zaterdag 11 januari 2014
Droom 17
Ze droomde dat ze onder druk van een hogedrukreiniger al haar exen van referenties moest voorzien. Hoewel het aantal exen best meevalt, had ze het er maar druk mee. Ze had toch liever wolkjes uit de lucht gekneed.
zondag 15 december 2013
Ooit (26):
Ooit was bewegen voor mij een automatisme. In de vruchtzak bewoog ik zoals elk ander ongeboren kind. En eenmaal in het licht spartelde ik zoals het hoorde: alle ledematen de lucht in trappelend. Zelfs toen ik eenmaal lopen kon, leek niets in mijn verplaatsingen 'anders dan normaal'.
Het kwam voor het eerst in beeld in de turnles: trillend op een balk, vertoonde ik veel minder evenwicht. Aan de rekstok miste ik elke vorm van soepelheid. Het was bij de bok dat ik voor het eerst geconfronteerd werd met de houterigheid in mij: elke keer stokte ik op één meter voor de bok. De schooldokter had het over een holle rug en stuurde me om oefeningen naar een kinesist, waar ik leerde om met de borst vooruit te lopen. De bewegingsdocente, later, zei: 'Wees trots, je hebt zo'n mooi luchtpunt, Tine!' Maar alle aanmoedigingen ten spijt, raakte ik die borstelsteel in mijn bewegen niet meer kwijt. Wat eens zo soepel automatisch en vanzelf gebeurde, piepte van de ene op de andere dag roestig bij het manoeuvreren. Men begon zich bijgevolg op mijn handelingen te fixeren en zag een probleem van coördineren. Men had het zelfs over blokkeren. Mijn schouders werden er moedeloos verlegen van.
Soms vergeet ik dat hij er zit. Dan dans ik bijvoorbeeld bijna-sierlijk. Of dan loop ik op straat als een halve dame. Even denk ik dan dat hij verdwenen is. Dat kan toch best, hij kwam ook zomaar op mijn pad, toen ik even niet goed keek. Misschien kan hij ook op die manier verdwijnen.
Met dit harkerig-zijn heb ik inmiddels heel goed kunnen leven. Al vermorzel ik die klungel in mijn lijf in gedachten minstens vijf keer per dag. Zo verwijt ik hem mijn gebrek aan durven. De zuinigheid in mijn fysieke ondernemen. Mijn hoofd denkt dan: "Eropaf!' maar mijn benen blijven staan of gaan dan net de andere kant op. Die van gemiste kansen en nooit weten wat er was gebeurd als ze toch de kant van mijn hersenen hadden gekozen. Soms denk ik: Had mijn brein die benen, in plaats van dit onhandige lijf, had ik in dit leven tonnen minder spijt.
Een ander lijf voor mijn gedachten is er natuurlijk niet. Ik kan dan ook niet anders: ik leg me krampachtig bij dit gebrek neer en sla de stok in mij dan maar op de borst. Hij mag er zijn, maar hopelijk komt er toch ooit een houtworm op hem af.
Het kwam voor het eerst in beeld in de turnles: trillend op een balk, vertoonde ik veel minder evenwicht. Aan de rekstok miste ik elke vorm van soepelheid. Het was bij de bok dat ik voor het eerst geconfronteerd werd met de houterigheid in mij: elke keer stokte ik op één meter voor de bok. De schooldokter had het over een holle rug en stuurde me om oefeningen naar een kinesist, waar ik leerde om met de borst vooruit te lopen. De bewegingsdocente, later, zei: 'Wees trots, je hebt zo'n mooi luchtpunt, Tine!' Maar alle aanmoedigingen ten spijt, raakte ik die borstelsteel in mijn bewegen niet meer kwijt. Wat eens zo soepel automatisch en vanzelf gebeurde, piepte van de ene op de andere dag roestig bij het manoeuvreren. Men begon zich bijgevolg op mijn handelingen te fixeren en zag een probleem van coördineren. Men had het zelfs over blokkeren. Mijn schouders werden er moedeloos verlegen van.
Soms vergeet ik dat hij er zit. Dan dans ik bijvoorbeeld bijna-sierlijk. Of dan loop ik op straat als een halve dame. Even denk ik dan dat hij verdwenen is. Dat kan toch best, hij kwam ook zomaar op mijn pad, toen ik even niet goed keek. Misschien kan hij ook op die manier verdwijnen.
