weinig woorden.
Nadat we onze namen in het register achter gelaten hebben, gaan we door de ijzeren poort naar buiten, en kijk: daar stapt de bunkerspotter op ons af. Hij vertelt ons dat hij informatie ingewonnen heeft bij de huizen aan de overkant. De bunkers zijn er niet allemaal meer. Hij reageert ontgoocheld dat hij van zover is gekomen voor slechts één bunker die hij kan fotograferen. Een ander staat blijkbaar te diep in de maïs. Even later kruipt hij bedremmeld op zijn witte brommertje.
Agnes vertrekt op de fiets. Dominique en ik besluiten eens langs de bunker te rijden. Vanuit de auto zien we die opeens opdoemen. We zien tussen de velden een geel fluo-hesje verdwijnen, we glimlachen en verliezen het spoor. We rijden wat rond zonder oriëntatie. We zijn wat bevangen door het gevoel.
Even later zitten we op de Grote Markt in Menen. Elk in de zon met onze aperitief onder het belfort. We mogen gezien worden. We moeten ons niet in bunkers verbergen. Reizen is klimmen en dalen. In klimmen zit innerlijk vertragen en in dalen plezier.
Als ik bij haar in de auto stap, klinkt de stem van Willem Vermandere uit de speakers. 'De toon is al gezet,' zegt ze glimlachend. We naderen 'Deutscher Soldatenfriedhof Menen 1914-1918' op de tonen van 'duuzenden en duuzenden soldottn'. Ik had dan ook werkelijk geen flauw idee...
Na het openen van de ijzeren poort staat het al te lezen: op dit kerkhof liggen 48 049 gesneuvelde soldaten begraven. 48 049! Dat is wel heel veel Willem! Het is dan ook één van de grootste Duitse militaire kerkhoven. Hier hebben alle doden een naam. Dood is niet anoniem. De plek ligt tussen velden en bomen. Een decor van rust rust op deze dodenakker.
Agnes is ons komen vervoegen. We gaan het kleine ingangsgebouw binnen. Daar vinden we een register waarin bezoekers hun naam kunnen achterlaten. In een speciaal kastje vinden we een tiental boeken met daarin alle namen van de soldaten die op dit kerkhof begraven liggen We kunnen het niet bevatten dat al die namen hier samen...
Op de grond liggen vierkante arduinen stenen. Op elke steen twintig soldatennamen met hun functie en hun sterfdatum. Daartussen rijzen op bepaalde plaatsen twee kruisen. Tussen de stenen heel veel bomen. We zagen eerst alleen eiken. Maar onderzoek leert dat ook ligusters en tamme kastanjelaars een soort van tranenwoud vormen op het tapijt van zij die vielen in een strijd die nog niet eens zo lang geleden werd gestreden.
Aan de rand van het kerkhof staan af en toe oude zerken. Oude gedenkplaten. Die herinneren ons aan het feit dat de soldaten eerst op andere kerkhoven lagen begraven. Dat ze pas later eeuwige rust vonden in Menense bodem.
Wat opvalt hier: praktisch geen bloemen. Bijna nergens wordt een geboortejaar vermeld. Zodat zij die hier liggen enkel stierven. En wat is het hier koud!
Middenin de dodenakker staat tussen de plaveien, een herdenkingskapel. In die prachtige kapel staan mooie symbolen in bladgoud en mozaiëk. Rond de kapel staan op zerken de verdwenen begraafplaatsen die de soldaten oorspronkelijk bewoonden in hun dood.
We zijn er een beetje stil van geworden. Dan loopt er opeens een man met een fluo-hesje het terrein op. Hij lijkt iets te zoeken. Het blijkt een man uit Moeskroen te zijn. Ik noem hem de bunkerspotter. Hij fotografeert als hobby bunkers die hij met zijn brommertje aanzoekt. Omdat het het einde van de maand is, komt hij maar naar Menen, dat is mooi dichtbij. "Voordelig qua brandstof,' vertelt hij. Hij vraagt of wij de bunkers weten zijn. Er zijn er hem drie beloofd, maar hij vindt er maar eentje in het veld van de boer. Wij wisten niets van bunkers. Wat opspeurwerk met mijn smartphone leert ons inderdaad dat er vlakbij drie bunkers moeten zijn. Hij loopt het terrein af, de schouders ophalend. Een bunker hoeft toch geen speld in de hooiberg te zijn?
Wij blijven nog even staan. Zoveel doden. Weinig woorden.
Nadat we onze namen in het register achter gelaten hebben, gaan we door de ijzeren poort naar buiten, en kijk: daar stapt de bunkerspotter op ons af. Hij vertelt ons dat hij informatie ingewonnen heeft bij de huizen aan de overkant. De bunkers zijn er niet allemaal meer. Hij reageert ontgoocheld dat hij van zover is gekomen voor slechts één bunker die hij kan fotograferen. Een ander staat blijkbaar te diep in de maïs. Even later kruipt hij bedremmeld op zijn witte brommertje.
