vrijdag 29 oktober 2010

PS 5:

Jongetje, onschuldig jongetje,

Nu ben je nog te jong om deze brief te lezen.
Je vindt hem wel, zo vroeg of later.
Zo pienter ben je wel.

Er was een tijd dat ik je aandoenlijk vond.
Je was nog klein en onbeholpen.
En in een spelletje dat je graag speelde, drukte jij op mijn linkertepel,
terwijl alle andere jongetjes en meisjes met hun duim in de lucht duwden en
niet zagen dat ik een rood hoofd kreeg om jouw onverwachte drukken.

Een jaar geleden begon je aandoenlijkheid te keren.
Je bleek een kleine sater in een schaapskostuum.
In een boek dat iedereen kon lezen, schreef je dat ik een varken was.
Je bedreigde me zelfs enkele malen met de hoop op een explosief einde.

Dankzij je bezorgde vader zag ik in dat het niet je bedoeling was.
Je bent nu eenmaal wat pillen van je ouders met je maken.
Jij moet het allemaal maar slikken.

Maar toen je vorige week een hakenkruis op mijn armen kerfde,
mij het concentratiekamp in sleurde met je stalen kapo-blik en
luidop "Leve Hitler" schreeuwde terwijl je hardop wenste "Was jij maar Joods!"
begreep ik dat het nooit meer goed met jou zal komen.

Nog klein monstertje van Frankenstein,
we zullen ongetwijfeld later van je horen.
En weet: met rode vlekken in mijn nek, zal ik dit schrijven tonen.
Je daden zullen niet onschuldig zijn, maar wat je ook zal doen:
Je kan er eenmaal niets aan doen.

Ontoerekeningsvatbaar schattepadje,
een zoen en lieve sprookjes voor het slapen gaan!

dinsdag 7 september 2010

HALTE 6:

trachten niet te buigen
met volle kracht negeren

niet de slappe benen
niet het weekste hart

dat het anders loopt
dat de boom de droom
geen tak een blad beweegt

het geloof in schors en andersom
een iets misschien om wij te waaien
lucht om in de kruin wat licht te zien

dinsdag 3 augustus 2010

Eigen schuld

Je begint met je handen.
Vingers zonder een doel.

Daarna je armen.
Die omvatten slechts lucht.

Dan die schouders.
Waar leunen die op?
En zelfs dat zal verdwijnen.

Een hart dat slechts bonkt
dat het te laat is.
De buik die al voelt vreten.
Een bekken dat wel wou slaan.

Dijen die trillen.
Knieën die week zijn vandaag.
Vanzelf schoppen de schenen naar binnen.

Enkel en enkel.

Die voeten te stevig.
Geen teen om te staan.

Tenslotte de oren die niet wilden horen.
Het haar dat niet schoof.
Het eeuwig en altijd dat denken.
De neus die vaag rook.

Als voorlaatste de ogen die keken.
De lippen tot slot.

Zo vreet je jezelf
(dat het je spijt
dat het je spijt)
op.

vrijdag 23 juli 2010

HALTE 5:

En dan lees je jezelf.

In een wolk. Of een boom.
Als je erop let.

Zelfs het donker is je adem.
Je kijkt in elk blad je blik.

Die vogel uit je hoofd fluit wat je denkt.
Woorden van een ander raken jou het best.

Alles anders als je uit je lichaam stapt.
De tijd opeens als open ruimte proeft.

En jij te nietig voor een naam als Ik.

zaterdag 3 juli 2010

Droom 12

Tine Moniek droomde dat de man van wie ze stiekem hield - maar ze had hem in het echt nog nooit gezien - bleek te zijn getrouwd.

Toen ze stiekem hetzelfde deed - ook met iemand die ze niet in het ware leven kent - verloor de man van wie ze stiekem hield zijn lippen. Zomaar. In de supermarkt.

Iemand viel over die lippen. En ja: dat was Tine Moniek.

Zonde

Dat het zo niet hoort dat is een feit.

Naast dat feit ligt het verlangen neer.
Kwispelt aardig met z'n staart en meer.

Zo drinken we vaak te veel wijn.
Zo maken we weer ons hoofd te week.

Voor wie niet voelt de grom, de hap:
het is nooit genoeg te nemen wat zich

op een blad, een mond, een hart, iets anders
aanbiedt als een ding dat meer dan wat er is
en wat er komt te schenken heeft, te slaan.

Dat het is zoals het is en almaar went.
Dat wennen maar niet went, dat hoort erbij.

Het verlangen bijt zich door de waanzin voort.

zaterdag 26 juni 2010

PS 4:

Aan wie er lag,

Misschien ken ik jou. Dat zal nog blijken.
Wellicht ken ik je niet.

Aan je vorm te zien, ben je een vrouw of lichte man.
Ik gok je ouder dan vijftig. Maar zoals ik je zag, weet je dat niet.

Lag je zonder kleren toen men je vond? Lag je in de zon?
Als ik heel hard denk, lag je in een bed alleen te wezen.
Waarom dat beeld? Geen flauw idee.

Toen men je naar binnendroeg, fietsten twee lachende meisjes voorbij.
Ze droegen korte rokjes en geen mouwen.
Hun zomer net begonnen. Zij zagen je niet.
Onbekommerd.

Er was een man die deed alsof hij niet keek. Zijn borst was bloot.
Ik las iets van schrik in beide ogen. Hij fietste sneller dan daarvoor.

Ik reed voorbij met blauwe wagen en schrok om je te zien.
Ze rolden je in doek naar binnen.
Je leek me zo naakt.
Ineens miste ik een kist.

Het was een warme dag vandaag.
Het was je allerlaatste.
En ik was het die naar je zwaaide.
Na de schrik.
Om de hoek.

Je was vast heel moe.
Het gaat je goed.

x

TINE ZIET (536): Bus

Deze zomerdagen probeer ik meer en meer de confrontatie aan te gaan met al mijn persoonlijkheden. Zo heb ik er meer en meer de behoefte aan ...