Met dit harkerig-zijn heb ik inmiddels heel goed kunnen leven. Al vermorzel ik die klungel in mijn lijf in gedachten minstens vijf keer per dag. Zo verwijt ik hem mijn gebrek aan durven. De zuinigheid in mijn fysieke ondernemen. Mijn hoofd denkt dan: "Eropaf!' maar mijn benen blijven staan of gaan dan net de andere kant op. Die van gemiste kansen en nooit weten wat er was gebeurd als ze toch de kant van mijn hersenen hadden gekozen. Soms denk ik: Had mijn brein die benen, in plaats van dit onhandige lijf, had ik in dit leven tonnen minder spijt.
Een ander lijf voor mijn gedachten is er natuurlijk niet. Ik kan dan ook niet anders: ik leg me krampachtig bij dit gebrek neer en sla de stok in mij dan maar op de borst. Hij mag er zijn, maar hopelijk komt er toch ooit een houtworm op hem af.
maandag 18 november 2013
DRANG naar lucht/adem
Experimenteel cultuurparcours DRANG is een creatieve kersverse samenwerking tussen Tita Andronica en Tine Moniek. Voor deze eerste editie begeren ze de lucht/adem. Het belooft een parcours te worden met voorstellingen die als verse lucht je longen zullen vullen. Of je adem zullen doen stokken...
Tine Feys, Jeroen Permentier, Tina Van Wymelbeke,
Tita Andronica (Sylvie Declercq) en Tine Moniek
vonden in het onderwerp zuurstof voor een nieuwe fijne voorstelling.
Laat je verrassen.
Op zaterdag 7/12 start er een parcours om 19u, 19u30 en om 20u .
Op zondag 8/12 zijn de aanvangsuren 18u, 18u30 en 19u.
De voorstellingen gaan door in De Magneet, Minister Liebaertlaan 24, 8500 Kortrijk.
Een kaartje kost €10 (inclusief 1 drankje).
Reservatie is verplicht. Dit via drangnaar@gmail.com of 0477/438377
Aansluitend kan je ook een kaasplankje of een vleeswarenbordje eten voor € 8.
(Enkel op reservatie.)
Warme kledij is aanbevolen.
Links:
vrijdag 1 november 2013
stelt paal en perk (12):
Elk jaar, als takken met hun kaalheid prijken, overvalt me het gevoel om met mijn gedachten naar wie er niet meer is te reiken. Natuurlijk heb ik daar geen specifieke dag voor nodig: ik herdenk mijn doden vaak in woord, droom en gedachten en ik zie het kerkhof meer dan één maal per jaar. Maar ik gloei toch altijd weer een beetje extra, als het één november is.
"Allerheiligen,' zo sprak de non (ja, ik ben katholiek opgevoed), "daarop gedenkt ge alle doden. Ge bedankt ze voor wie ze waren.Ge denkt een keertje extra aan hen. De dag daarop dan moogt ge huilen, want Allerzielen, dat is een tijd voor gemis en droefenis." Ook al geloof ik tegenwoordig meer in mensen dat in een Heer die alles ziet, ik hecht nog altijd waarde aan die woorden van die non. Want iedereen: hindoe, jood, islamiet, atheïst,... eindigt tenslotte toch in een soort van kist.
Ik vind het een mooie traditie om ons op één dag in het jaar allemaal massaal naar het kerkhof te begeven. Voor velen is het een last, een plicht en een schijnheilige vertoning. Voor mij is het een ode aan, een terugblik, een ritueel,... Ik hou van de bloemen, de passanten, de sfeer. Vooral dan op het kerkhof van het dorp waar ik zo lang woonde. Mijn ronde doe ik het liefst volgens een vast patroon: alleen. Het inspireert me al jaren tot een stukje hommage (*) aan mijn gemis, dat elk jaar een stukje zwaarder is.
Vandaag mocht ik voor het eerst ervaren dat het kerkhof niet meer 'het mijne' is. Ook al botste ik opnieuw op bekende levenden en doden. Als je een dorp verlaat, doe je blijkbaar onbewust ook afstand van plaatselijke namen. Let wel: wie er lag voor ik verhuisde, ken ik natuurlijk nog. Maar de recentste graven, daar had ik minder voeling mee. Het is een spijtig feit, waar ik morgen misschien - op advies van de non ooit - zachtjes om zal schreien.