Agnes vertrekt op de fiets. Dominique en ik besluiten eens langs de bunker te rijden. Vanuit de auto zien we die opeens opdoemen. We zien tussen de velden een geel fluo-hesje verdwijnen, we glimlachen en verliezen het spoor. We rijden wat rond zonder oriëntatie. We zijn wat bevangen door het gevoel.
Even later zitten we op de Grote Markt in Menen. Elk in de zon met onze aperitief onder het belfort. We mogen gezien worden. We moeten ons niet in bunkers verbergen. Reizen is klimmen en dalen. In klimmen zit innerlijk vertragen en in dalen plezier.
dinsdag 28 juli 2015
Groeten uit Menen: Rondreis op vier benen
Een grote wandelaar zal er nooit van mij worden. Al schuw ik de benenwagen niet. Het is handig als je tijd en zin hebt in wat buitenlucht. Regelmatig laat ik mijn voeten uit. Meestal loop ik vaste routes hier in Menen. Te voet naar de Rijselstraat en terug. Veel verder ga ik meestal niet. Dan neem ik wel mijn stalen ros. Toen ik de uitnodiging kreeg van Gertjan om met hem te gaan wandelen naar minder gekende hoekjes, was ik bijgevolg toch een beetje argwanend omdat ik dacht aan wat veel kilometers met mijn voeten doen...
Voor ik vanmiddag met de paraplu in mijn handtas vertrek, verander ik nog een vijftal keer van schoenen. Om uiteindelijk toch de schoenen van eerst aan te trekken. Want welk schoeisel heb je nodig? Hoe lang gaan we stappen? Er zijn zoveel minder gekende hoekjes...
Gertjan zit op me te wachten op het bankje voor het stadhuis. Ik ken Gertjan van zien, maar veel hebben we nog niet gesproken. We begroeten elkaar, ik ga naast hem zitten en hij overhandigt mij een brief met daarop een inleiding op het stappen. Ik had kunnen denken: 'Dit wordt een stille wandeling.' en 'Hoeveel briefjes zou hij in zijn jaszak hebben?', maar ik dacht: 'Oké! Let's go!'
Bij het rechtstaan begint Gertjan al te vertellen. Over het stadhuis. Over een binnenplek, die nog steeds te zien is. Hij overrompelt me een beetje en ik denk nog heel even: 'Oh nee, dit doet me denken aan een excursie...' Ik maak nog een grapje over het feit dat ik geen notitieboekje mee heb. Daarna komen we aan een Christusdoorn. Een boom die me nog nooit eerder opgevallen is met jawel, doornen kroontjes op zijn stam. Over dat Menen nog een bedevaartplek geweest is, maar dat de grot nu dichtgemaakt is. Hij loodst me via villa's (en mysterieuze sterfgevallen) naar een Leie die er niet meer is. Tabak. Een verdwaalde kogelbal. We wandelen langs een zaal die net drie centimeter te klein is voor de Europese competitie langs een oase van groen naar de Leie.
Geen enkele keer heb ik de indruk dat Gertjan iets van buiten heeft geleerd. Hij is geen saaie gids die me vaak doet geeuwen. Hij vertelt het met een gemak en ik moet me niet inspannen om mijn aandacht erbij te houden, om sneller te stappen. We overbruggen op vier benen de stilte die op het bankje bij aanvang hing. Opeens staan we in een tabakswinkel tussen de potten tabak en de drankflessen, de koffiepads, de oplossoep. Dingen des levens: Converseren over slagers. Grootvaders. Schlagers.
De tijd vliegt. Zonder dat ik het goed en wel besef lopen we op de grens. Een plein dat Frankrijk en België zonder pardon verdeelt. Het is een beetje absurd. Een mooi idee trouwens, om daar eens een film te maken over de verschillen en overeenkomsten tussen nationaliteiten. We lopen een korte afstand in Halluin tussen de televisie-antennes, langs een uitgebrande fabriek, om via de Leie terug in de vertrouwde Rijselstraat terecht te komen.
Na afloop gaan we nog wat drinken: van wandelen en praten hebben we allebei wel dorst gekregen. Want ik geef het toe: ik heb Gertjan niet alleen laten vertellen. Ik vertelde ook. Natuurlijk.
Opeens was Menen niet alleen een stad maar ook een leven. Twee levens die zonder dat wandelen misschien nooit aan de praat geraakt waren. Het was fijn om in dat verhaal van Gertjan en de stad mee te stappen. En om de grens van zwijgen en beleefd begroeten samen over te gaan.
Misschien zouden we met zijn allen gewoon wat meer naast elkaar moeten stappen en voelen dat uit zwijgen en stilte een verhaal kan ontstaan.
Voor ik vanmiddag met de paraplu in mijn handtas vertrek, verander ik nog een vijftal keer van schoenen. Om uiteindelijk toch de schoenen van eerst aan te trekken. Want welk schoeisel heb je nodig? Hoe lang gaan we stappen? Er zijn zoveel minder gekende hoekjes...
Gertjan zit op me te wachten op het bankje voor het stadhuis. Ik ken Gertjan van zien, maar veel hebben we nog niet gesproken. We begroeten elkaar, ik ga naast hem zitten en hij overhandigt mij een brief met daarop een inleiding op het stappen. Ik had kunnen denken: 'Dit wordt een stille wandeling.' en 'Hoeveel briefjes zou hij in zijn jaszak hebben?', maar ik dacht: 'Oké! Let's go!'
