maandag 4 juni 2007

Ballade van de verloren kinderen

in het begin schiep hij het gras
alsof het aarde was
hij legde haar daarin neer
en ze was niet meer

hij zei: “er moet water komen”
en zij speelde fontein
HAP deed hij “Ik drink je leeg”
klaterend werd ze zijn meer

“ik wil nu je vruchten om te eten”
met zijn mes sneed hij die in twee
“eentje voor mijn honger
en eentje voor mijn eer”

indien dit een romance was
steeg zij nu uit boven het gras
zoog zich vol met paardebloem
spon haar pluis met mild gefleem

“neen, ik woon in een ballade”
het meisje zuchtte een laatste keer
in de aarde van het gras bloeide ze open
in de aarde van de aarde was ze geweest

hij zag dat het goed was
trok een hemel om haar heen
“het is rond, het is volbracht”
hoorde stemmen en verdween

er werd gezocht naar adem
toen men over de vlakte keek
men groef gangen, men vloog over
helaas: geen vleugje meisje meer

na het leven kwam haar haar
daarna het speeksel en het bloed
men kamde alles tot het draadje
wreef angstig handen dijen leer

men gaf haar op na weken zoeken
er verschenen paardebloemen
en de zon scheen eindelijk geel
het groene gras dat veerde weer

tot slot schiep hij de stilte
die kleefde hij op lippen
en snoerde daarmee de keel
“waarheid schep ik een andere keer”


Tine Moniek!
2007

Dit gedicht schreef ik voor het OpenTuinWeekend. In 7 tuinen worden op 23 & 24 juni kunst & poëzie getoond. Dit gedicht komt samen met organische kunstwerken in de tuin van Miek Verbeke, Vijfseweg 38 te Waregem. Klik hier voor meer info.

dinsdag 29 mei 2007

Bekentenis

Toen mijn vader mijn moeder sloeg, was dat niet alleen haar eigen fout.

Hij sloeg haar hard en vaak omdat het nu eenmaal moest, want zij dronk ons weg in groene flessen. Niets is erger dan de verdrinkingsdood. Daarom sloeg hij. Met vuist en handen probeerde hij ons in leven te laten. Niet leuk was dat van vader. Maar het hielp in zekere mate. Want na die opname in het ziekenhuis volgde een ontwenningskuur met enkel water. Moeder leefde eindelijk op, leek het wel. Ze aaide toen mijn haren en kuste mijn wang als ik naar school vertrok. Ze rook naar uien en goedkoop parfum. Nooit eerder had ik haar zo mogen ruiken.

U moet weten dat ik, toen ik 12 was, een diepe haat voelde voor meisjes. Ik dacht niet beter dat vrouwen met een fles in de hand werden geboren, want Elke Biebuyck dronk ook al Breezers in het park. Elke Biebuyck zult u wel niet kennen. Dat was een buurmeisje. Ze was wat ouder, maar niet zoveel. Zij rook naar sigaretten en chocolade, dat weet ik nog goed. Elke was een felle. Ze maakte ons tot wat wij, jongens van de buurt, geworden zijn: échte kerels met haar op onze kin en onze borst. Nooit zal ik vergeten dat ze sprak over dikke piemels in haar mond.

Nu, mijn moeder voelde zich zo goed, dat ze besloot een streep te trekken over ons. Ze liep met de bakker aan het lijntje. En ook met de slager af en toe. Dat wist Bruno, mijn broer me te vertellen op een dag. Op school hadden ze hem gepest met rake woorden. "Je moeder is een hoer." Hij was haar gevolgd toen ze alweer een feestje had. Na de glazen flessen waren namelijk plastic potjes gekomen. Om toch maar iets te doen te hebben 's avonds, terwijl wij huiswerk maakten en vader voetbal keek, was ze miss Tupperware geworden.
En toen had Bruno dus, met zijn eigen ogen gezien, dat ze de bakkerij binnenstapte. We ontdekten later piepkleine wolkjes meel op haar kraag. We wisten het nu wel zeker, want moeder bakte nooit brood of taart. Zelfs geen pannenkoeken.

Wat had u gedaan? We dachten er eerst aan om vader in te lichten. Maar dan hadden we vast een moord op ons geweten. Dus besloten Bruno en ik om ons zoeter te wreken.
Op een avond zaten we in het parkje. We hadden Breezers mee voor Elke. Ze kon wel wat hebben, dus hadden we een extra pak mee. En terwijl wij onze eerste sigaretten rookten, werden onze ogen net zo wazig als het hoofd van Elke. Ze wou ons kussen, lippen op onze mond. Maar wij dachten aan die piemels en waren in de war. Dus gaven we haar elk een paar stevige schoppen en haalden haar lippen open met een kapot flesje drank. Dat had ze dus wel verdiend en het kwam ons goed van pas: een paar dagen later kwam de politie bij ons thuis.

Nadat wij de gesloten inrichting achter de rug hadden, bemerkten we dat alles thuis intussen weer z'n oude gang was gegaan: moeder was van slag en aan de fles. De bakker roerde weer alleen in het beslag. En vader mepte harder dan ooit tevoren.

Wij komen nooit meer in het park.

TINE ZIET (542): Fietsschrik

Goede voornemens neem ik liever bij het begin van het schooljaar dan bij het begin van een kalenderjaar. Elk schooljaar wil ik aanvatten met...