Ik verlang niet naar de dag dat ik op één november op een nieuw kerkhof zal staan - ontheemd. Want dat houdt in dat daar iemand zal liggen, die ik kende. Dat is nodig voor mijn ritueel: een startplek. Misschien kan ik al wat aan gewenning doen door meer zomaar een kerkhof aan te doen. Ook zonder bloemenzee, hou ik ervan. De oude foto's en de scheefzakkende zerken. De rust maar ook het vertoon. Dood is droef. Het leert ook behoorlijk relativeren.
Vandaag herdacht ik mensen die nooit meer ouder zullen worden, mensen die Zwarte Piet niet racistisch vonden, dit land iets om met trots voor te vechten, geld iets om te sparen, de cuisson onbestaande en de toekomst iets om met open mond aan te gapen. Doden begrijpen vast niets meer van deze aarde.
(*) Voor nog meer kerkhofmelancholie klik hier.
"Allerheiligen,' zo sprak de non (ja, ik ben katholiek opgevoed), "daarop gedenkt ge alle doden. Ge bedankt ze voor wie ze waren.Ge denkt een keertje extra aan hen. De dag daarop dan moogt ge huilen, want Allerzielen, dat is een tijd voor gemis en droefenis." Ook al geloof ik tegenwoordig meer in mensen dat in een Heer die alles ziet, ik hecht nog altijd waarde aan die woorden van die non. Want iedereen: hindoe, jood, islamiet, atheïst,... eindigt tenslotte toch in een soort van kist.
Ik vind het een mooie traditie om ons op één dag in het jaar allemaal massaal naar het kerkhof te begeven. Voor velen is het een last, een plicht en een schijnheilige vertoning. Voor mij is het een ode aan, een terugblik, een ritueel,... Ik hou van de bloemen, de passanten, de sfeer. Vooral dan op het kerkhof van het dorp waar ik zo lang woonde. Mijn ronde doe ik het liefst volgens een vast patroon: alleen. Het inspireert me al jaren tot een stukje hommage (*) aan mijn gemis, dat elk jaar een stukje zwaarder is.
Vandaag mocht ik voor het eerst ervaren dat het kerkhof niet meer 'het mijne' is. Ook al botste ik opnieuw op bekende levenden en doden. Als je een dorp verlaat, doe je blijkbaar onbewust ook afstand van plaatselijke namen. Let wel: wie er lag voor ik verhuisde, ken ik natuurlijk nog. Maar de recentste graven, daar had ik minder voeling mee. Het is een spijtig feit, waar ik morgen misschien - op advies van de non ooit - zachtjes om zal schreien.
Ik verlang niet naar de dag dat ik op één november op een nieuw kerkhof zal staan - ontheemd. Want dat houdt in dat daar iemand zal liggen, die ik kende. Dat is nodig voor mijn ritueel: een startplek. Misschien kan ik al wat aan gewenning doen door meer zomaar een kerkhof aan te doen. Ook zonder bloemenzee, hou ik ervan. De oude foto's en de scheefzakkende zerken. De rust maar ook het vertoon. Dood is droef. Het leert ook behoorlijk relativeren.
Vandaag herdacht ik mensen die nooit meer ouder zullen worden, mensen die Zwarte Piet niet racistisch vonden, dit land iets om met trots voor te vechten, geld iets om te sparen, de cuisson onbestaande en de toekomst iets om met open mond aan te gapen. Doden begrijpen vast niets meer van deze aarde.
(*) Voor nog meer kerkhofmelancholie klik hier.
zondag 13 oktober 2013
VAART: 7 tem 12 oktober 2013
Tijdens het event 'VAART' van de experimentele vrijstaat De Magneet zat ik bijna dagelijks aan een schrijfmuur. Op die muur ging ik met een VAART aan de slag met pen en vingers om via écriture automatique het schrijfbeest in mij weer wakker te pennen en de muur te dichten met mooie woorden.
Op 07/10 bezette ik de muur met enkele grotere woorden, die spontaan in mijn hoofd kwamen toen ik daar op die plek was neer gezeten. Losse associaties met de ruimte. Er was er rustig die avond.
De volgende avond had ik mijn potloden en slijper mee en begon rond de woorden stukjes te schrijven die automatisch uit mijn pols kwamen. Door de bubbeltjes in het behang was de tekst niet zo goed leesbaar. Gedurende de tijd dat ik er was, is mijn potlood de helft korter geworden. Ik schreef dus als het ware een half potlood leeg. Ik moest soms echt op mijn buik gaan liggen: gelukkig had ik een matje van Sylvie.