Bij het rechtstaan begint Gertjan al te vertellen. Over het stadhuis. Over een binnenplek, die nog steeds te zien is. Hij overrompelt me een beetje en ik denk nog heel even: 'Oh nee, dit doet me denken aan een excursie...' Ik maak nog een grapje over het feit dat ik geen notitieboekje mee heb. Daarna komen we aan een Christusdoorn. Een boom die me nog nooit eerder opgevallen is met jawel, doornen kroontjes op zijn stam. Over dat Menen nog een bedevaartplek geweest is, maar dat de grot nu dichtgemaakt is. Hij loodst me via villa's (en mysterieuze sterfgevallen) naar een Leie die er niet meer is. Tabak. Een verdwaalde kogelbal. We wandelen langs een zaal die net drie centimeter te klein is voor de Europese competitie langs een oase van groen naar de Leie.
Geen enkele keer heb ik de indruk dat Gertjan iets van buiten heeft geleerd. Hij is geen saaie gids die me vaak doet geeuwen. Hij vertelt het met een gemak en ik moet me niet inspannen om mijn aandacht erbij te houden, om sneller te stappen. We overbruggen op vier benen de stilte die op het bankje bij aanvang hing. Opeens staan we in een tabakswinkel tussen de potten tabak en de drankflessen, de koffiepads, de oplossoep. Dingen des levens: Converseren over slagers. Grootvaders. Schlagers.
De tijd vliegt. Zonder dat ik het goed en wel besef lopen we op de grens. Een plein dat Frankrijk en België zonder pardon verdeelt. Het is een beetje absurd. Een mooi idee trouwens, om daar eens een film te maken over de verschillen en overeenkomsten tussen nationaliteiten. We lopen een korte afstand in Halluin tussen de televisie-antennes, langs een uitgebrande fabriek, om via de Leie terug in de vertrouwde Rijselstraat terecht te komen.
Na afloop gaan we nog wat drinken: van wandelen en praten hebben we allebei wel dorst gekregen. Want ik geef het toe: ik heb Gertjan niet alleen laten vertellen. Ik vertelde ook. Natuurlijk.
Opeens was Menen niet alleen een stad maar ook een leven. Twee levens die zonder dat wandelen misschien nooit aan de praat geraakt waren. Het was fijn om in dat verhaal van Gertjan en de stad mee te stappen. En om de grens van zwijgen en beleefd begroeten samen over te gaan.
Misschien zouden we met zijn allen gewoon wat meer naast elkaar moeten stappen en voelen dat uit zwijgen en stilte een verhaal kan ontstaan.
maandag 27 juli 2015
Groeten uit Menen: Gamen
Als kind had ik het maar zwaar lastig. We hadden een stokoude televisie met twee zenders en veel storingen. Ik had geen Barbiehuis. Maar bovenal geen computerspelletjes. Af en toe mocht ik 'Donkey Kong' spelen als ik bij mijn nicht op bezoek was. Of iets met kikkers 'Frogger'. Ik had al snel door dat ik daarmee moest opletten. Die melodietjes jengelden in mijn oren. Ik kon niet stoppen.
Dat ervoer ik ook later toen ik een computer had. Tetris. Bubble Shooter. Ooit had ik ook op veel te late leeftijd een Neopets-verslaving. Terwijl mijn leerlingen al aan de Gameboy, de PSP, de DS zaten, speelde ik stiekem Neopets, een spel dat zij met hun ogen dicht konden spelen.
Vandaag ging ik langs bij Renaat. Renaat woont in mijn straat. Vaak hoor ik akelige geluiden als ik langs zijn huis passeer. Ik hoef me daar geen zorgen over te maken: Renaat speelt computergames. Hij heeft ook altijd vrienden over de vloer die bij hem komen gamen. Ik nodigde mezelf voor mijn reisje in Menen bij hem uit.
Met een zelfgebakken cake onder de arm drukte ik op zijn deurbel. Het was muisstil in zijn huis. Ik bedacht dat hij misschien in slaap was gevallen. Ik drukte nog een keer en stopte de cake door het rastertje van zijn voordeur in de hoop dat de geur van de cake hem zou doen ontwaken als dat bel dat niet deed. Maar de deur bleef dicht. Teleurgesteld ging ik met de cake naar huis. Nu ja, zo gaat dat met reizen. Soms lopen de zaken anders. Ik ging dan maar een boekje lezen nadat ik hem een bericht had verzonden.
Natuurlijk bleek later dat de bel niet was gehoord. Toen ik drie kwartier later arriveerde zaten daar ook Sacha en Olivier op mij te wachten. Blijkbaar zaten ze al zo in het spel dat ze de bel niet gehoord hadden. Ook hadden ze de cake niet geroken. Tast gamen de zintuigen aan?
Renaat heeft een heel groot scherm wat het spelen van computergames heel erg leuk maakt. Wat me opviel is dat de beelden heel erg mooi gestileerd zijn, dat de muziek écht is en dat er geen schreeuwerige gifgroene kikkers in voorkomen.