Al meer bekijks. Maar natuurlijk was ik op mijn buik een opvallende verschijning.
Op 9/10 was het al veel drukker in De Magneet. Eerst moest ik nog wat aan de slag met mijn potlood. De woorden op de trap zelf moesten nog worden omgeven door potloodwoorden. Toen dit voorbij was nam ik een zwarte stift en begon losse gedachten uit m'n hoofd op te schrijven. Dit was veel leesbaarder voor de voorbijlopende mensen. Dus best ook meer confronterend als iemand naast je de tekst begint mee te lezen.
Op donderdagochtend kwam er een klasje op bezoek. Ze kwamen oog in oog met mijn muur te staan. Ik heb hen daarna de opdracht gegeven om ook een tekstje zonder denken te schrijven. Daarna mochten ze hun tekstje op mijn muur kleven. Dit verliep eerst een beetje aarzelend, maar al gauw ontdekten de kinderen het plezier in zonder denken schrijven. Bij sommigen kwam er een echte woordenstroom opzetten. Toen ze vertrokken was mijn muur behoorlijk 'gepimpt'.
's Avonds ging ik terug om mijn muur verder te bezetten. Toen er naast mij een optreden begon, kwamen er meer mensen langs. Het was best leuk schrijven.
Aangezien ik op 11 oktober voor mijn werk op een andere plek moest zijn, nam ik die dag een polspauze.
De laatste dag van mijn schrijfproject startte op zaterdag rond 19u45. Er was heel veel volk en veel animo. Mensen moesten soms over mij heen klimmen zonder dat ik het merkte. Zo geconcentreerd was ik om mijn einddoel te bereiken. Dikwijls hervond ik me met mijn hoofd op de trap of ondersteboven.
Ik werd enorm veel aangesproken. Iemand vroeg om foto's te maken en vroeg of dit schrijven voor mij een vorm van mediteren was. Iemand wou er dingen bijschrijven, maar dat wou ik niet toelaten, zo vlak voor mijn eindstreep. Na al die dagen wou ik alleen de finish bereiken.
Iemand anders begon ook nog eens zijn tekstjes met plakband op de muur te plakken en ging daar vrolijk mee verder nadat ik hem verteld had dat ik het niet leuk vond. Ook wou hij almaar aandacht door ook nog eens z'n briefjes voor mijn neus te duwen: op dat moment raakte ik behoorlijk geïrriteerd. Dat is duidelijk te merken aan de inhoud van mijn teksten en ook aan mijn handschrift dat nog meer rare halen kreeg. Ik nam een pauze. Groot was mijn frustratie dat hij na een klein uurtje pauze nog steeds mijn muur bezette. Gelukkig kon iemand anders hem op andere ideeën brengen voor mijn laatste halfuur schrijven.
Uiteindelijk bereikte ik om 23u45 het moment waarop ik dacht: nu stop ik. Nu is het mooi geweest.Iemand zei: "Het lijkt precies een landkaart." Ik keek en bedacht dat het een landkaart van zo weinig mogelijk denken was. Trots. Bedankt voor deze kans!
Op 07/10 bezette ik de muur met enkele grotere woorden, die spontaan in mijn hoofd kwamen toen ik daar op die plek was neer gezeten. Losse associaties met de ruimte. Er was er rustig die avond.
De volgende avond had ik mijn potloden en slijper mee en begon rond de woorden stukjes te schrijven die automatisch uit mijn pols kwamen. Door de bubbeltjes in het behang was de tekst niet zo goed leesbaar. Gedurende de tijd dat ik er was, is mijn potlood de helft korter geworden. Ik schreef dus als het ware een half potlood leeg. Ik moest soms echt op mijn buik gaan liggen: gelukkig had ik een matje van Sylvie.
Al meer bekijks. Maar natuurlijk was ik op mijn buik een opvallende verschijning.
Op 9/10 was het al veel drukker in De Magneet. Eerst moest ik nog wat aan de slag met mijn potlood. De woorden op de trap zelf moesten nog worden omgeven door potloodwoorden. Toen dit voorbij was nam ik een zwarte stift en begon losse gedachten uit m'n hoofd op te schrijven. Dit was veel leesbaarder voor de voorbijlopende mensen. Dus best ook meer confronterend als iemand naast je de tekst begint mee te lezen.
's Avonds ging ik terug om mijn muur verder te bezetten. Toen er naast mij een optreden begon, kwamen er meer mensen langs. Het was best leuk schrijven.
Aangezien ik op 11 oktober voor mijn werk op een andere plek moest zijn, nam ik die dag een polspauze.
De laatste dag van mijn schrijfproject startte op zaterdag rond 19u45. Er was heel veel volk en veel animo. Mensen moesten soms over mij heen klimmen zonder dat ik het merkte. Zo geconcentreerd was ik om mijn einddoel te bereiken. Dikwijls hervond ik me met mijn hoofd op de trap of ondersteboven.
Ik werd enorm veel aangesproken. Iemand vroeg om foto's te maken en vroeg of dit schrijven voor mij een vorm van mediteren was. Iemand wou er dingen bijschrijven, maar dat wou ik niet toelaten, zo vlak voor mijn eindstreep. Na al die dagen wou ik alleen de finish bereiken.
Iemand anders begon ook nog eens zijn tekstjes met plakband op de muur te plakken en ging daar vrolijk mee verder nadat ik hem verteld had dat ik het niet leuk vond. Ook wou hij almaar aandacht door ook nog eens z'n briefjes voor mijn neus te duwen: op dat moment raakte ik behoorlijk geïrriteerd. Dat is duidelijk te merken aan de inhoud van mijn teksten en ook aan mijn handschrift dat nog meer rare halen kreeg. Ik nam een pauze. Groot was mijn frustratie dat hij na een klein uurtje pauze nog steeds mijn muur bezette. Gelukkig kon iemand anders hem op andere ideeën brengen voor mijn laatste halfuur schrijven.
Uiteindelijk bereikte ik om 23u45 het moment waarop ik dacht: nu stop ik. Nu is het mooi geweest.Iemand zei: "Het lijkt precies een landkaart." Ik keek en bedacht dat het een landkaart van zo weinig mogelijk denken was. Trots. Bedankt voor deze kans!
woensdag 25 september 2013
stelt paal en perk (11):
'O wonder!
How many goodly creatures are there here!
How beauteous mankind is!
O brave new world,
That has got such people in in!'
(William Shakespeare - uit: 'The Tempest')
Als ik bovenstaande woorden van Shakespeare herlees, zie ik mezelf als klein meisje op een krukje staan. Mijn hoofd door het zolderraam terwijl ik mijn blik over het landschap laat zweven. Ik roep de woorden uit 'De Storm' met alle dramatiek die ik in me heb uit. Mijn frêle stemmetje waaiert uit over de velden en ik voel me oprecht gelukkig. Ja! Volkomen blij!
Dat ik als klein meisje de woorden van Shakespeare nog niet kende en dat ik zelfs met een krukje erbij niet door het dakraam naar buiten kon kijken, dat doet niets ter zake. Het doet in elk geval niets af van het feit dat die woorden dit bij me oproepen. Want ooit was ik het wel: oprecht gelukkig en ja, ook volkomen blij. Niet met hoe ik me voelde, maar om wat er allemaal rond mij voor handen was. De zon. Het gras. De bomen. Vogels. U kent het ongetwijfeld wel. Dat hoop ik toch tenminste. 's Ochtends in pyjama over een natte weide lopen om me met een teiltje ijskoud water te wassen: één van de jaarlijkse hoogtepunten in mijn kinderlijk bestaan. Bovenal hield ik ook van mensen. Ik geloofde dat we er samen iets van konden maken en zong dat niet alleen rond het kampvuur. Ik geloofde toen echt. Al klinkt het allemaal zo ontzettend naïef en misschien een tikkeltje banaal: samen is de mens toch een heel pak waard!
In deze 'brave new world' staan we zelden samen. Woonden we vroeger in een dorp als metafoor, wonen we nu in een denkbeeldig grijs saai flatgebouw: aan elke voordeur een dubbel slot en unieke keuken. We vragen onze buren zelden naar melk of suiker. Meer nog: we kennen meestal niet eens hun naam. Op onze cola of onze chocopastapot hoort onze eigen naam. We zijn altijd bereikbaar met de nieuwste snufjes met gepersonaliseerde beltune. Altijd hip en trendy in de mode. We klagen steen en been omdat ons in onze ogen onrecht wordt aangedaan.We kijken niet eens verder dan onze eigen navel. We zijn zo blij en vrij maar bovenal zo fake! En die vrijheid, lijkt een soort kooi van Faraday: want hoe meer we ons aan ons ego binden, hoe meer afstand met wat er allemaal in deze wereld leeft.