In films zie ik vaak dat gamers afgebeeld worden met zakken chips en flessen cola. Bij Renaat werd thee gedronken. En cake dus. Terwijl er een kitten vrolijk rond dartelde en een ander zijn buikje warmde aan een game-apparaat.
Het eerste spel dat me werd getoond, is een heel recent spel: Bloodborne. Daarin speelt de speler een soort van monsterjager. Ik wist meteen dat dit iets zou zijn dat me in de greep zou hebben. Het spel is behoorlijk cru. Er stroomt veel bloed. De sfeer is echt duister. Wie wil er nu geen monsters verslaan? Het bleek al heel snel dat ik heel erg onhandig was met het bakje. Ik stuurde mijn monsterjager alle kanten uit, behalve naar de monsters. Maar na enkele pogingen lukte het me toch om enkele monsters te verslaan. Ik weet gewoonweg zeker dat ik dit constant zou spelen, mocht ik dit in huis halen. De drang om almaar verder de trappen op te klimmen en monsters te vermoorden. Er zit duidelijk een gemene jager in mijn lijf.
Een volgend spel dat ik in handen kreeg was een klein toestel met scherm: een PS Vita. Ik dacht: 'Yes, dat zal me lukken.' Het deed me denken aan het toestel van 'Donkey Kong' destijds. Maar ook hier raakte ik geen wijs uit alle knopjes en waar ze nu precies voor dienden.
Daarna deden we nog een racespel: Driveclub. Dat zie ik mijn neefjes ook vaak met heel veel gemak doen. Alleen was dit spel veel mooier uitgewerkt. Het leek of je ook echt in de auto zat. Telkens als de auto ergens tegen aan ramde, schampte, botste zei ik hardop: 'Au!'. Hier ging ik eigenlijk nog veel meer de mist in. Ik bleek die auto helemaal niet te kunnen besturen. Ik troostte me dat met een echte auto rijden ooit ook niet zo eenvoudig was...
Daarna kregen 'mijn gameboys' honger. Zoals ze vaak doen, gaan ze na het spelen pita eten. Ik werd mee uitgenodigd. We aten de pita smakelijk op in het gezelschap van Marilyn Manson.
Dit was zeker iets nieuws in Menen. Iets dat ik nooit eerder deed. En wat ik niet snel zal vergeten. Ik hoop alleen dat ik nu niet weer met Neopets start. Of Candy Crush of zo. Dat zijn spelletjes die ik met een bepaald gemak weer uit mijn game-lade zou halen als ik me op een dag weer eens verveel.
Ze zijn belachelijk eenvoudig. Spelletjes. Geen games.
Games zijn toch wel kunstwerkjes. Als je het allemaal maar wat doseert.
Dat ervoer ik ook later toen ik een computer had. Tetris. Bubble Shooter. Ooit had ik ook op veel te late leeftijd een Neopets-verslaving. Terwijl mijn leerlingen al aan de Gameboy, de PSP, de DS zaten, speelde ik stiekem Neopets, een spel dat zij met hun ogen dicht konden spelen.
Vandaag ging ik langs bij Renaat. Renaat woont in mijn straat. Vaak hoor ik akelige geluiden als ik langs zijn huis passeer. Ik hoef me daar geen zorgen over te maken: Renaat speelt computergames. Hij heeft ook altijd vrienden over de vloer die bij hem komen gamen. Ik nodigde mezelf voor mijn reisje in Menen bij hem uit.
Met een zelfgebakken cake onder de arm drukte ik op zijn deurbel. Het was muisstil in zijn huis. Ik bedacht dat hij misschien in slaap was gevallen. Ik drukte nog een keer en stopte de cake door het rastertje van zijn voordeur in de hoop dat de geur van de cake hem zou doen ontwaken als dat bel dat niet deed. Maar de deur bleef dicht. Teleurgesteld ging ik met de cake naar huis. Nu ja, zo gaat dat met reizen. Soms lopen de zaken anders. Ik ging dan maar een boekje lezen nadat ik hem een bericht had verzonden.
Natuurlijk bleek later dat de bel niet was gehoord. Toen ik drie kwartier later arriveerde zaten daar ook Sacha en Olivier op mij te wachten. Blijkbaar zaten ze al zo in het spel dat ze de bel niet gehoord hadden. Ook hadden ze de cake niet geroken. Tast gamen de zintuigen aan?
Renaat heeft een heel groot scherm wat het spelen van computergames heel erg leuk maakt. Wat me opviel is dat de beelden heel erg mooi gestileerd zijn, dat de muziek écht is en dat er geen schreeuwerige gifgroene kikkers in voorkomen.
In films zie ik vaak dat gamers afgebeeld worden met zakken chips en flessen cola. Bij Renaat werd thee gedronken. En cake dus. Terwijl er een kitten vrolijk rond dartelde en een ander zijn buikje warmde aan een game-apparaat.
Het eerste spel dat me werd getoond, is een heel recent spel: Bloodborne. Daarin speelt de speler een soort van monsterjager. Ik wist meteen dat dit iets zou zijn dat me in de greep zou hebben. Het spel is behoorlijk cru. Er stroomt veel bloed. De sfeer is echt duister. Wie wil er nu geen monsters verslaan? Het bleek al heel snel dat ik heel erg onhandig was met het bakje. Ik stuurde mijn monsterjager alle kanten uit, behalve naar de monsters. Maar na enkele pogingen lukte het me toch om enkele monsters te verslaan. Ik weet gewoonweg zeker dat ik dit constant zou spelen, mocht ik dit in huis halen. De drang om almaar verder de trappen op te klimmen en monsters te vermoorden. Er zit duidelijk een gemene jager in mijn lijf.
Een volgend spel dat ik in handen kreeg was een klein toestel met scherm: een PS Vita. Ik dacht: 'Yes, dat zal me lukken.' Het deed me denken aan het toestel van 'Donkey Kong' destijds. Maar ook hier raakte ik geen wijs uit alle knopjes en waar ze nu precies voor dienden.
Daarna deden we nog een racespel: Driveclub. Dat zie ik mijn neefjes ook vaak met heel veel gemak doen. Alleen was dit spel veel mooier uitgewerkt. Het leek of je ook echt in de auto zat. Telkens als de auto ergens tegen aan ramde, schampte, botste zei ik hardop: 'Au!'. Hier ging ik eigenlijk nog veel meer de mist in. Ik bleek die auto helemaal niet te kunnen besturen. Ik troostte me dat met een echte auto rijden ooit ook niet zo eenvoudig was...
Daarna kregen 'mijn gameboys' honger. Zoals ze vaak doen, gaan ze na het spelen pita eten. Ik werd mee uitgenodigd. We aten de pita smakelijk op in het gezelschap van Marilyn Manson.
Dit was zeker iets nieuws in Menen. Iets dat ik nooit eerder deed. En wat ik niet snel zal vergeten. Ik hoop alleen dat ik nu niet weer met Neopets start. Of Candy Crush of zo. Dat zijn spelletjes die ik met een bepaald gemak weer uit mijn game-lade zou halen als ik me op een dag weer eens verveel.
Ze zijn belachelijk eenvoudig. Spelletjes. Geen games.
Games zijn toch wel kunstwerkjes. Als je het allemaal maar wat doseert.
Brief aan mijn stad.
(Dit jaar probeer ik elke dag een brief te schrijven. Omdat ik vandaag mijn tweehonderdste brief schreef, wou ik iets bijzonders. Ik schreef hem aan mijn stad. Zoals ik mijn brieven ook anders schrijf. Zonder klad. Vier kantjes met inktblauwe inkt. Maar omdat ik het spijtig zou vinden dat die brief zomaar verloren zou gaan, maakte ik één uitzondering. Na afloop tikte ik de brief ook uit en publiceer hem. Voor wie de brief wil lezen.)
Menen, 27/07/15
Op mijn zolder, 12:06
Jess FM
Gegroet mijn stad,
Vandaag is het een heugelijke dag. U weet het wellicht niet, maar dit jaar
probeer ik elke dag een echte brief te schrijven. Dit omdat ik vaak met enige
nostalgie terugkijk naar een wereld die nog niet virtueel was. Vandaag schrijf
ik brief 200. En die schrijf ik naar U.
Niet alleen omdat 200 magisch klinkt in de ogen en de oren,
maar ook omdat ik vandaag op reis vertrokken ben: een reis door Menen. Een week
lang laat ik mij op sleeptouw nemen om U met andere ogen te zien. Dat is toch
reizen?
Deze dagen vertrekken mensen, uw inwoners, naar andere
oorden. Men gaat naar andere landen om daar andere culturen op te snuiven. Om
andere dingen te doen. Om in een andere omgeving een boekje te lezen. Men gaat
daar musea bezoeken. Fijn! Maar ik wil me deze week engageren om deze zomer
minstens één volle week dagelijks in een leefwereld te stappen die me niet
vertrouwd is.
Zelf woon ik hier drie jaar en een half. Ik vind mij al
behoorlijk goed ingeburgerd. Ja, ik voel me Menenaar. Als Figurette Fénoménale,
Wereldtuinier, fitnesser, vrijwilliger bij de Figuranten, vaste bezoeker van CC
De Steiger, leerkracht SAMW-Menen, bibliotheekganger,… Toch zijn er nog zoveel
facetten die voor mij totaal onbekend zijn en wellicht ook zullen blijven.
Daarom mijn initiatief.
Op het programma staan onder andere gamen, enkele
toeristische wandelingen, shoppen in de Barakken, een potje draaien, een bezoek
aan het opvangcentrum, meepresenteren bij Jess Fm, vissen… Ook ga ik op 10 augustus een dagje meewerken in de wasserij
van Veerkracht 4. Want ik sta open voor nog andere dingen. Ook na mijn weekje
in Menen. Daarom leek het me wel fijn om U mijn tweehonderdste brief te
schrijven, want met U wil ik wel vrienden zijn.