Dat het uit dat zolderraam niet zo mooi is, zoals ik vroeger wel eens dacht. Dat er heel wat onrecht gaande is. Dat er teveel bloed vloeit dat niet van ons maar van deze wereld is. Daar kan niemand meer om heen. Maar als we nu eens massaal en collectief af en toe op een krukje gaan staan. Of veel beter nog: door een bos gaan hollen. Een grasveld met modder desnoods. En samen de woorden uit 'De Storm' - uit volle borst - scanderen. Laat ons zeggen: twee maal per jaar (het moet doenbaar zijn met onze overdrukke agenda's). Misschien lukt het ons dan ook om er samen wat beter van te maken. Al is het dat ene kleine beetje maar.
Zou dat lukken? Stellen we een Doodle op? Vandaag?
How many goodly creatures are there here!
How beauteous mankind is!
O brave new world,
That has got such people in in!'
(William Shakespeare - uit: 'The Tempest')
Als ik bovenstaande woorden van Shakespeare herlees, zie ik mezelf als klein meisje op een krukje staan. Mijn hoofd door het zolderraam terwijl ik mijn blik over het landschap laat zweven. Ik roep de woorden uit 'De Storm' met alle dramatiek die ik in me heb uit. Mijn frêle stemmetje waaiert uit over de velden en ik voel me oprecht gelukkig. Ja! Volkomen blij!
Dat ik als klein meisje de woorden van Shakespeare nog niet kende en dat ik zelfs met een krukje erbij niet door het dakraam naar buiten kon kijken, dat doet niets ter zake. Het doet in elk geval niets af van het feit dat die woorden dit bij me oproepen. Want ooit was ik het wel: oprecht gelukkig en ja, ook volkomen blij. Niet met hoe ik me voelde, maar om wat er allemaal rond mij voor handen was. De zon. Het gras. De bomen. Vogels. U kent het ongetwijfeld wel. Dat hoop ik toch tenminste. 's Ochtends in pyjama over een natte weide lopen om me met een teiltje ijskoud water te wassen: één van de jaarlijkse hoogtepunten in mijn kinderlijk bestaan. Bovenal hield ik ook van mensen. Ik geloofde dat we er samen iets van konden maken en zong dat niet alleen rond het kampvuur. Ik geloofde toen echt. Al klinkt het allemaal zo ontzettend naïef en misschien een tikkeltje banaal: samen is de mens toch een heel pak waard!
In deze 'brave new world' staan we zelden samen. Woonden we vroeger in een dorp als metafoor, wonen we nu in een denkbeeldig grijs saai flatgebouw: aan elke voordeur een dubbel slot en unieke keuken. We vragen onze buren zelden naar melk of suiker. Meer nog: we kennen meestal niet eens hun naam. Op onze cola of onze chocopastapot hoort onze eigen naam. We zijn altijd bereikbaar met de nieuwste snufjes met gepersonaliseerde beltune. Altijd hip en trendy in de mode. We klagen steen en been omdat ons in onze ogen onrecht wordt aangedaan.We kijken niet eens verder dan onze eigen navel. We zijn zo blij en vrij maar bovenal zo fake! En die vrijheid, lijkt een soort kooi van Faraday: want hoe meer we ons aan ons ego binden, hoe meer afstand met wat er allemaal in deze wereld leeft.
Dat het uit dat zolderraam niet zo mooi is, zoals ik vroeger wel eens dacht. Dat er heel wat onrecht gaande is. Dat er teveel bloed vloeit dat niet van ons maar van deze wereld is. Daar kan niemand meer om heen. Maar als we nu eens massaal en collectief af en toe op een krukje gaan staan. Of veel beter nog: door een bos gaan hollen. Een grasveld met modder desnoods. En samen de woorden uit 'De Storm' - uit volle borst - scanderen. Laat ons zeggen: twee maal per jaar (het moet doenbaar zijn met onze overdrukke agenda's). Misschien lukt het ons dan ook om er samen wat beter van te maken. Al is het dat ene kleine beetje maar.