Veel vrienden en familieleden vinden het nog altijd vreemd
dat ik hier kwam wonen en hier blijf. Het is iets geks met uw naam. Veel mensen
trekken hun neus op als ze ‘Menen’ horen. Om eerlijk te zijn, vind ik dat een beetje bizar. Want wat is
er in hemelsnaam verkeerd met Menen? Ik zou het eigenlijk niet weten.
Oh, Menen, ik woon hier graag. Echt! Ik hou van uw inwoners.
Ze zijn zo mooi eigen. Men durft uw
straatbeeld wel eens grauw te noemen. Dat doet me soms een beetje verdriet.
Daarom vind ik het fijn om vrienden hier af en toe mee naar toe te slepen.
En ze moeten het telkens toegeven: je woont hier goed. En dat is ook zo. Dit is
het fijne aan een stad waar iedereen aan zijn/haar trekken komt. Voor mensen
die van feesten houden zijn er Wieltjesfeesten, carnaval, heel veel leuke
buurtfeesten, Breughelfeest,… Voor wie van muziek houdt is er Grensrock,
KOTweekend,… Kunst is er ook. Dit jaar zag ik werk van plaatselijke
kunstenaars, maar ook van James Ensor en Joseph Beuys! Wat men mij ook zegt:
Menen leeft!
Menen wordt bovenal gekleurd door wie er woont. Vergeef mij
als ik het zo schrijf, soms lijkt het een bont allegaartje. Stuk voor stuk
mensen voor wie ‘echt-zijn’ past. Authentiek. Eigen.
Natuurlijk leef ik niet in een roze wolk. Ik zie ook wel
miserie. Ik zie zwerfvuil. Hondenpoep. Verloedering. Onkruid. Gebroken glas.
Maar geef eens toe, waar ziet men dat niet?
Met dit schrijven wil ik U laten weten dat ik U eigenlijk
wel graag zie. Dat mijn vrienden U ook almaar liever zien. Dat ik mij graag in
u nestel. Dat is me hier, jawel, serieus thuis voel. Het is in uw straten dat ik een andere Tine ben geworden.
Een actievere en socialere Tine (al is daar nog altijd werk aan). Ik heb hier zelden grauwe en grijze
gedachten. Meer nog: soms huppel ik uw zebrapaden over.
Ik dacht dat U dat ook wel eens wou lezen. Want geef toe: we
zeggen zo weinig lieve dingen. Zeker niet over een stad.
Hopelijk mag ik me hier blijven thuis voelen. Hopelijk
vervreemd ik niet opeens omdat ik op een dag wakker word in een stad die ik toch
niet ken.
Hopelijk stopt ook op een dag die negatieve bijklank als ik
uw naam over de lippen laat komen. U bent Gent niet. Geen Antwerpen. Geen
Brugge. U bent MENEN.
Graag wil ik u toch nog een tip geven: zie het niet al te
groots. Ga na dit schrijven niet met uw
neus in de wind lopen. U bent Knokke niet (net zomin ik geen godin). U bent niet een stad die U misschien
soms liever wil zijn. Blijf uw inwoners in de armen sluiten, kietelen,… Sluit
hen niet uit. Want zonder hen verdwijnt het kleur, gaat U af. Hou het groen
levendig en laat kinderen U als kinderen beklimmen, bespringen, behinkelen,..
Nooit eerder schreef ik een brief aan een stad. Maar ik deed
dit graag naar U. Omdat U mij neemt zoals ik ben. Bedankt daarvoor.
Ik wens U nog een fijne zomer!
Hartelijk,
Tine 12:50
vrijdag 17 juli 2015
Groeten uit Menen
Het is weer volop vakantietijd. Mensen gaan weer naar andere landen op reis om andere culturen op te snuiven en om in andere werelden te logeren.
Ik zou me graag engageren om deze zomer één volle week dagelijks in een leefwereld die me niet vertrouwd is te stappen. Dit graag in mijn eigen stad Menen. Ik woon nu bijna vier jaar in Menen en vind mezelf al goed ingeburgerd. Maar er zijn nog zoveel facetten die ik niet ken.
Omdat op reis gaan, ook gewoon in eigen stad kan. En om wat vooroordelen uit mijn hoofd te doorstrepen.
Neem jij me graag mee naar een geloofsritueel dat ik niet ken? Kan ik een dag meedraaien op een werkvloer die me totaal vreemd is (let op: ik wil meehelpen, maar niet je werk overnemen)? Kan ik met je mee naar de countryclub?
Stel me gerust iets voor. Wat voor jou gewoon is, kan voor mij iets nieuws zijn. Een ervaring. Als het me een uitdaging lijkt, zeg ik volmondig 'JA'. Van elke ervaring schrijf ik een stukje op mijn weblog. Dus misschien kan ik op die manier ook andere Menenaren op reis laten gaan in eigen stad.
Ik ga op reis in Menen van maandag 27 juli tot en met zondag 2 augustus. Wie neemt me mee? Verspreid dit nieuws gerust. Mailen kan via mijn virtuele postvak.
Ik zou me graag engageren om deze zomer één volle week dagelijks in een leefwereld die me niet vertrouwd is te stappen. Dit graag in mijn eigen stad Menen. Ik woon nu bijna vier jaar in Menen en vind mezelf al goed ingeburgerd. Maar er zijn nog zoveel facetten die ik niet ken.