Zou dat lukken? Stellen we een Doodle op? Vandaag?
woensdag 18 september 2013
Ooit (25):
Ooit was slapen een straf. Ik sleepte mezelf tegen heug en meug de trappen op, weigerde de kussen en deed niets liever dan me uit de slaap te houden door me te concentreren op de geluiden van beneden. Als ik de rest van het gezin twintig treden onder mij hoorde lachen, kon ik wel huilen: ook dit geluk ging aan mij voorbij. Liggen in mijn bed: wat ontzettend onrechtvaardig! Daarenboven werden mij verhaaltjes beloofd en zoete dromen maar de korrels die het zandmannetje in mijn ogen strooiden waren bijtend hard en altijd veel te zwaar.
Totdat ik natuurlijk ontdekte dat een bed meer functies had. Het begon met fijne dromen, die mijn slaap met blosjes kleurden. Opeens vertrouwde ik mijn hoofdkussen geheimen toe, die ik zelfs niet met mijn dagboek durfde delen. Terwijl er treden diep gegniffeld werd of gestikt werd in een nootje, raakte ik verstrikt in de zachtheid van mijn lakens. Ook vond ik steeds leuker om mijn zorgen en mijn lijf in de nacht op een matras achter te laten, terwijl ik met mijn hoofd het ene avontuur na het andere beleefde. 's Morgens schroefde ik dan mijn hoofd aan romp en had een hele dag om al die fantastische dromen in gedachten keer op keer te herhalen.
Intussen is slapen voor mij een nood. Ook al stel ik het graag nog altijd uit. Meestal val ik nét niet om van vaak en hunker naar een kudde verse dromen. Toch luister ik af en toe nog naar wat ik door de nakende slaap zal missen: een krakend bed, een ruige motorrit, een stapje in de wereld,een nachtelijke sigaret... Dan denk ik: er is nog wakkerheid genoeg. Na een wenteling of drie geef ik me dan grenzeloos weer over aan wie mijn hoofd op hol doet slaan.
Met mijn ogen dicht loopt mijn dag weer leeg. Mijn bed vult spontaan de rekken aan.
Totdat ik natuurlijk ontdekte dat een bed meer functies had. Het begon met fijne dromen, die mijn slaap met blosjes kleurden. Opeens vertrouwde ik mijn hoofdkussen geheimen toe, die ik zelfs niet met mijn dagboek durfde delen. Terwijl er treden diep gegniffeld werd of gestikt werd in een nootje, raakte ik verstrikt in de zachtheid van mijn lakens. Ook vond ik steeds leuker om mijn zorgen en mijn lijf in de nacht op een matras achter te laten, terwijl ik met mijn hoofd het ene avontuur na het andere beleefde. 's Morgens schroefde ik dan mijn hoofd aan romp en had een hele dag om al die fantastische dromen in gedachten keer op keer te herhalen.
Intussen is slapen voor mij een nood. Ook al stel ik het graag nog altijd uit. Meestal val ik nét niet om van vaak en hunker naar een kudde verse dromen. Toch luister ik af en toe nog naar wat ik door de nakende slaap zal missen: een krakend bed, een ruige motorrit, een stapje in de wereld,een nachtelijke sigaret... Dan denk ik: er is nog wakkerheid genoeg. Na een wenteling of drie geef ik me dan grenzeloos weer over aan wie mijn hoofd op hol doet slaan.
Met mijn ogen dicht loopt mijn dag weer leeg. Mijn bed vult spontaan de rekken aan.
Abonneren op:
Posts (Atom)
TINE ZIET (542): Fietsschrik
Goede voornemens neem ik liever bij het begin van het schooljaar dan bij het begin van een kalenderjaar. Elk schooljaar wil ik aanvatten met...
-
Dinsdagavond zat ik met leerlingen in CC Guldenberg in Wevelgem voor de voorstelling ‘Serdi’. Een tweetal weken geleden volgden wij nog een ...
-
De plaids zijn weer uit de kast gekomen. Ook de wollen truien. De nylons. Het wordt kouder. Mijn hoofd staat al op de waakvlam, maar ik stel...
-
Een vraag die ik afgelopen dagen een paar keer kreeg was of ik dit jaar geen zomerproject doe. Na meer dan tien jaar knippen, plakken, op ra...