Omdat op reis gaan, ook gewoon in eigen stad kan. En om wat vooroordelen uit mijn hoofd te doorstrepen.
Neem jij me graag mee naar een geloofsritueel dat ik niet ken? Kan ik een dag meedraaien op een werkvloer die me totaal vreemd is (let op: ik wil meehelpen, maar niet je werk overnemen)? Kan ik met je mee naar de countryclub?
Stel me gerust iets voor. Wat voor jou gewoon is, kan voor mij iets nieuws zijn. Een ervaring. Als het me een uitdaging lijkt, zeg ik volmondig 'JA'. Van elke ervaring schrijf ik een stukje op mijn weblog. Dus misschien kan ik op die manier ook andere Menenaren op reis laten gaan in eigen stad.
Ik ga op reis in Menen van maandag 27 juli tot en met zondag 2 augustus. Wie neemt me mee? Verspreid dit nieuws gerust. Mailen kan via mijn virtuele postvak.
dinsdag 9 juni 2015
stelt paal en perk (27):
Oops, I did it again. Ook al beloofde ik het hier op 14 maart 2013 voor al uw ogen dat ik het nooit meer zou doen. Dat ik het toch deed, komt een stukje door mijn moeder. Ze had een artikel voor me bewaard, zoals ze dat wel vaker doet. Ze gooide het tussen aperitiefje en frietjes voor mijn ogen met de woorden: 'Kijk eens.' En toen verdween ze snel even richting kelder. Subtiel. Ik zag onmiddellijk wat het was: een onderzoek naar datingsites. En welke site nu meer hoop geeft op succes.
Toen ze terug kwam uit de kelder, zei ik: 'Drie van de vijf heb ik al geprobeerd.' Ze schrok er niet eens van. 'Maar de beste? Die ook?' vroeg ze. De datingsite die het meest succesvolle aflopen kende, was volgens de test 'Elitedating'. 'Zie jij me al bij de elite?' grapte ik. En toen zei ze: 'Je moet toch wat.' We hebben het er verder niet over gehad. De frietjes smaakten me wat minder. Ook al waren ze vers. Mijn moeder bedoelde het ongetwijfeld goed, maar haar wanhoop viel toch als papperige aardappelpuree in mijn strot.
Nooit meer. Nooit meer. Heb ik trouwens al een paar keer gezegd. Maar in een of andere vlaag van mijn eenzaamheid beklagen, meldde ik me toch aan. Ik moest een kleine €140 betalen. Er werd mij een persoonlijke aanpak beloofd. Daarvoor moest ik allerlei vragen invullen. Meer dan een uur tijd was daarvoor nodig. En met die €140 zou ik een half jaar lang 'gematcht' worden aan mannen die aan mijn profiel voldeden. Dat leek me allemaal terecht. Ik betaalde namelijk om 'serieus' gekoppeld te worden.
Een dag later al, kreeg ik een achttal partnervoorstellen. Dat is meer dan zonder site in een heel jaar! Blijkbaar waren er op deze planeet toch mannen die bij me pasten... In gedachten zag ik me al in een huwelijksjurk de trap afdalen. Maar na een paar muisklikken zat ik alweer in een of ander huishoudpak: er was geen enkele man die iets gemeenschappelijks met me deelde. Behalve dan een liefde voor wijn. 'Geduld, Tine, geduld.' Zo sprak ik mezelf toe. 'Een man voor jou, valt niet zomaar uit de lucht. Uniek als jij bent, zo moet ook die ander zijn.' Dus ploos ik elke dag met zorg de partnervoorstellen door. En echt waar: na meer dan twee maanden, is er nog geen enkele man die nog maar in de buurt van een dekseltje komt. Mijn ware zit ongetwijfeld op een andere planeet die geen weet heeft van het woord date.
Mijn foto's circuleren intussen al als 'eenzame wanhopige' op het net. Ik zie wie mijn profiel bezoekt, maar niet reageert. Dat is bijna iedere keer. Tussen al die 'discretie' door, zie ik bekende gezichten en zij dus ook het mijne. Niemand geeft zich publiekelijk bloot: 'Hey, jij date toch ook?' Het voelt als een nederlaag. Een schandvlek. Een publiek verlies: 'Tine vindt geen lief.'
Onlangs zei ik het mijn moeder. Dat ik me toch had ingeschreven. Ze haalde duidelijk opgelucht adem. 'Maar het is niets,' zei ik meteen. 'We zullen het maar moeten doen met mijn alleen.' En af en toe, als ze durft, vraagt ze het me: 'En? Is het al wat?' Als ik dan zwijg, zwijgt ze met me mee en schudt het hoofd.
Begrijp me niet verkeerd: ik zoek geen lief voor mijn moeder. Want als ik heel eerlijk ben, vind ik het stiekem wel leuk om naast haar op een bankje te zwijgen. Maar zo naast elkaar, dat kan alleen met haar. Alleen zij mag er deze dagen naar vragen. Dus vraag het me maar niet. Ook niet grappend.
Het voelt als een laatste poging. Een laatste kansje tot dansje. Bloter dan dit, kan jagen niet zijn. Ik, vr, 36, best aardig, spontaan, grappig en creatief. Maar niemand, pakt mij in zijn armen, vindt mij liever dan lief. En hoe lichtvoetig ik soms ben, mijn hart heeft het zwaar van dat falen. Ik heb het in dit leven best fijn, maar niemand zou voor de liefde moeten betalen.
Toen ze terug kwam uit de kelder, zei ik: 'Drie van de vijf heb ik al geprobeerd.' Ze schrok er niet eens van. 'Maar de beste? Die ook?' vroeg ze. De datingsite die het meest succesvolle aflopen kende, was volgens de test 'Elitedating'. 'Zie jij me al bij de elite?' grapte ik. En toen zei ze: 'Je moet toch wat.' We hebben het er verder niet over gehad. De frietjes smaakten me wat minder. Ook al waren ze vers. Mijn moeder bedoelde het ongetwijfeld goed, maar haar wanhoop viel toch als papperige aardappelpuree in mijn strot.
Nooit meer. Nooit meer. Heb ik trouwens al een paar keer gezegd. Maar in een of andere vlaag van mijn eenzaamheid beklagen, meldde ik me toch aan. Ik moest een kleine €140 betalen. Er werd mij een persoonlijke aanpak beloofd. Daarvoor moest ik allerlei vragen invullen. Meer dan een uur tijd was daarvoor nodig. En met die €140 zou ik een half jaar lang 'gematcht' worden aan mannen die aan mijn profiel voldeden. Dat leek me allemaal terecht. Ik betaalde namelijk om 'serieus' gekoppeld te worden.
Een dag later al, kreeg ik een achttal partnervoorstellen. Dat is meer dan zonder site in een heel jaar! Blijkbaar waren er op deze planeet toch mannen die bij me pasten... In gedachten zag ik me al in een huwelijksjurk de trap afdalen. Maar na een paar muisklikken zat ik alweer in een of ander huishoudpak: er was geen enkele man die iets gemeenschappelijks met me deelde. Behalve dan een liefde voor wijn. 'Geduld, Tine, geduld.' Zo sprak ik mezelf toe. 'Een man voor jou, valt niet zomaar uit de lucht. Uniek als jij bent, zo moet ook die ander zijn.' Dus ploos ik elke dag met zorg de partnervoorstellen door. En echt waar: na meer dan twee maanden, is er nog geen enkele man die nog maar in de buurt van een dekseltje komt. Mijn ware zit ongetwijfeld op een andere planeet die geen weet heeft van het woord date.
Mijn foto's circuleren intussen al als 'eenzame wanhopige' op het net. Ik zie wie mijn profiel bezoekt, maar niet reageert. Dat is bijna iedere keer. Tussen al die 'discretie' door, zie ik bekende gezichten en zij dus ook het mijne. Niemand geeft zich publiekelijk bloot: 'Hey, jij date toch ook?' Het voelt als een nederlaag. Een schandvlek. Een publiek verlies: 'Tine vindt geen lief.'
Onlangs zei ik het mijn moeder. Dat ik me toch had ingeschreven. Ze haalde duidelijk opgelucht adem. 'Maar het is niets,' zei ik meteen. 'We zullen het maar moeten doen met mijn alleen.' En af en toe, als ze durft, vraagt ze het me: 'En? Is het al wat?' Als ik dan zwijg, zwijgt ze met me mee en schudt het hoofd.
Begrijp me niet verkeerd: ik zoek geen lief voor mijn moeder. Want als ik heel eerlijk ben, vind ik het stiekem wel leuk om naast haar op een bankje te zwijgen. Maar zo naast elkaar, dat kan alleen met haar. Alleen zij mag er deze dagen naar vragen. Dus vraag het me maar niet. Ook niet grappend.
Het voelt als een laatste poging. Een laatste kansje tot dansje. Bloter dan dit, kan jagen niet zijn. Ik, vr, 36, best aardig, spontaan, grappig en creatief. Maar niemand, pakt mij in zijn armen, vindt mij liever dan lief. En hoe lichtvoetig ik soms ben, mijn hart heeft het zwaar van dat falen. Ik heb het in dit leven best fijn, maar niemand zou voor de liefde moeten betalen.
Abonneren op:
Posts (Atom)
TINE ZIET (542): Fietsschrik
Goede voornemens neem ik liever bij het begin van het schooljaar dan bij het begin van een kalenderjaar. Elk schooljaar wil ik aanvatten met...
-
Dinsdagavond zat ik met leerlingen in CC Guldenberg in Wevelgem voor de voorstelling ‘Serdi’. Een tweetal weken geleden volgden wij nog een ...
-
De plaids zijn weer uit de kast gekomen. Ook de wollen truien. De nylons. Het wordt kouder. Mijn hoofd staat al op de waakvlam, maar ik stel...
-
Een vraag die ik afgelopen dagen een paar keer kreeg was of ik dit jaar geen zomerproject doe. Na meer dan tien jaar knippen, plakken, op ra...




